Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2610

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
777099-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdrecht

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld.

De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer tot stoppen gedwongen, zijn voor en naast zijn fiets gaan staan, hebben de fiets alsook aangever vastgepakt en hem ook nog geduwd. Vervolgens is zijn portemonnee afgepakt en is zijn mobiele telefoon uit zijn handen getrokken. Hoewel de verdachte en zijn mededaders in eerste instantie hebben verklaard dat het als een grap is begonnen, is deze zogenaamde grap ernstig uit de hand gelopen. Zij zijn op een heel intimiderende wijze bezig geweest en hebben aangever ook met de dood bedreigd. De verdachte en zijn mededaders zijn samen verantwoordelijk voor het geweld en de bedreigingen die zijn geuit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777099-16

Datum uitspraak:

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 2 maart 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.F. Heslinga en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. C.N.M. Dekker, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 september 2016 te Noordwijk op de openbare weg [adres]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit;

- het tot stoppen dwingen van die [slachtoffer] door voor en/of naast de fiets van die [slachtoffer] te staan en/of

het vastpakken van het stuur van die fiets en/of (vervolgens)

- het vastpakken van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het (meermalen) duwen tegen en/of trekken aan het lichaam van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het pakken van de portemonnee uit de hand/uit de zak van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het uit de handen trekken van de mobiele telefoon van die [slachtoffer] ;

- het (op dreigende toon) toevoegen/zeggen aan voornoemde [slachtoffer] van de volgende woorden:

“Telefoon weg, telefoon weg!!! Uitklikken en in je broekzak doen!! Uitklikken en in je broekzak

doen!!! !“ en/of “uitklikken, uitklikken! !“ en/of “Ik zou je legitimatie pakken anders ben je dood”,

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 september 2016 te Noordwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een fietssleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk die fietssleutel uit het slot van de fiets van die [slachtoffer] weg te nemen en/of (vervolgens) die fietssleutel weg te gooien;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich samen met een ander of anderen op 25 september 2016 te Noordwijk schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van een portemonnee en/of een mobiele telefoon (feit 1) alsook of de verdachte samen met een ander of anderen een fietssleutel heeft weggemaakt (feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 en feit 2 heeft begaan.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat uit de aangifte van [slachtoffer] , bezien in samenhang met de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , alsook de overige in het dossier voorhanden zijnde stukken, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte samen met een ander de portemonnee en de mobiele telefoon van aangever [slachtoffer] heeft weggenomen, terwijl aangever tot stoppen is gedwongen, is vastgepakt en tegen zijn lichaam is geduwd.

De mobiele telefoon van aangever is uit zijn handen getrokken en ook zijn portemonnee is afgepakt. Door deze wegnemingshandelingen is er sprake van een voltooide diefstal, aldus de officier van justitie. De verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hebben aangever bovendien fors bedreigd, zelfs met de dood, en zijn op een heel intimiderende wijze bezig geweest.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangegeven dat door de verdachte is bekend dat hij de fietssleutel van aangever uit het slot heeft gehaald en heeft weggemaakt, zodat aangever naar huis moest lopen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe gesteld dat bij de verdachte de opzet ontbrak om een portemonnee en een mobiele telefoon weg te nemen. De opzet van de verdachte was erop gericht om aan aangever te vragen zijn legitimatiebewijs te tonen. Dat is, aldus de raadsman, geen strafbaar feit en staat ook niet in de tenlastelegging vermeld. Dat de verdachte opzet zou hebben gehad om, al dan niet samen met een ander of anderen, een portemonnee en een mobiele telefoon weg te nemen blijkt ook niet uit de stukken die zich in het dossier bevinden. Met name uit de woorden die in het filmpje te horen zijn, zoals die in het voorgehouden proces-verbaal van bevindingen zijn weergegeven, blijkt dat het ging om het geven van een legitimatiebewijs.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Ten aanzien van feit 1

Op 25 september 2016 tussen 05.00 en 05.20 uur fietste [slachtoffer] (verder: aangever) over de [adres] te Noordwijk. Hij werd door drie onbekende jongens gedwongen om te stoppen. Hij besloot te stoppen en een blonde blanke jongen (verder: jongen 1) zei tegen hem dat hij zijn legitimatie moest tonen. Aangever deed dit niet.

Jongen 1 stond op dat moment voor de fiets van aangever en de andere twee jongens stonden aan de zijkant, maar wel binnen een meter afstand. Aangever gaf herhaaldelijk aan dat hij verder wilde fietsen, maar dat werd hem fysiek onmogelijk gemaakt. Jongen 1 pakte het stuur van zijn fiets vast en jongen 2 zijn armen. Wederom werd er gezegd dat hij zijn legitimatie moest laten zien.

Tijdens het fysieke contact met jongen 1 en 2 en de strubbeling die ontstond, was er een moment dat jongen 2 ineens met de portemonnee van aangever in zijn handen stond. In deze zwart leren portemonnee zaten pasjes en de 2 gehoorapparaatjes van aangever.

Aangever pakte zijn mobiele telefoon en dreigde om de politie te gaan bellen. Jongen 1 griste vervolgens de telefoon uit de handen van aangever en rende ermee weg. Aangever rende achter jongen 1 aan omdat hij zijn telefoon terug wilde hebben. Die kreeg hij terug. Aangever liep vervolgens terug naar zijn fiets. Die stond op slot en de fietssleutel was weggenomen. Aangever heeft zijn portemonnee terug, maar zijn gehoorapparaatjes waren eruit gevallen en beschadigd. Aangever is naar discotheek “Home” gelopen en heeft aldaar de politie kunnen bellen.2

De verdachte heeft bij de politie3 en ter terechtzitting4 verklaard dat hij degene was die aangever tot stoppen heeft gedwongen door voor zijn fiets te gaan staan en hem om zijn legitimatie te vragen. Medeverdachten [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ) stonden erbij.

Er was hem een tientje beloofd als hij iemand van zijn fiets zou duwen, maar dat vond hij te ver gaan. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij de telefoon van de aangever uit zijn handen heeft getrokken en ermee is weggerend. Hij heeft aangegeven dat hij op deze wijze wilde voorkomen dat aangever 112 zou bellen. De woorden ‘telefoon weg, telefoon weg. Uitklikken en in je broekzak doen’5 waren ook bedoeld om dit te voorkomen.

Ten aanzien van de portemonnee heeft de verdachte verklaard dat deze op de grond is gevallen toen medeverdachte [medeverdachte 1] aangever een duw gaf. Hij keek in de portemonnee op zoek naar het legitimatiebewijs van aangever en heeft de portemonnee vervolgens naar aangever gegooid.

De verdachte heeft ten slotte verklaard dat hij de fiets van aangever op slot heeft gezet en vervolgens de fietssleutel heeft weggemaakt. Hij was die nacht onder invloed van alcohol.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte aangever tot stoppen heeft gedwongen en om zijn legitimatie heeft gevraagd. [medeverdachte 2] had de verdachte een tientje beloofd als hij iemand zou aanspreken. Hij en [medeverdachte 2] liepen ook naar aangever toe. [medeverdachte 2] was aan het filmen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij aangever een duw heeft gegeven, maar dat de verdachte de telefoon van aangever uit zijn handen heeft getrokken en ook de portemonnee heeft gepakt.

De telefoon is gepakt omdat aangever wilde bellen en ze bang waren dat hij 112 zou bellen. Nadat de verdachte ermee is weggerend en aangever achter hem aan is gerend, heeft aangever de telefoon teruggekregen. Ook de portemonnee is teruggegaan naar aangever.6

De raadsman heeft betoogd dat bij de verdachte de opzet ontbrak om, al dan niet samen met een ander of anderen, een portemonnee en een mobiele telefoon weg te nemen.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de mobiele telefoon van aangever uit zijn handen heeft getrokken en ermee is weggerend, omdat hij wilde voorkomen dat aangever 112 zou bellen. Door deze wegnemingshandeling heeft de verdachte de mobiele telefoon aan de feitelijke heerschappij van aangever onttrokken en er zelf als heer en meester over beschikt. Er is dan ook sprake van een voltooide wegnemingshandeling en een wederrechtelijke toe-eigening van de mobiele telefoon van aangever. Of de verdachte al dan niet in een paniekreactie de telefoon wegnam, vooraf niet de intentie had de telefoon weg te nemen en de telefoon slechts korte tijd onder zich heeft gehad, maakt dit niet anders. Daar komt nog bij dat aangever achter de verdachte aan moesten rennen en zodoende zelf moest bewerkstelligen om zijn telefoon weer terug te krijgen. De diefstal van de telefoon kan daarom bewezen worden verklaard.

Ook de portemonnee is van aangever afgepakt en op dat moment kon aangever niet vrijelijk over zijn portemonnee beschikken en was de verdachte degene die als heer en meester over deze portemonnee beschikte. Daarmee is sprake van een voltooide wegnemingshandeling en een wederrechtelijke toe-eigening. Ook hier doen daaraan de intentie vooraf en het korte tijdsbestek niet af. De diefstal van de portemonnee kan derhalve ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er geweld tegen aangever is gebruikt en/of hij met geweld is bedreigd alsook of de verdachte samen met een ander of anderen deze diefstallen heeft gepleegd.Uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de verdachte voor de fiets van aangever is gaan staan en hem aldus tot stoppen heeft gedwongen, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn hierbij komen staan, vervolgens is aangever bij zijn armen gepakt en is het stuur van de fiets vastgepakt. Ook is aangever meermalen geduwd en is hij zelfs met de dood bedreigd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de diefstal is voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld.

Tevens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte dit feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd.

Van medeplegen is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad sprake indien de verdachte aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest en is het niet vereist dat hij alle handelingen van het strafbare feit ook zelf heeft verricht.

De verdachte heeft verklaard dat hij aangever tot stoppen heeft gedwongen en hem om zijn legitimatie heeft gevraagd, terwijl medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] erbij stonden.

Ook heeft hij de telefoon van de aangever uit zijn handen getrokken en is hij ermee weggerend en heeft hij, nadat de portemonnee van aangever op de grond lag nadat medeverdachte [medeverdachte 1] aangever een duw gaf, deze opgepakt en in de portemonnee gekeken, omdat hij op zoek was naar het legitimatiebewijs van aangever, en heeft de portemonnee vervolgens naar aangever gegooid.

Gelet op voornoemde handelingen is de rechtbank van oordeel dat de totstandkoming van de diefstal van de mobiele telefoon en de portemonnee het resultaat is van een samenwerking waaraan de verdachte een zodanig wezenlijke bijdrage heeft geleverd dat er sprake is van medeplegen. Overigens blijkt ook uit de beschrijving van de woorden die de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben gebruikt om aangever te bedreigen, zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt naar aanleiding van het filmpje dat medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gemaakt, dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit samen met anderen heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

2 maart 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 6 oktober 2016,

opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2016267965-1, inhoudende de

verklaring van [slachtoffer] (p. 49-53).

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit alleen heeft begaan.

De rechtbank overweegt hierbij dat uit het dossier niet is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 1] enige rol heeft gespeeld bij het op slot zetten van de fiets van aangever [slachtoffer] en het wegmaken van de fietssleutel.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 25 september 2016 te Noordwijk op de openbare weg [adres] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond uit;

- het tot stoppen dwingen van die [slachtoffer] door voor en naast de fiets van die [slachtoffer] te staan en

het vastpakken van het stuur van die fiets en vervolgens

- het vastpakken van die [slachtoffer] en vervolgens

- het meermalen duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en vervolgens

- het pakken van de portemonnee van die [slachtoffer] en vervolgens

- het uit de handen trekken van de mobiele telefoon van die [slachtoffer] en

- het op dreigende toon toevoegen/zeggen aan voornoemde [slachtoffer] van de volgende woorden:

“Telefoon weg, telefoon weg!!! Uitklikken en in je broekzak doen!! Uitklikken en in je broekzak

doen!!!!“ en/of “uitklikken, uitklikken!! “ en/of “Ik zou je legitimatie pakken anders ben je dood”;

2.

hij op 25 september 2016 te Noordwijk opzettelijk en wederrechtelijk een fietssleutel, toebehorende aan [slachtoffer] , heeft weggemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk die fietssleutel uit het slot van de fiets van die [slachtoffer] weg te nemen en vervolgens die fietssleutel weg te gooien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie alsook tot jeugddetentie voor de duur van

1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming zijn geadviseerd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, mocht de rechtbank naast feit 2 toch ook tot bewezenverklaring van

feit 1 komen, ten aanzien van de strafmaat gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld.

De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer tot stoppen gedwongen, zijn voor en naast zijn fiets gaan staan, hebben de fiets alsook aangever vastgepakt en hem ook nog geduwd. Vervolgens is zijn portemonnee afgepakt en is zijn mobiele telefoon uit zijn handen getrokken. Hoewel de verdachte en zijn mededaders in eerste instantie hebben verklaard dat het als een grap is begonnen, is deze zogenaamde grap ernstig uit de hand gelopen. Zij zijn op een heel intimiderende wijze bezig geweest en hebben aangever ook met de dood bedreigd. De verdachte en zijn mededaders zijn samen verantwoordelijk voor het geweld en de bedreigingen die zijn geuit.

Dit alles kan door het slachtoffer als zeer bedreigend zijn ervaren. Naast de geleden materiële schade kan een slachtoffer zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen.

Bovendien nemen door dit soort geweldsdelicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De verdachte heeft voorts de fiets van het slachtoffer op slot gezet en de fietssleutel weggemaakt teneinde te voorkomen dat het slachtoffer weg kon gaan.

De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.

De persoon van de verdachte

De verdachte is nog niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) d.d. 1 maart 2017 betreffende de persoon van de

verdachte.

Blijkens dit rapport is het algemeen recidiverisico gemiddeld en ligt het dynamisch risicoprofiel (aanwezigheid van risicofactoren in relatie tot de beschermende factoren) in het midden. Dit betekent dat er bij de verdachte op een aantal domeinen risicofactoren spelen die niet geheel worden weggenomen door beschermende factoren.

Op het gebied van de thuissituatie zijn er veel zorgen omdat de verdachte zich moeilijk

laat aansturen door zijn ouders en zijn eigen gang gaat. Complicerende factor is dat de ouders gescheiden zijn en niet goed met elkaar communiceren over de opvoeding van de verdachte.

Op het gebied van school zijn er eveneens veel zorgen omdat de verdachte weinig motivatie heeft voor school en hij moeite heeft met autoriteit. Dit heeft onder andere geresulteerd in meerdere schorsingen van school.

Op het gebied van de vrijetijdsbesteding en het middelengebruik heeft de Raad zorgen omdat ouders weinig zicht lijken te hebben op de vrijetijdsbesteding van de verdachte en waar en met wie hij is. De ouder(s) maken zich zorgen om zijn middelengebruik.

Dit maakt dat de Raad aanleiding ziet om de gedragsinterventie MDFT te adviseren (als onderdeel van de begeleiding) en de maatregel van Toezicht en Begeleiding (verplicht) uit te voeren door de Jeugdreclassering. De Raad kiest voor de gedragsinterventie MDFT omdat dit een intensief en outreachend programma is dat zich richt op het gezin en het systeem erom heen om op die manier meer veiligheid rondom de verdachte te creëren. Daarnaast besteedt MDFT ook aandacht aan de schoolgang, het middelengebruik (eventueel met urinecontroles) en de vrijetijdsbesteding waarin er aandacht voor een bijbaan en

sport kan zijn.

Indien de verdachte schuldig wordt bevonden dan adviseert de Raad dat een deels

voorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd, met als voorwaarde begeleiding vanuit de Jeugdreclassering, inclusief de meldplicht. Hoewel de verdachte reeds vrijwillige hulpverlening ontvangt vanuit het JGT is de Raad van mening dat er in het kader van de begeleiding nog een stok achter de deur nodig is om de benodigde hulpverlening van de grond te laten komen. Tevens wordt geadviseerd als bijzondere voorwaarden op te leggen, het volgen van een systemische behandeling als MDFT, het deelnemen aan de gedragsinterventie Yes We Can en het gedurende de proeftijd naar school gaan.

De Raad is van mening dat een voorwaardelijke jeugddetentie niet is geïndiceerd.

De Raad vindt dat een te zwaar middel, nu de verdachte niet eerder voor een rechter heeft moeten verschijnen en nog nooit eerder verplichte begeleiding opgelegd heeft gekregen. Een leerstraf is niet geïndiceerd omdat er geen sprake lijkt te zijn van vaardigheidstekorten bij de verdachte.

Van de zijde van de Raad is ter terechtzitting benadrukt dat het volgen van MDFT heel belangrijk is en dat binnen MDFT ook aandacht zal worden besteed aan alcoholgebruik.

De op te leggen straf

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn begeleiding en behandeling te waarborgen ziet de rechtbank voorts reden om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De ernst van het feit maakt dat een voorwaardelijke werkstraf een ontoereikende sanctie is.

Als algemene voorwaarde zal onder andere het meewerken aan toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering worden opgelegd en als bijzondere voorwaarden het melden bij de jeugdreclassering, het volgen van een systemische behandeling als MDFT, het deelnemen aan de gedragsinterventie Yes We Can en het gedurende de proeftijd naar school gaan.

De rechtbank heeft een lagere werkstraf dan door de officier van justitie is gevorderd opgelegd, omdat de deelname aan de genoemde gedragsinterventie en behandeling al veel tijdsbeslag met zich zal brengen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder

1. en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN OP DE OPENBARE WEG;

2:

OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, WEGMAKEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde

arbeid, voor de tijd van 40 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 20 DAGEN;

veroordeelt verdachte voorts tot:

jeugddetentie voor de duur van 1 MAAND;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1

Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd) reclassering te houden toezicht,

bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd en op door de (jeugd)reclassering te bepalen tijdstippen zal

melden bij de (jeugd)reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk

acht;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, te weten MDFT,

waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende

deze gedragsinterventie door of namens de instelling die de gedragsinventie aanbiedt aan

de veroordeelde zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan de gedragsinterventie Yes we Can, waarbij de

veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze

gedragsinterventie door of namens de instelling die de gedragsinventie aanbiedt aan

de veroordeelde zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west

Zuid-Holland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Kramer, kinderrechter,

en mr. S.M. Borkent, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2016267965, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 112.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , met bijlage, pagina 49/53.

3 Proces-verbaal van verhoor minderjarige [verdachte] , pagina 98/105.

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 2 maart 2017.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 65.

6 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 1] , pagina 88/97.