Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2560

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
AWB 17/4334
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard

- Procesbelang

- Actualiteit verblijfsrecht in Griekenland

- Vrees voor bedreiging door de Shabiha

- Uit AZC gezet

- Niet voorzien in overdracht

- Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/4334

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],

gemachtigde: mr. S.R. Kwee,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P. van Zijl.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 februari 2017 (het bestreden besluit) waarbij zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 17/4336, plaatsgevonden op 9 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig C. Atrushi, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te bezitten. Op 13 februari 2017 heeft hij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser internationale bescherming geniet in Griekenland en dat van hem kan worden verwacht om naar dat land terug te keren.

3. Op wat eiser daartegen heeft ingebracht wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser geen belang heeft bij

het voeren van deze procedure omdat het niet mogelijk is om in het bezit te komen van meer dan één verblijfsvergunning. De rechtbank volgt verweerder niet in deze stelling. Eiser heeft er immers belang bij een uitspraak van de rechtbank te verkrijgen over de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Griekenland in het bezit zal zijn van een geldige verblijfsvergunning. De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot niet-ontvankelijkverklaring vanwege een gebrek aan procesbelang, maar het beroep inhoudelijk behandelen.

5. De rechtbank spreekt zich allereerst uit over de stelling van eiser dat verweerder zonder

nader onderzoek niet vanuit mag gaan dat de registratie in het Eurodac-systeem van het verlenen van internationale bescherming door de autoriteiten van Griekenland nog actueel is.

6. Eiser heeft verklaard dat hij anderhalf jaar na zijn asielaanvraag in Zweden is

teruggegaan naar Griekenland en dat hij daar in het bezit is gesteld van de op 14 mei 2015 aan hem verleende verblijfsvergunning (pagina 6 Gehoor bescherming EU). Uit onderzoek van verweerder in het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 7 januari 2015 om internationale bescherming heeft verzocht in Zweden. Dit betekent dat hij volgens zijn eigen verklaringen rond 7 juli 2016 nog in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning. Ten tijde van het bestreden besluit was deze informatie dus nog geen acht maanden oud. Naar het oordeel van de rechtbank mag er in die omstandigheden vanuit worden gegaan dat de geldigheid van eisers verblijfsrecht in Griekenland voldoende actueel is en dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om nader onderzoek te doen naar de registratie. De rechtbank ziet zich daarbij gesteund door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2279), waaruit blijkt dat na verloop van tien maanden tussen de datum van registratie in Eurodac van het verlenen van internationale bescherming en het bestreden besluit mocht worden uitgegaan van de juistheid van die registratie.

7. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij in Griekenland bekend staat als een activist en

tegenstander van het Syrische regime en dat hij daardoor te vrezen zou hebben van de in Griekenland aanwezige leden van de Shabiha, een pro-Syrische militie. Hij zou door hen bij drie eerdere incidenten zijn bedreigd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser gewezen op YouTube-filmpjes en heeft hij foto’s overgelegd, waaruit zou blijken dat hij daadwerkelijk als activist tegen het Syrische regime actief is geweest. Daarnaast heeft eiser een document van VluchtelingenWerk Nederland overgelegd, waarin diverse bronnen over de positie van statushouders in Griekenland zijn verzameld.

8. Zoals hiervoor al is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ervan kan worden

uitgegaan dat eiser bij terugkeer in Griekenland zal beschikken over een geldige verblijfsvergunning. Dat betekent dat hij de bescherming zal kunnen genieten zoals omschreven in artikel 3:106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Bij eventuele problemen met de Shabiha zal eiser zich voor bescherming kunnen en moeten wenden tot de daartoe aangewezen autoriteiten in Griekeland. De enkele stelling van eiser dat de politie eenmaal zou hebben geweigerd om zijn aangifte op te nemen, is onvoldoende om te oordelen dat eiser nimmer bij welke (hogere) instantie dan ook bescherming zou kunnen krijgen. Voor zover eiser aanvoert dat de omstandigheden in de opvang voor asielzoekers in Griekenland niet aan de rechtens te honoreren eisen voldoen, oordeelt de rechtbank dat dit eiser niet kan baten omdat hij geen asielzoeker is.

9. Voor zover eiser nog heeft aangevoerd dat hij ten onrechte uit het asielzoekerscentrum is

verwijderd en dat verweerder ten onrechte niet heeft voorzien in een gefaciliteerde overdracht aan de autoriteiten van Griekenland, overweegt de rechtbank dat een oordeel over deze stellingen niet past binnen het kader van het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van eisers asielaanvraag.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.