Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2367

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
AWB 16/17367 en AWB 16/17368
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1328, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser beoogt verblijf als zelfstandige bij restaurant [naam bedrijf]. Verweerder heeft op 6 oktober 2015 is advies gevraagd aan de RvO. Op 21 juni 2016 is ambtshalve ter actualisering bij de KvK via een online-inzage een controle uitgevoerd naar de inschrijving van eisers onderneming. Hieruit bleek dat op 11 februari 2016 een nieuwe vennoot is toegetreden. Verweerder heeft vervolgens het bezwaar, zonder advies van de RvO, ongegrond verklaard. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder bevoegd is om onderzoek te doen en het register van de KvK te raadplegen. Niet in geschil is dat eiser zijn informatieplicht heeft geschonden door de wijzigingen in de v.o.f. niet aan verweerder te melden. In geschil is de vraag of verweerder onder deze omstandigheden bevoegd was de zaak bij de RvO weg te halen en direct op het bezwaar te beslissen of dat hij het advies van de RvO had moeten afwachten. Uit de door eiser overgelegde adviezen blijkt de RvO in die gevallen waarin sprake is van een uittredende vennoot, positief te adviseren. De rechtbank is van oordeel dat elke wijziging in de samenstelling van de onderneming, ongeacht of dit een uittredende of een toetredende vennoot betreft, gevolgen heeft of kan hebben voor onder meer de bedrijfsvoering van de onderneming en de winstdeling. Uit de door eiser overgelegde adviezen leidt de rechtbank echter af dat dergelijke wijzigingen in de onderneming niet op voorhand leiden tot een negatief advies van de RvO. Verweerder is derhalve in de beoordeling getreden van een onderdeel waar zijn eigen vaste deskundige kennelijk anders over adviseert. De rechtbank is dan ook met eiser van oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet het advies van de RvO af te wachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/17367 (beroep)

AWB 16/17368 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 24 januari 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1964, Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. B. Aydin),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 30 juli 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 juni 2016 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 3 augustus 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Tevens is aanwezig M.A.A. Priem, tolk Turks. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser beoogt verblijf als zelfstandige bij restaurant [bedrijf] .. Hij heeft daartoe op 30 juli 2013 een aanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 15 juli 2014 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend. Op 19 januari 2015 heeft verweerder advies gevraagd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO). Op 1 mei 2015 heeft verweerder het adviesverzoek ingetrokken, omdat eiser op 13 april 2015 was uitgetreden. Op 6 oktober 2015 is wederom advies gevraagd aan de RvO. Op 11 februari 2016 is een nieuwe vennoot toegetreden. Bij besluit van 21 juni 2016 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing uit het primaire besluit gehandhaafd en daar het volgende aan ten grondslag gelegd. Op 21 juni 2016 is ambtshalve ter actualisering bij de Kamer van Koophandel (KvK) via een online-inzage een controle uitgevoerd naar de inschrijving van eisers onderneming. Hieruit bleek dat op

11 februari 2016 een nieuwe vennoot ( [de persoon] ) is toegetreden. Dit is een wezenlijke verandering van de onderneming en de overgelegde stukken hebben geen betrekking meer op die nieuwe situatie en kunnen niet meer dienen als basis voor de advisering door de RvO over het wezenlijk Nederlands economisch belang. De RvO kan geen advies meer uitbrengen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor verblijf als zelfstandig ondernemer.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte het advies van de RvO niet heeft afgewacht. Volgens eiser is dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij verwijst daarvoor naar twee zaken waarin de RvO positief heeft geadviseerd, ondanks dat twee vennoten zijn uitgetreden. Ook heeft eiser correspondentie overgelegd uit verschillende zaken waarin eisers in de gelegenheid worden gesteld om het dossier te actualiseren. Dat is in deze zaak ten onrechte niet gebeurd. Verder heeft eiser aangevoerd dat sprake is van schending van de hoorplicht. Voor deze grond verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 oktober 2016 (AWB 15/12863).

4. Op grond van artikel 4:2 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor een beslissing nodig zijn. Op grond van artikel 3:30, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend, uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf.

5. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder bevoegd is om onderzoek te doen en het register van de KvK te raadplegen. Niet in geschil is dat eiser zijn informatieplicht heeft geschonden door de wijzigingen in de v.o.f. niet aan verweerder te melden. In geschil is de vraag of verweerder onder deze omstandigheden bevoegd was de zaak bij de RvO weg te halen en direct op het bezwaar te beslissen of dat hij het advies van de RvO had moeten afwachten. Uit de door eiser overgelegde adviezen blijkt de RvO in die gevallen waarin sprake is van een uittredende vennoot, positief te adviseren. De rechtbank is van oordeel dat elke wijziging in de samenstelling van de onderneming, ongeacht of dit een uittredende of een toetredende vennoot betreft, gevolgen heeft of kan hebben voor onder meer de bedrijfsvoering van de onderneming en de winstdeling. Uit de door eiser overgelegde adviezen leidt de rechtbank echter af dat dergelijke wijzigingen in de onderneming niet op voorhand leiden tot een negatief advies van de RvO. Verweerder is derhalve in de beoordeling getreden van een onderdeel waar zijn eigen vaste deskundige kennelijk anders over adviseert. De rechtbank is dan ook met eiser van oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet het advies van de RvO af te wachten. De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank ziet geen reden om in het kader van de finale geschilbeslechting de overige beroepsgronden te bespreken, nu verweerder eerst de RvO om advies dient te vragen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

7. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1485,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 16/17367,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 16/17368,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter, in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- (zegge: honderdachtenzestig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1485,-- (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.