Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2611

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
777098-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdrecht

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld.

De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer tot stoppen gedwongen, zijn voor en naast zijn fiets gaan staan, hebben de fiets als ook aangever vastgepakt en hem ook nog geduwd. Vervolgens is zijn portemonnee afgepakt en is zijn mobiele telefoon uit zijn handen getrokken. Hoewel de verdachte en zijn mededaders in eerste instantie hebben verklaard dat het als een grap is begonnen, is deze zogenaamde grap ernstig uit de hand gelopen. Zij zijn op een heel intimiderende wijze bezig geweest en hebben aangever ook met de dood bedreigd. De verdachte en zijn mededaders zijn samen verantwoordelijk voor het geweld en de bedreigingen die zijn geuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777098-16

Datum uitspraak: 16 maart 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [geboortedatum] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 2 maart 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.F. Heslinga en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte

mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 september 2016 te Noordwijk op de openbare weg [adres]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit;

- het tot stoppen dwingen van die [slachtoffer] door voor en/of naast de fiets van die [slachtoffer] te staan en/of

het vastpakken van het stuur van die fiets en/of (vervolgens)

- het vastpakken van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het (meermalen) duwen tegen en/of trekken aan het lichaam van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het pakken van de portemonnee uit de hand/uit de zak van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het uit de handen trekken van de mobiele telefoon van die [slachtoffer] ;

- het (op dreigende toon) toevoegen/zeggen aan voornoemde [slachtoffer] van de volgende woorden:

“Telefoon weg, telefoon weg!!! Uitklikken en in je broekzak doen!! Uitklikken en in je broekzak

doen!!! !“ en/of “uitklikken, uitklikken! !“ en/of “Ik zou je legitimatie pakken anders ben je dood”,

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 september 2016 te Noordwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een fietssleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk die fietssleutel uit het slot van de fiets van die [slachtoffer] weg te nemen en/of (vervolgens) die fietssleutel weg te gooien;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich samen met een ander of anderen op 25 september 2016 te Noordwijk schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van een portemonnee en/of een mobiele telefoon (feit 1) alsook of de verdachte samen met een ander of anderen een fietssleutel heeft weggemaakt (feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 en feit 2 heeft begaan.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat uit de aangifte van [slachtoffer] , bezien in samenhang met de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , alsook de overige in het dossier voorhanden zijnde stukken, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte samen met een ander de portemonnee en de mobiele telefoon van aangever [slachtoffer] heeft weggenomen, terwijl aangever tot stoppen is gedwongen, is vastgepakt en tegen zijn lichaam is geduwd.

De mobiele telefoon van aangever is uit zijn handen getrokken en ook zijn portemonnee is afgepakt. Door deze wegnemingshandelingen is er sprake van een voltooide diefstal, aldus de officier van justitie. De verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hebben aangever bovendien fors bedreigd, zelfs met de dood, en zijn op een heel intimiderende wijze bezig geweest.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangegeven dat zij de verdachte mede verantwoordelijk acht voor het uit het slot halen en wegmaken van de fietssleutel van aangever.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van beide feiten bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft zij

aangevoerd dat bij de verdachte alsook bij zijn medeverdachten het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de portemonnee en de mobiele telefoon ontbrak. Er werd uitsluitend om het legitimatiebewijs van aangever gevraagd. De verdachte heeft voorts, aldus de raadsvrouw, geen aandeel gehad in de wegnemingshandelingen van de portemonnee en de mobiele telefoon. De verdachte, die volgens de raadsvrouw jongen 3, als genoemd in de aangifte, moet zijn geweest, heeft volgens aangever geen actieve rol gehad. Hij is ook samen met medeverdachte [medeverdachte 2] weg gegaan en alleen maar terug gekomen omdat medeverdachte [medeverdachte 1] bij hem zou logeren. Er is, aldus de raadsvrouw, dan ook zeker geen sprake geweest van medeplegen. Het is voorts de vraag of het geven van een enkele duw aan aangever als geweld kan worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte de fiets niet op slot heeft gezet en ook de fietssleutel niet in zijn handen heeft gehad.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Ten aanzien van feit 1

Op 25 september 2016 tussen 05.00 en 05.20 uur fietste [slachtoffer] (verder: aangever) over de [adres] te Noordwijk. Hij werd door drie onbekende jongens gedwongen om te stoppen. Hij besloot te stoppen en een blonde blanke jongen (verder: jongen 1) zei tegen hem dat hij zijn legitimatie moest tonen. Aangever deed dit niet.

Jongen 1 stond op dat moment voor de fiets van aangever en de andere twee jongens stonden aan de zijkant, maar wel binnen een meter afstand. Aangever gaf herhaaldelijk aan dat hij verder wilde fietsen, maar dat werd hem fysiek onmogelijk gemaakt. Jongen 1 pakte de stuur van zijn fiets vast en jongen 2 zijn armen. Wederom werd er gezegd dat hij zijn legitimatie moest laten zien.

Tijdens het fysieke contact met jongen 1 en 2 en de strubbeling die ontstond, was er een moment dat jongen 2 ineens met de portemonnee van aangever in zijn handen stond. In deze zwart leren portemonnee zaten pasjes en de 2 gehoorapparaatjes van aangever.

Aangever pakte zijn mobiele telefoon en dreigde om de politie te gaan bellen. Jongen 1 griste vervolgens de telefoon uit de handen van aangever en rende ermee weg. Aangever rende achter jongen 1 aan omdat hij zijn telefoon terug wilde hebben. Die kreeg hij terug. Aangever liep vervolgens terug naar zijn fiets. Die stond op slot en de fietssleutel was weggenomen. Aangever heeft zijn portemonnee terug, maar zijn gehoorapparaatjes waren eruit gevallen en beschadigd. Aangever is naar discotheek “Home” gelopen en heeft aldaar de politie kunnen bellen.2

De rechtbank leidt uit de aangifte en de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten af dat de verdachte jongen 2 moet zijn geweest en niet zoals de raadsvrouw aangeeft, jongen 3.

De verdachte heeft bij de politie3 en ter terechtzitting 4verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ) aangever tot stoppen heeft gedwongen en om zijn legitimatie heeft gevraagd. [medeverdachte 1] stond op dat moment voor de fiets van aangever. [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ) had [medeverdachte 1] een tientje beloofd als hij iemand zou aanspreken. De verdachte en [medeverdachte 2] liepen ook naar aangever toe. [medeverdachte 2] was aan het filmen. De verdachte heeft verklaard dat hij aangever een duw heeft gegeven, maar dat [medeverdachte 1] de aangever de hele tijd duwde en ook de telefoon van aangever uit zijn handen heeft getrokken en de portemonnee heeft gepakt. De telefoon is gepakt omdat aangever wilde bellen en ze bang waren dat hij 112 zou bellen. Nadat [medeverdachte 1] ermee is weggerend en aangever achter hem aan is gerend, heeft aangever de telefoon teruggekregen. Ook de portemonnee is teruggegaan naar aangever.5

[medeverdachte 1] heeft bij de politie6 verklaard dat hij degene was die aangever tot stoppen heeft gedwongen door voor zijn fiets te gaan staan en hem om zijn legitimatie te vragen.

De verdachte en [medeverdachte 2] stonden erbij. Er was hem een tientje beloofd als hij iemand van zijn fiets zou duwen, maar dat vond hij te ver gaan. Ook heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij de telefoon van de aangever uit zijn handen heeft getrokken en ermee is weggerend. [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat hij op deze wijze wilde voorkomen dat aangever 112 zou bellen. De woorden ‘telefoon weg, telefoon weg. Uitklikken en in je broekzak doen’7, waren ook bedoeld om dit te voorkomen.

Ten aanzien van de portemonnee heeft [medeverdachte 1] verklaard dat deze op de grond is gevallen toen de verdachte aangever een duw gaf. [medeverdachte 1] keek in de portemonnee op zoek naar het legitimatiebewijs van aangever en heeft de portemonnee vervolgens naar aangever gegooid.

[medeverdachte 1] heeft ten slotte verklaard dat hij de fiets van aangever op slot heeft gezet en vervolgens de fietssleutel heeft weggemaakt.

De raadsvrouw heeft betoogd dat bij de verdachte het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening ontbrak om, al dan niet samen met een ander of anderen, een portemonnee en een mobiele telefoon weg te nemen.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de mobiele telefoon van aangever uit zijn handen heeft getrokken en ermee is weggerend, omdat hij wilde voorkomen dat aangever 112 zou bellen. Door deze wegnemingshandeling heeft [medeverdachte 1] de mobiele telefoon aan de feitelijke heerschappij van aangever onttrokken en er zelf - weliswaar kortdurend - als heer en meester over beschikt. Er is dan ook sprake van een voltooide wegnemingshandeling en een wederrechtelijke toe-eigening van de mobiele telefoon van aangever. De diefstal van de telefoon kan daarom bewezen worden verklaard.

Ook de portemonnee is van aangever afgepakt en op dat moment kon aangever niet vrijelijk over zijn portemonnee beschikken en was [medeverdachte 1] degene die als heer en meester over deze portemonnee beschikte en deze zich wederrechtelijk had toegeëigend. De diefstal van de portemonnee kan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er geweld tegen aangever is gebruikt en/of hij met geweld is bedreigd alsook of de verdachte samen met een ander of anderen deze diefstallen heeft gepleegd.

Uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat medeverdachte [medeverdachte 1] voor de fiets van aangever is gaan staan en hem aldus tot stoppen heeft gedwongen. De verdachte en [medeverdachte 2] zijn erbij komen staan en vervolgens is aangever bij zijn armen gepakt en is het stuur van de fiets vastgepakt. Ook is aangever meermalen geduwd en is hij zelfs met de dood bedreigd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de diefstal is voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte dit feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd.

Van medeplegen is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad sprake indien de verdachte aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest en is het niet vereist dat hij alle handelingen van het strafbare feit zelf heeft verricht.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte en [medeverdachte 2] erbij stonden toen hij aangever tot stoppen dwong en hem om zijn legitimatie vroeg. De aanwezigheid van de verdachte en [medeverdachte 2] , en daarmee de fysieke overmacht van drie tegen een, maakte de situatie extra bedreigend voor aangever. De verdachte heeft verklaard dat hij aangever een duw heeft gegeven. Voorts blijkt uit de beschrijving van de woorden die de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben gebruikt om aangever te bedreigen, zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt naar aanleiding van het filmpje dat [medeverdachte 2] heeft gemaakt, dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Zij hebben aangever om en om op zeer dreigende toon toegesproken, waarbij [medeverdachte 1] degene is die de doodsbedreiging heeft geuit.

Gelet op voornoemde handelingen en bedreigingen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, hoewel hij niet feitelijk de wegnemingshandeling van de portemonnee en mobiele telefoon heeft gepleegd, wel samen met zijn medeverdachten heeft bewerkstelligd dat de portemonnee en de mobiele telefoon konden worden weggenomen en aldus een zodanig wezenlijke bijdrage aan de totstandkoming van de diefstal van de mobiele telefoon en de portemonnee heeft gehad dat er sprake is van medeplegen.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit samen met anderen heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2

Niet is komen vast te staan dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het op slot zetten van de fiets van aangever [slachtoffer] en het wegmaken van de fietssleutel.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal zij hem daarvan vrijspreken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 25 september 2016 te Noordwijk op de openbare weg [adres] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond uit;

- het tot stoppen dwingen van die [slachtoffer] door voor en naast de fiets van die [slachtoffer] te staan en

het vastpakken van het stuur van die fiets en vervolgens

- het vastpakken van die [slachtoffer] en vervolgens

- het meermalen duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en vervolgens

- het pakken van de portemonnee van die [slachtoffer] en vervolgens

- het uit de handen trekken van de mobiele telefoon van die [slachtoffer] en

- het op dreigende toon toevoegen/zeggen aan voornoemde [slachtoffer] van de volgende woorden:

“Telefoon weg, telefoon weg!!! Uitklikken en in je broekzak doen!! Uitklikken en in je broekzak

doen!!!!“ en/of “uitklikken, uitklikken!! “ en/of “Ik zou je legitimatie pakken anders ben je dood”;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie alsook tot jeugddetentie voor de duur van

1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, mocht de rechtbank wel tot bewezenverklaring komen, het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf bepleit. Op vrijwillige basis is reeds hulpverlening ingezet.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld.

De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer tot stoppen gedwongen, zijn voor en naast zijn fiets gaan staan, hebben de fiets alsook aangever vastgepakt en hem ook nog geduwd. Vervolgens is zijn portemonnee afgepakt en is zijn mobiele telefoon uit zijn handen getrokken. Hoewel de verdachte en zijn mededaders in eerste instantie hebben verklaard dat het als een grap is begonnen, is deze grap ernstig uit de hand gelopen. Zij zijn op een heel intimiderende wijze bezig geweest en hebben aangever ook met de dood bedreigd. De verdachte en zijn mededaders zijn samen verantwoordelijk voor het geweld en de bedreigingen die zijn geuit.

Dit alles kan door het slachtoffer als zeer bedreigend zijn ervaren. Naast de geleden materiële schade kan een slachtoffer zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen.

Bovendien nemen door dit soort geweldsdelicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor medeplegen van brandstichting. Van deze eerdere, deels voorwaardelijke, veroordeling is kennelijk geen preventieve werking uitgegaan, nu de verdachte gedurende de proeftijd van deze veroordeling de thans bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het voorlichtingsrapport d.d. 22 december 2016 van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) betreffende de persoon van de verdachte.

Blijkens dit rapport is de totaalscore van het Dynamisch Risicoprofiel midden laag.

Er worden veel signalen gezien op het gebied hyperactiviteit/aandachtstekortstoornis.

Er worden enige signalen gezien door moeder op het gebied van problemen met alcohol. Alcoholgebruik wordt gedoogd bij een grote groep jongeren die zich veelvuldig in het centrum van Noordwijk begeven. De Raad is van mening dat dit een behoorlijk risico geeft op het ontstaan van delictgedrag. Bovendien geeft het gebruik van alcohol op jonge leeftijd risico’s op de ontwikkeling van de hersenen van jongeren. De verdachte lijkt onvoldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het gebruik van alcohol, op zowel langere als kortere termijn. Bovendien lijkt de verdachte niet in te zien welke gevolgen zijn gedrag heeft voor het slachtoffer.

Hiervoor heeft de Raad de verdachte aangemeld bij Slachtoffer in beeld. Er is ook sprake van op handen zijnde hulpverlening bij het Palmhuis. Er moet bezien worden aan welke doelen in deze hulpverlening gewerkt gaat worden.

Geadviseerd wordt de verdachte een werkstraf op te leggen om de verdachte de gevolgen van zijn handelen te laten inzien. De Raad vertrouwt er op dat, door de verdachte en het slachtoffer met elkaar in contact te brengen, dit voldoende inzicht en bewustzijn geeft bij de verdachte om er voor te zorgen dat het risico op herhaling wordt verkleind.

De rechtbank kan zich deels vinden in het door de Raad gegeven strafadvies.

De op te leggen straf

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Het alcoholgebruik op jonge leeftijd en het daarbij behorende risico op delictgedrag maakt dat de rechtbank reden ziet een voorwaardelijk strafdeel op te leggen teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden. De huidige proeftijd van de verdachte verloopt op 27 april 2017. Gelet op de geringe rol van de verdachte in het bewezenverklaarde feit en de omstandigheid dat de verdachte van feit 2 is vrijgesproken, zal de rechtbank aan de verdachte geen voorwaardelijke jeugddetentie - zoals door de officier van justitie is gevorderd - opleggen, maar zal de rechtbank voornoemde werkstraf deels voorwaardelijk opleggen. De rechtbank zal geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de werkstraf verbinden, nu de benodigde hulpverlening al in het vrijwillige kader is gestart en de verdachte reeds is aangemeld voor het traject Slachtoffer in Beeld. De rechtbank gaat ervan uit dat de ingezette hulpverlening en het traject Slachtoffer in Beeld voortvarend worden doorgezet.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN OP DE OPENBARE WEG;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 80 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 40 DAGEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, groot 40 UREN subsidiair 20 DAGEN vervangende jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde

zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Kramer, kinderrechter,

en mr. S.M. Borkent, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2016267965, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 112.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , met bijlage, pagina 49/53.

3 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] , pagina 88/97.

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2017.

5 Proces-verbaal van verhoor minderjarige [verdachte] , pagina 88/97.

6 Proces-verbaal van verhoor minderjarige [medeverdachte 1] , pagina 98/105.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 65.