Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2553

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 26131
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Irak

- relaas ongeloofwaardig

- opvolgende aanvraag

- vestigingsalternatief Bagdad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/26131

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 14 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. M.C. Heijnneman,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D.P.A. van Laarhoven.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit), waarbij de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Aleid, tolk in het Irakees-Arabisch. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] en is afkomstig uit de provincie Bagdad. Eiser heeft op 27 mei 2008 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in het kader van zijn werkzaamheden als [beroep] in Bagdad problemen heeft gekregen met leden van de Al Sadr militie. Bij besluit van 14 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het relaas van eiser ongeloofwaardig is bevonden. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 27 oktober 2009 (AWB 09/1548) het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 24 maart 2010 de uitspraak bevestigd en het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.
Op 12 januari 2012 heeft eiser opnieuw een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat zijn broer [broer] inmiddels ook problemen heeft gekregen met dezelfde leden van de Al Sadr militie en dat eiser door hen daar mede verantwoordelijk voor wordt gehouden. Ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft eiser kopieën overgelegd van een arrestatiebevel en van een vogelvrijverklaring, beide gericht tegen eiser en zijn broer. Bij besluit van 31 januari 2012 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tevens is eiser een inreisverbod opgelegd. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 19 april 2012 (Awb 12/3358) het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Op 8 oktober 2014 heeft eiser een volgende aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 16 oktober 2014 is een besluitmoratorium ingesteld voor asielaanvragen van personen onder meer afkomstig uit de provincie Bagdad. De beslistermijn voor eisers asielaanvraag is dientengevolge verlengd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals deze bepaling luidde vóór 20 juli 2015. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de door eiser overgelegde originelen van de in de eerdere procedure overlegde documenten het eerdere, ongeloofwaardig bevonden relaas niet alsnog aannemelijk maken. Daarbij valt volgens verweerder niet in te zien dat eiser de originele documenten niet eerder had kunnen overleggen. Eiser heeft immers verklaard dat die op zijn verzoek door zijn familie zijn verstuurd en al sinds februari 2012 bij een vriend in Nederland beschikbaar waren. Dat eiser gezocht zou worden voor medeplichtigheid aan de dood van een clanlid is verder bevreemdend omdat eiser op het moment van het incident niet in Irak was. Daarbij is de informatie hierover afkomstig van eisers moeder, die niet als objectief verifieerbare bron kan worden aangemerkt.
Eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU) inzake Bagdad faalt volgens verweerder. Verweerder verwijst daarbij onder meer naar de uitspraak van de Afdeling 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3084).

3. Eiser stelt dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen. Hij heeft aangevoerd dat het aannemelijk is dat ook hij wordt gezocht vanwege de problemen van zijn broer, omdat het een incident betreft waarbij dezelfde personen zijn betrokken als degenen voor wie eiser daarvóór al stelt te vrezen.

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij vanwege de verslechterde algemene veiligheidssituatie in Bagdad heeft te vrezen voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De situatie voor Sji’iten in Bagdad is verslechterd, omdat zij steeds meer doelwit zijn van aanslagen door IS. Eiser heeft verwezen naar zijn zienswijze, waarbij informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van oktober 2016 is overgelegd. Voorts heeft eiser in dit verband in beroep gewezen op paragraaf 11 van de UNHCR position paper van 14 november 2016. Ook stelt eiser, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken over Irak van november 2016, paragraaf 3.3.3 en de UNHCR position paper over terugkeer naar Irak van 14 november 2016, paragrafen 21 en 38, dat hij vanwege de willekeur bij controleposten geen toegang zal hebben tot de stad Bagdad.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank overweegt in navolging van verweerder dat de ongeloofwaardigheid van eisers asielmotieven al in rechte is vastgesteld. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat de ter onderbouwing van de huidige aanvraag overgelegde documenten eisers relaas niet alsnog aannemelijk kunnen maken, reeds omdat niet valt in te zien dat eiser die documenten niet eerder, in de tweede asielprocedure, had kunnen overleggen. Eiser is naar eigen zeggen al in juni 2011 op de hoogte geraakt van de problemen van zijn broer en heeft er vervolgens voor gekozen om geen asiel te vragen in Nederland, maar om in plaats daarvan naar België te vertrekken. Zoals hij tijdens zijn gehoor op 12 januari 2012 heeft verklaard, heeft hij er in verband daarmee bewust van afgezien om de originele documenten naar Nederland te laten sturen. Overigens heeft verweerder het niet ten onrechte vreemd geacht dat eiser ook van overheidswege gezocht zou worden vanwege een feit dat zou zijn gepleegd op een moment dat eiser niet in Irak verbleef.

De daarnaast door eiser overgelegde documenten met betrekking tot zijn broer(s) kunnen, mede gelet op het voorgaande, niet dienen om eisers relaas alsnog aannemelijk te maken.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3084), terecht tot de conclusie gekomen dat in de stad Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijk slechte veiligheidssituatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn enkele aanwezigheid daar als Sji’it een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit eisers verwijzing naar het algemene ambtsbericht van 2016, noch uit de overgelegde informatie van VWN blijkt van een wezenlijk slechtere situatie dan die welke in de uitspraak van de Afdeling is beoordeeld. Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het gerapporteerde geweld, al dan niet in toenemende mate, ook was gericht tegen het Sji-itische deel van de bevolking.

6. Voor zover eiser stelt geen toegang tot en verblijf in Bagdad te zullen krijgen, geldt dat eiser zelf afkomstig is uit Bagdad en volgens het algemeen ambtsbericht over Irak van 14 november 2016 via het vliegveld van Bagdad toegang heeft tot de stad. De in paragraaf 3.3.3. van het ambtsbericht en paragrafen 21 en 38 van het UNHCR-rapport gerapporteerde willekeur bij controleposten maakt nog niet aannemelijk dat eiser hoe dan ook geen toegang zal hebben.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: