Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:236

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 19179
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/19179

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) opgelegd, zoals bedoeld in artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), inhoudende dat hij de Europese Unie binnen 28 dagen dient te verlaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2017.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] , kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1982 en de Turkse nationaliteit te bezitten.

2. Verweerder heeft bij bestreden besluit bepaald dat eiser de Europese Unie binnen 28 dagen dient te verlaten, overwegende dat is gebleken dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige bij Bakkerij [naam bakkerij] ’ heeft afgewezen. De afwijzing van deze aanvraag heeft echter geen grondslag in het bestreden besluit, maar in het besluit van 24 februari 2016. Bij uitspraak van deze rechtbank van 30 juni 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:7300) is dit besluit in rechte komen vast te staan.

3.2

Verweerder heeft in het verweerschrift aangevoerd dat eiser reeds bij besluit van 28 november 2014 een terugkeerbesluit is opgelegd, op grond waarvan hij de Europese Unie binnen 28 dagen moest verlaten. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 maart 2016 (201600599/1/V1) is dit besluit in rechte komen vast te staan. Verweerder heeft betoogd dat nu eiser sinds dit terugkeerbesluit het grondgebied van de Europese Unie niet heeft verlaten, het thans bestreden terugkeerbesluit niet is gericht op een ander rechtsgevolg dan reeds was ingetreden door het besluit van 28 november 2014. Er is volgens verweerder derhalve geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb zodat gelet op artikel 8:1 van de Awb geen beroep tegen open staat.

3.3

Anders dan het geval was in de door verweerder aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:3667), heeft verweerder aan eiser in het bestreden besluit opnieuw een vertrektermijn van 28 dagen gegund, waardoor dit besluit reeds hierom op rechtsgevolg is gericht (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1237). Er is derhalve sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb beroep openstaat.

3.4

Eiser heeft voorts aangevoerd dat hem in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel een terugkeerbesluit is opgelegd, nu niet is gebleken dat eiser zijn uitzetting zal belemmeren of zich aan uitzetting zal onttrekken. Ook heeft verweerder niet onderzocht of eiser kan terugkeren naar zijn land van herkomst en zich daar opnieuw kan vestigen.

3.5

Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen verblijfsrecht had. De rechtbank is van oordeel dat verweerder derhalve terecht een terugkeerbesluit heeft genomen. De vraag of eiser al dan niet naar Turkije kan terugkeren wat daar ook van zij- is in dit kader niet relevant. Verder is de rechtbank van oordeel dat de vraag of sprake is van een risico op onttrekken aan toezicht pas aan de orde is bij een terugkeerbesluit op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000, waarbij de vertrektermijn wordt bekort tot 0 dagen. Nu aan eiser een vertrektermijn is opgelegd van 28 dagen, waaruit moet worden afgeleid dat het terugkeerbesluit is opgelegd op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000, is de vraag of eiser zich aan het toezicht zal onttrekken niet aan de orde. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

-

3.6

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan eiser terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd.

3.7

Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Th. van Maurik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.