Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2323

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
09/827361-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 32-jarige man die op 11 juni 2016 in het ziekenhuis Leyenburg in Den Haag opzettelijk brand heeft gesticht, een beveiliger heeft mishandeld en een kamer heeft vernield, krijgt van de rechtbank Den Haag een celstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827361-16

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] [geboorteplaats] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 19 september 2016 en 9 december 2016 (telkens pro forma) en 28 februari 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.A. Pronk en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. S. Bhulai, advocaat te Wassenaar, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 juni 2016 te ’s-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met papier, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan papieren en/of de grond en/of een prullebak geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een triagekamer in het

leyenburg ziekenhuis en/of de spullen in die triagekamer zoals een tafel en/of stoel en/of computer en/of kar met buisjes en naalden en/of een zuurstofmeter en/of weegschaal en/of speelgoed en/of papieren en/of overige spullen en/of naastgelegen kamers met spullen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juni 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een triagekamer van het Leyenburg Ziekenhuis, met dat opzet vuur, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met papier, althans met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, immers heeft hij verdachte een aansteker aangedaan en bij papier gehouden, althans tegen papier aangehouden waardoor het papier is gaan branden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 11 juni 2016 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door een deur tegen het gezicht van die [slachtoffer] te duwen/stoten, althans een deur dicht te doen, terwijl het hoofd van die [slachtoffer] tussen de deur zat, waardoor het hoofd van die [slachtoffer] tegen die deur en/of de deurpost aan kwam;

3.

hij op of omstreeks 11 juni 2016 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk de deur en/of spullen (onder meer een bureau en/of computer) van een triagekamer in het Leyenburg ziekenhuis, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het HAGA ziekenhuis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met een staaf, althans een voorwerp tegen voornoemde deur te slaan en/of met voornoemde spullen uit die kamer te gooien en/of voornoemde spullen uit die kamer op de grond te gooien.

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten en omstandigheden op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

Op 11 juni 2016 is verdachte door een ambulance afgeleverd bij het Leyenburg Ziekenhuis te Den Haag, nadat hij in totaal verwarde toestand op straat was aangetroffen2. Het medisch personeel heeft hem, toen hij rustig werd, daar onderzocht. Toen verdachte op een brancard van de ene afdeling naar de andere werd vervoerd, sprong hij opeens van de brancard af en rende een triagekamer voor kinderen in. Voordat hij zichzelf daarin opsloot, heeft een beveiliger van het ziekenhuis, die verdachte wilde tegenhouden, de deur van die kamer tegen zijn hoofd gekregen.3 In die kamer zijn -nadat verdachte daar door een speciaal opgeroepen arrestatieteam van de politie Den Haag was aangehouden- ernstige vernielingen aangetroffen en bleek dat daar brand was gesticht.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de brandstichting, omdat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die de brand heeft gesticht en evenmin dat die brand is ontstaan op de manier als beschreven in de tenlastelegging. Ten aanzien van de mishandeling heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het opzet van verdachte niet was gericht op het toebrengen van pijn of letsel, maar verdachte de deur dichtsloeg ter bescherming en uit zelfverdediging.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Bewijsmiddelen

Feit 2

Aangever [slachtoffer] , werkzaam als beveiliger, heeft blijkens zijn aangifte geprobeerd de deur van de kindertriage kamer open te houden om zo met verdachte in gesprek te gaan, maar hij zag plots een vuist van achter de deur verschijnen die met kracht en snelheid in de richting van zijn gezicht kwam. Aangever wist een klap te ontwijken maar toen hij probeerde om weer de triagekamer in te kijken, duwde verdachte de deur dicht tegen het hoofd van [slachtoffer] , die daarop met zijn gezicht tegen de deurpost kwam. [slachtoffer] voelde hierdoor pijn in zijn neus en een kloppende pijn aan zijn bovenlip.4 De rechtbank stelt vast dat op foto’s die als bijlage bij de aangifte zijn gevoegd, is te zien dat de lip van [slachtoffer] wat is verdikt.5

Feiten 1 en 3

[verbalisanten] hoorden vanuit de triagekamer meerdere klappen komen. Nadat de deur was ingetrapt, zagen de verbalisanten vanachter de deur een arm met metalen staaf in hun richting slaan. Zij zagen en voelden de staaf tegen de zijkant van de deur klappen. Zij voelden dat de deur werd gebarricadeerd en dat zij de deur niet verder konden openen. De deur is op enig moment weer dichtgegaan en de verbalisanten hoorden verdachte nog steeds tegen de deur slaan. Ook werd gehoord dat er spullen tegen de grond en de deur aankwamen. Vervolgens werden er vlammen gezien onder de deur en werd er een brandlucht geroken.6

Nadat verdachte uiteindelijk was overmeesterd, bleek dat een grote hoeveelheid goederen in de triagekamer was vernield. Het betrof een tafel, een bureaustoel, twee gewone stoelen, een computer, een kar met bloedbuisjes en naalden, een zuurstofmeter, een elektrische weegschaal, speelgoed en nog enkele andere goederen, zoals papier. Daarnaast rook men een brandlucht en lagen er verbrande stukken papier op de grond.7

De rechtbank stelt op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte brand heeft gesticht in die kindertriage kamer en vele goederen in die kamer heeft vernield door deze op de grond of tegen de muur te gooien, dan wel met een ijzeren staaf tegen deze goederen aan te slaan en dat verdachte de deur van deze kamer in het gezicht van [slachtoffer] heeft geduwd. Het verweer van de raadsvrouw dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de brand heeft gesticht, wordt verworpen. Verdachte was immers de enige die daarbinnen was op het moment dat de brand uitbrak. Bovendien is bij verdachte in zijn broekzak een aansteker aangetroffen.8

Opzet

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte het strafrechtelijk vereiste opzet had op de brandstichting, mishandeling en vernieling. De gedragskundigen hebben immers in hun rapportage geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van deze feiten sprake was van een ernstige psychotische stoornis, volgens de psychiater nog versterkt door een delirium.9

Volgens vaste jurisprudentie (onder meer HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775) staat een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken, en zal daarvan slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

Van zo’n uitzondering is in dit geval toch geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat uit de reeks handelingen die verdachte heeft verricht blijkt dat hij dit opzet heeft gehad en overweegt hiertoe het volgende.

Uit de aangifte van beveiliger [slachtoffer] blijkt dat verdachte onverwachts hard wegrende voor het ziekenhuispersoneel en zich vervolgens probeerde op te sluiten in een triagekamer. Toen [slachtoffer] de deur open probeerde te houden om met verdachte in gesprek te gaan, heeft verdachte eerst geprobeerd [slachtoffer] te slaan en heeft hij vervolgens de deur in het gezicht van [slachtoffer] geduwd, kennelijk met de bedoeling om [slachtoffer] buiten die kamer te houden.

Daarna heeft verdachte goederen in die kamer kapotgeslagen en kapotgegooid, heeft hij zijn aansteker gebruikt om papier in die kamer in brand te steken en heeft hij pogingen van mensen buiten die kamer om binnen te komen doelbewust gefrustreerd.

De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte een reeks actieve gedragingen met een zekere mate van planmatigheid heeft laten zien die kennelijk tot doel hadden anderen te beletten hem tegen te houden. Daarbij heeft hij het gebruik van diverse vormen van geweld niet geschuwd. Dat hem op dat moment ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken, acht de rechtbank daarom niet aannemelijk geworden. Dat hierbij zijn drijfveren niet duidelijk zijn geworden, een aspect dat bij de toerekeningsvatbaarheid nog aan de orde komt, doet niet af aan deze constatering.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

De raadsvrouw heeft nog aangevoerd dat er bij de mishandeling van [slachtoffer] sprake was van noodweer, omdat verdachte zou hebben gedacht dat zijn organen werden gestolen. Als dit verweer moet worden opgevat als een beroep op putatief noodweer, dan wordt dit verweer bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing verworpen. Dat verdachte deze angst op dat moment zou hebben gehad, heeft hijzelf noch bij de politie noch ter terechtzitting verklaard en strookt ook niet met zijn ter zitting afgelegde verklaring dat hij zich van dit alles helemaal niets meer kan herinneren.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1. primair

hij op 11 juni 2016 te ’s-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met papier, ten gevolge waarvan papieren en de grond en een prullenbak geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor een triagekamer in het Leyenburg ziekenhuis en de spullen in die triagekamer, zoals een tafel en een stoel en een computer en een kar met buisjes en naalden en een zuurstofmeter

en een weegschaal en speelgoed en papieren en overige spullen, te duchten was;

2.

hij op 11 juni 2016 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door een deur tegen het gezicht van die [slachtoffer] te duwen, terwijl het hoofd van die [slachtoffer] tussen de deur zat, waardoor het hoofd van die [slachtoffer] tegen die deur en de deurpost aan kwam;

3.

hij op 11 juni 2016 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk de deur en spullen (onder meer een bureau en een computer) van een triagekamer in het Leyenburg ziekenhuis,

toebehorende aan het HAGA ziekenhuis, heeft vernield door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met een staaf tegen voornoemde deur te slaan en met voornoemde spullen uit die kamer te gooien en voornoemde spullen uit die kamer op de grond te gooien.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de incidenten en ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft weliswaar zelf een hoeveelheid alcohol en drugs gebruikt, maar de gevolgen daarvan, zeker in deze mate, had hij nooit kunnen of hoeven voorzien.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de rapporten van de deskundigen, verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en niet als volledig ontoerekeningsvatbaar. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op een recent arrest van het Gerechtshof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2017:132).

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beantwoording van de vraag of de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, terwijl vaststaat dat hij op dat moment in elk geval in een psychose verkeerde, dient beoordeeld te worden hoe de psychose is ontstaan en of verdachte door zijn gedragingen daaraan verwijtbaar heeft bijgedragen.

Verdachte heeft verklaard dat hij in Polen van een hem onbekende dealer twee gram harddrugs had gekocht, naar hij dacht cocaïne en amfetamine. Beide drugs had hij naar eigen zeggen nooit eerder gebruikt. Verdachte heeft al deze drugs in de auto tijdens de reis naar Nederland tot zich genomen. Eerst heeft verdachte wat cocaïne gesnoven en toen dit geen prettig effect had heeft hij de rest van de cocaïne en de amfetamine gemengd in een liter fles cola. Dat mengsel heeft hij opgedronken. Daarnaast heeft hij onderweg nog alcohol gedronken.

Verdachte mag misschien door zijn onervarenheid niet precies hebben geweten wat de uitwerking van deze drugs op hem zou kunnen zijn, maar het is algemeen bekend dat harddrugs en zeker een combinatie daarvan met alcoholgebruik een onvoorspelbare en gevaarlijke uitwerking kunnen hebben op een gebruiker, en dat het kan leiden tot onbeheerst gedrag.

Voor de strafrechtelijke toerekening is niet vereist dat verdachte wist dat hij door zijn risicovolle gedrag de controle over zijn handelen zou verliezen. Evenmin is vereist dat het concrete gevolg daarvan redelijkerwijs voorzienbaar was.

De rechtbank heeft bij de beoordeling betrokken de Pro Justitia rapporten van drs. A. Banaei Kashani, psychiater (d.d. 28 november 2016) en drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog (d.d. 4 december 2016). Beiden komen tot de conclusie dat bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een psychotische stoornis, geluxeerd door cocaïne en amfetamine, volgens de psychiater nog gevolgd door een delirium. Er was daardoor sprake van een ernstige mate van controleverlies, waar verdachte door het gebruik van twee soorten harddrugs in zekere mate zelf aan heeft bijgedragen. Beide deskundigen concluderen dat verdachte dient te worden beschouwd als verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank kan de conclusies van de gedragskundigen gezien de gegeven onderbouwing goed volgen en neemt deze conclusies over. De rechtbank oordeelt dan ook dat de feiten aan verdachte zijn toe te rekenen, zij het in verminderde mate.

Verdachte is strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest wordt opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Verdachte heeft zijn lesje geleerd en de kans op recidive wordt door de deskundigen als heel klein ingeschat.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft na gebruik van een onverantwoorde hoeveelheid drugs en alcohol in het Leyenburg ziekenhuis brand gesticht in een triagekamer en de goederen daarin vernield. Daarnaast heeft verdachte een beveiliger mishandeld.

Dit agressieve gedrag heeft zich afgespeeld ten overstaan van een aantal ziekenhuismedewerkers en bezoekers en heeft een grote indruk gemaakt op al deze toevallige getuigen. Uit het feit dat een bijzondere aanhoudingseenheid van de politie ter plaatse is geroepen blijkt wel hoezeer men verdachte als volkomen onberekenbaar en gevaarlijk heeft ingeschat. Door zijn gedrag is die triagekamer, ingericht voor eerste hulp aan kinderen, tijdelijk onbruikbaar geraakt. Bovendien heeft de ziekenhuisbeveiliger enige tijd met verwondingen aan het gezicht moeten leven.

Anderzijds is gebleken dat verdachte zelf ook enige schade heeft ondervonden van zijn onverantwoorde drugsgebruik; hij heeft dagenlang in een coma verkeerd en er is tijdelijk nierfalen geconstateerd. Er is zelfs even aan levensgevaar gedacht. Uit zijn verklaring ter terechtzitting is gebleken dat hijzelf bijzonder is geschrokken van hetgeen er gebeurd is. Hij heeft verklaard zich nooit meer met het gebruik van deze drugs te zullen bezighouden.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen acht de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf.

Desondanks is een gevangenisstraf de meest passend en juiste strafsoort voor deze feiten.

Verdachte is, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 6 februari 2017, in Nederland niet eerder met justitie in aanraking gekomen en door de deskundigen wordt de kans op recidive zeer klein ingeschat. De rechtbank ziet dan ook geen reden om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

7 De vordering van de benadeelde partij

Stichting Hagaziekenhuis Den Haag heeft zich namens Leyenburg ziekenhuis als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot

€ 50.747,00.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15.747,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd. Onduidelijk is in hoeverre het ziekenhuis voor dergelijke kosten is verzekerd en daarnaast blijkt uit het procesdossier dat de ruimte dezelfde dag weer in gebruik is genomen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht bij toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de vervangende hechtenis van de maatregel op nihil te stellen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De verschillende posten betreffen een voorlopige kostenraming, waardoor onduidelijk is gebleven welke kosten concreet voor rekening van het ziekenhuis zijn gekomen. Daarmee is de vordering voor een beoordeling in dit strafgeding onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht het een onevenredige belasting van het strafproces om de zaak ten behoeve van deze vordering nader aan te houden. Dat leidt tot de conclusie dat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering tot schadevergoeding. Die vordering kan desgewenst bij de burgerlijk rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 157, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

1 primair

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2.

mishandeling;

3.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Krans, voorzitter,

mr. H.N. Pabbruwe, rechter,

mr. A.P. Sno, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. van der Does, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016163100, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 100).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 99.

3 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , p. 23.

4 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] p. 23.

5 Eigen waarneming rechtbank met betrekking tot foto’s, p. 26 en 27

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 13 en 14.

7 Proces-verbaal aangifte A. Prins, p. 29, 6e en 7e alinea.

8 Proces-verbaal van aanhouding, p. 10.

9 Psychiatrisch onderzoek door drs. A. Banaei Kashani, Pro Justitia d.d. 28 november 2016