Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2426

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
AWB 16/29022
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eerste asielaanvraag, biseksuele/lesbische gerichtheid en afvalligheid niet geloofwaardig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/29022

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 maart 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde mr. J.C. van Zundert,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde N. Hamzaoui.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 november 2016 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam 2] , getuige, en D. Madjlessi, tolk in de taal Farsi. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraanse nationaliteit. Op 29 april 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan deze aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat ze vanwege haar seksuele geaardheid gevaar loopt in Iran. Zij is vanwege een lesbische relatie met een getrouwde vrouw aangeklaagd voor overspel en bekering. Dat is de reden dat zij Iran is ontvlucht. Voorts heeft zij de Islam afgezworen en moet daarom als afvallige gezien worden.

2. Bij besluit van 5 november 2014 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 12 mei 2015 (AWB 14/26964) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep van eiseres gegrond verklaard en voornoemd besluit van verweerder vernietigd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres opnieuw afgewezen. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Daarbij merkt verweerder wel op dat eiseres aangaande haar identiteit in eerste instantie opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt. De verklaringen over haar gestelde seksuele gerichtheid en afvalligheid en de problemen die zij daardoor in Iran zou hebben ondervonden, acht verweerder niet geloofwaardig.

4. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat de gestelde seksuele gerichtheid niet geloofwaardig is, onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft summier, bevreemdend en tegenstrijdig verklaard over haar bewustwordingsproces. Zo heeft zij tijdens het nader gehoor verklaard geen problemen met haar seksuele gerichtheid te hebben gehad toen zij die ontdekte en dat zij er niet over heeft nagedacht. Pas tijdens het aanvullend gehoor op 13 juli 2016, meer dan twee jaar na het nader gehoor, stelt eiseres dat zij hierover in conflict was met zichzelf. Verder heeft eiseres wisselende verklaringen afgelegd over de vraag of zij biseksueel of lesbisch is. Tijdens het nader gehoor heeft zij meerdere keren verklaard dat zij gevoelens heeft gehad voor mannen, maar tijdens het aanvullend gehoor heeft zij gesteld volledig en overtuigd lesbisch te zijn. Verweerder volgt eiseres niet in haar verklaring dat zij voor haar komst naar Nederland het verschil tussen biseksueel en lesbisch niet goed wist, nu zij tijdens het nader gehoor duidelijk heeft verklaard dat zij gevoelens voor zowel mannen als vrouwen kon krijgen. Daaruit blijkt dat zij bekend was met de begrippen biseksueel en lesbisch. Ook over wanneer haar lesbische gevoelens zijn begonnen heeft eiseres wisselend verklaard. Verder heeft eiseres tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot de tijdlijn van de periode waarin zij relaties met [naam 3] en [naam 4] zou hebben gehad. Voorts acht verweerder het opmerkelijk dat eiseres stelt dat er op haar school van de 60 leerlingen 5 of 6 meisjes biseksuele dan wel lesbische gevoelens hadden en daarover openlijk met elkaar spraken, gelet op het taboe dat in Iran op dit onderwerp rust en het feit dat de school in de zeer religieuze plaats Qom is gelegen. Tot slot heeft eiseres volgens verweerder bevreemdende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het strafproces dat tegen haar zou zijn aangespannen.

6. Anders dan eiseres in beroep heeft betoogd, mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank de verklaringen uit het nader gehoor van 18 juni 2014 bij zijn beoordeling betrekken. Het besluit van 5 november 2015 is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, vernietigd naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2015 (ECLI:NLRVS:2015:2170). De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verweerder niet inzichtelijk had gemaakt op welke vragen en antwoorden het zwaartepunt lag en hoe hij de door eiseres gegeven antwoorden heeft gewaardeerd en onderling gewogen. In die uitspraak heeft de rechtbank niet geoordeeld dat het nader gehoor onzorgvuldig was, zodat er ook nu geen reden bestaat waarom verweerder de verklaringen die eiseres tijdens dat gehoor heeft afgelegd niet bij zijn besluit zou mogen betrekken.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met de onder 5 weergegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres niet geloofwaardig is. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat na de vernietiging van het besluit van 5 november 2015, er overeenkomstig Werkinstructie 2015/9 (WI 2015/9) opnieuw is gehoord en beslist. In WI 2015/9 is vermeld dat in zaken waarin seksuele gerichtheid als asielmotief geldt, vooral waarde wordt gehecht aan verklaringen omtrent de eigen ervaringen zoals bewustwording en zelfacceptatie van de vreemdeling met betrekking tot zijn of haar seksuele gerichtheid. Dit geldt volgens verweerder temeer als de vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit niet geaccepteerd of strafbaar is. In dit geval heeft eiseres te weinig en tegenstrijdig verklaard over onder meer haar bewustwordingsproces. In eerste instantie, tijdens het nader gehoor, kan zij haar bewustwordingsproces niet duiden of omschrijven. Vervolgens heeft zij tijdens het aanvullend nader gehoor echter verklaard in conflict met zichzelf te zijn geweest, dat zij dacht een zonde te begaan en dat zij in de war was. Verweerder heeft dit terecht aan eiseres tegengeworpen. Nu eiseres bovendien ook op andere punten diverse (onder 5 genoemde) tegenstrijdige en vreemde verklaringen heeft afgelegd, heeft verweerder kunnen concluderen dat de gestelde biseksuele dan wel lesbische gerichtheid alsmede de gestelde problemen die eiseres naar aanleiding daarvan zou hebben ondervonden, ongeloofwaardig zijn.

8. De stelling van eiseres dat de chronologische volgorde van de gebeurtenissen belangrijker is dan de specifieke data, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu daarmee de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden in de tijdlijn niet kunnen worden weggenomen. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder meer had moeten doorvragen over de relatie met [naam 4] , stelt de rechtbank vast dat zij deze stelling reeds bij zienswijze naar voren heeft gebracht en dat verweerder daar in het bestreden besluit gemotiveerd op heeft gereageerd. Nu deze stelling in beroep niet nader is toegelicht, kan deze reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden.

9. Ook de verklaringen die de getuige ter zitting heeft afgelegd, kunnen niet tot een ander oordeel met betrekking tot de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid leiden. Dat de getuige op grond van haar lesbische gerichtheid door verweerder in het bezit is gesteld van een asielvergunning en heeft verklaard een relatie te hebben met eiseres, kan niet van doorslaggevend belang zijn in de zaak van eiseres, nu daarmee de geconstateerde tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in haar relaas niet kunnen worden weggenomen.

10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde afvalligheid van eiseres niet geloofwaardig is. Daartoe heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres summiere en algemene redenen heeft aangevoerd voor haar gestelde afvalligheid en dat er niet is gebleken van enige interne overtuiging die heeft geleid tot afzwering van de Islam. Nu eiseres heeft verklaard dat zij uit een streng islamitische familie komt, mocht verweerder van haar verwachten dat zij hierover meer kon verklaren. Eiseres heeft in beroep betoogd dat verweerder de afvalligheid ten onrechte heeft toegespitst op haar persoonlijke opvattingen, nu in Iran de veroordeling van een afvallige de doodstraf met zich brengt. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een afvallige is, zodat het niet van belang is welke straf er in Iran op afvalligheid staat en dit betoog faalt.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: