Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2515

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6505
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beëindiging en terugvordering bijstand. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/6505

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.H. Amstelveen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Boere).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op bijstand en bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 april 2016 beëindigd en ingetrokken over de periode van 1 augustus 2015 tot 1 april 2016, alsmede in totaal een bedrag van € 8.197,21 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 4 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn in een later stadium ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt sinds 2 april 2014 een bijstandsuitkering voor levensonderhoud. Er heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de bijstandsverstrekking. In dat kader heeft een sociaal rechercheur op 8 maart 2016 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het adres [adres] te [woonplaats] , waarbij eiser thuis is aangetroffen. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het rapport “beëindiging levensonderhoud Participatiewet” van 1 april 2016 (het rapport).

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers recht op (bijzondere) bijstand met ingang van 1 april 2016 beëindigd en ingetrokken over de periode van 1 augustus 2015 tot 1 april 2016, omdat eiser geen hoofdverblijf zou hebben op het adres [adres] te [woonplaats] . Voorts heeft verweerder bij dat besluit een bedrag van in totaal € 8.197,21 van eiser teruggevorderd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, conform het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 22 juni 2016, gehandhaafd. In het bestreden besluit is overwogen dat uit eisers verklaring dat hij gemiddeld 2 tot 3 nachten in zijn eigen woning verblijft, gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), volgt dat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Daarnaast is hierin overwogen dat eiser aan de aanvankelijk tegenover de sociale rechercheurs afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring kan worden gehouden, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich in zijn geval zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit in de jurisprudentie van de CRvB ontwikkelde algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser heeft bevestigd dat het verslag van het huisbezoek aan hem is voorgelezen en hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om wijzigingen aan te brengen en/of een voorbehoud te maken. Voorts is in het bestreden besluit overwogen dat op grond van redelijke vermoedens van het verstrekken van onjuiste inlichtingen besloten is tot het afleggen van een huisbezoek en dat eiser terecht gevraagd is nadere uitleg te geven omtrent zijn woonsituatie. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat wel degelijk sprake is van redelijke vermoedens van onjuiste inlichtingen die het afleggen van een huisbezoek rechtvaardigen. Zo geeft eiser onder meer geen gehoor aan uitnodigingen van verweerder voor gesprekken, verklaren buurtbewoners dat eiser niet woont op het uitkeringsadres, doet eiser vrijwilligerswerk in Leiden en volgt hij via die gemeente een opleiding. Daarbij is eiser terecht gevraagd nadere uitleg te geven over zijn woonsituatie. Alleen gegevens over het water- en elektriciteitsverbruik opvragen, zoals door eiser is bepleit, zou niet toereikend zijn geweest, aldus verweerder.

3. Eiser voert - samengevat - aan dat hij wel zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres in [woonplaats] . Hij stelt dat hij niet kan worden gehouden aan zijn tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring dat hij maximaal 3 nachten per week in zijn woning slaapt, omdat het verslag is voorgelezen en hij daarna direct het verslag heeft moeten ondertekenen zonder dat zelf te kunnen lezen. Daarnaast meent eiser dat er geen redelijke grond was voor een huisbezoek. Hij woont al sinds 2012 op het uitkeringsadres, zodat alvorens een huisbezoek af te leggen het water- en energieverbruik nagegaan kunnen had worden. In het rapport van verweerder staan volgens eiser een aantal onjuistheden en het rapport is niet nauwkeurig. Zo blijkt niet uit het dossier dat buurtbewoners hebben aangegeven dat eiser niet op zijn adres zou wonen, want verklaringen van betreffende buurtbewoners ontbreken. Ook heeft eiser nimmer op kosten van de gemeente Leiden een cursus gevolgd. Daarnaast betwist eiser dat hij geen gehoor geeft aan uitnodigingen van de gemeente. De omstandigheid dat eiser weleens de auto van zijn vriendin mag lenen betekent ook niet dat hij in Leiden woont. Het feit dat eiser op 4 februari 2016 niet thuis was, kan hem niet worden tegengeworpen. Verweerder is ermee bekend dat eiser een druk bestaan heeft in verband met zijn opleiding theologie en de daarbij behorende stage. Voorts is volgens eiser onduidelijk waarom de bijstandsuitkering per 1 augustus 2015 wordt teruggevorderd, nu hij ontkent dat hij vanaf 1 augustus 2015 maximaal 3 nachten per week in zijn woning slaapt. Eiser betwist dan ook dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden, zodat ten onrechte is teruggevorderd. Verder stelt eiser dat verweerder geen rekening heeft gehouden met eisers belangen, zoals zijn financiële draagkracht en het feit dat eiser in de schuldhulpverlening zat.

4.1

Artikel 17, eerste lid, van de Pw bepaalt - voor zover hier van belang - dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Pw bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Pw, dient volgens vaste rechtspraak van de CRvB te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4381).

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw - voor zover van belang - herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt het een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw - voor zover van belang- vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

4.2

Het is vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:322), dat een besluit tot herziening of intrekking van het recht op bijstand een belastend besluit is. Dit brengt met zich dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan. Het is daarom aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet was vast te stellen.

4.3

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient volgens vaste jurisprudentie van de CRvB te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4

Voorts mag volgens vaste jurisprudentie van de CRvB, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA0577).

5.1

De onderzoeksgegevens in het rapport bieden naar het oordeel van de rechtbank. een toereikende grondslag voor de conclusie dat eiser gedurende het hier aan de orde zijnde tijdvak niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. In dit verband komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring van eiser van 8 maart 2016 als weergegeven in het formulier gespreksregistratie, waaruit volgt dat eiser nadrukkelijk heeft verklaard dat hij maximaal 3 nachten per week in zijn woning slaapt en daar liever niet is, omdat hij veel geluidoverlast van de buren ondervindt. Daarnaast heeft eiser in dit gesprek aangegeven dat hij sinds augustus 2015 twee nachten per week bij zijn vriendin in Leiden verblijft en de overige nachten bij kennissen in Zoetermeer.

5.2

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij niet gehouden kan worden aan zijn afgelegde verklaring. De rechtbank stelt in dit kader vast dat een situatie als bedoeld in de voornoemde uitspraak van de CRvB van 21 mei 2013 zich hier voordoet. Op 8 maart 2016 heeft eiser tijdens het huisbezoek door de sociaal rechercheurs een verklaring afgelegd, die hij na voorlezing heeft ondertekend. Niet gebleken is dat die verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd, onjuist is of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven. Mogelijk heeft eiser tijdens dit gesprek druk gevoeld, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, maar er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een grotere druk is uitgeoefend dan tijdens een dergelijk gesprek als gebruikelijk en aanvaardbaar is te beschouwen. Voorts is van belang dat eiser in de gelegenheid is gesteld om desgewenst wijzigingen aan te brengen in het verslag. Eiser heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Aan de omstandigheid dat eiser in bezwaar en beroep heeft aangegeven dat het verslag onjuist is kan dan ook niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien.

5.3

Ook komt betekenis toe aan de bevindingen van het huisbezoek als neergelegd in het rapport. Uit het rapport volgt dat er geen bed in de woning aanwezig was en slechts een marginale hoeveelheid levensmiddelen in de voorraadkast, koelkast en vriezer.

5.4

Over eisers stelling dat er geen redelijke grond was om tot een huisbezoek over te gaan overweegt de rechtbank dat er voldoende feiten en omstandigheden waren die verweerder aanleiding gaven een nader onderzoek in te stellen in de vorm van een huisbezoek. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. In dit verband acht de rechtbank van belang dat uit het dossier blijkt dat eiser veelvuldig afwezig is geweest bij een werkstage bij [naam stichting] , eiser een vriendin in Leiden heeft wiens auto hij regelmatig gebruikt en eiser vrijwilligerswerk in Leiden verricht. Verweerder mocht in deze omstandigheden, in onderling verband bezien, twijfelen aan de juistheid van de door eiser verstrekte informatie over de woon- en leefsituatie op het adres. Het huisbezoek is in het kader van dat onderzoek niet als disproportioneel aan te merken. Voor het vaststellen van iemands woonsituatie is het afleggen van een huisbezoek over het algemeen een passend middel. Verweerder kon de informatie over de woonsituatie van eiser naar het oordeel van de rechtbank niet op een andere effectieve en voor eiser minder ingrijpende wijze dan door een onaangekondigd huisbezoek verifiëren. Hierbij betrekt de rechtbank dat de uitkomsten van het door eiser voorgestane onderzoek naar het water- en energieverbruik, alvorens over te gaan tot een onaangekondigd huisbezoek, over het algemeen onvoldoende duidelijkheid geven over iemands hoofdverblijf. Nu een redelijke grond aanwezig was om een huisbezoek af te leggen, mocht verweerder de bevindingen hiervan aan de besluitvorming ten grondslag leggen.

5.5

Reeds gelet op de verklaring van eiser en de bevindingen van het huisbezoek bestaat naar het oordeel van de rechtbank voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie van verweerder dat eiser in de periode in geding niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres. Nu eiser daarvan geen melding heeft gemaakt bij verweerder heeft hij de op hem rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

5.6

Het is dan volgens vaste rechtspraak van de CRvB aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Hetgeen eiser tegenover de bevindingen van verweerder heeft gesteld is onvoldoende voor de conclusie dat eiser gedurende het hier aan de orde zijnde tijdvak wel zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Voorts heeft eiser niet gesteld en is de rechtbank niet gebleken dat hij recht op aanvullende bijstand had.

6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onder toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw het recht op bijstand van eiser terecht over de periode 1 augustus 2015 tot 1 februari 2016 ingetrokken.

7. Gelet op de vastgestelde schending van de inlichtingenplicht was verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de Pw, gehouden om de ten onrechte gemaakte kosten voor bijstand van eiser terug te vorderen. Verweerder heeft de hoogte van het terugvorderingsbedrag gespecificeerd bij het verweerschrift, terwijl eiser niet heeft onderbouwd waarom de hoogte van het terugvorderingsbedrag onjuist zou zijn. Nu voorts een bedrag aan bijstand over de periode van vóór 1 januari 2016 wordt teruggevorderd, heeft verweerder het terugvorderingsbedrag kunnen bruteren, omdat de door de gemeente aan de Belastingdienst betaalde loonbelasting en premies over dit kalenderjaar reeds aan de Belastingdienst zijn voldaan. Verweerder heeft de hoogte van het teruggevorderde bedrag naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht vastgesteld op € 8.197,21 en op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw terecht dat bedrag van eiser teruggevorderd.

8. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder van terugvordering had moeten afzien wegens dringende redenen. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is eerst ruimte voor het afzien van terugvordering indien de terugvordering onaanvaardbare sociale dan wel financiële consequenties met zich brengt. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Dat de schulden van eiser zijn opgelopen, zijn huurovereenkomst is ontbonden en hij door de terugvordering geen schuldhulpverlening meer kan krijgen zijn, nog daargelaten of deze omstandigheden het gevolg zijn van de terugvordering, naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als dergelijke consequenties. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder bij de invordering van het terugvorderingsbedrag rekening dient te houden met de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.M. Lubbe, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.