Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2320

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
AWB 17/2900
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin-Italië. Eiseres en haar minderjarig kind zijn kwetsbare personen als bedoeld in het arrest Tarakhel. Zij beroepen zich op het monitoringsverslag “Is mutual trust enough” van 9 februari 2017 van de organisaties DRC en OSAR. Dit verslag maakt inzichtelijk dat er in de periode april 2016 tot januari 2017 enkele gevallen zijn geweest waarin de Dublinoverdracht door Denemarken en Zwitserland van vreemdelingen die onder de Tarakhel-jurisprudentie vallen niet conform de daartoe geldende vereisten is geschied. De overgedragen gezinnen zijn wel in een SPRAR-locatie opgevangen, maar dit is niet meteen na de overdracht geschied. Hoewel de rechtbank verweerder niet volgt in zijn betoog dat de eerstelijns opvang waarin deze vreemdelingen hebben verbleven voordat ze toegang kregen tot een SPRAR-locatie niet zonder meer als van onvoldoende kwaliteit is te beschouwen, ontbeert het verslag informatie die nodig is om te kunnen bepalen of de beschreven gevallen representatief zijn voor Tarakhel-overdrachten aan Italië. Gelet hierop zijn er thans onvoldoende concrete aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan als hij bijzonder kwetsbare asielzoekers wil overdragen aan Italië. Verweerder is dan ook niet gehouden om aanvullende individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten te vragen. Mogelijk is dat anders als monitoringsinformatie beschikbaar komt van overdrachten door verweerder die laat zien dat sprake is van tijdsverloop tussen overdracht en plaatsing in een SPRAR-locatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2900

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1994, mede namens haar minderjarig kind [kind] (3 jaar), van Eritrese nationaliteit, eiseres,

(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 niet in behandeling genomen, omdat Italië voor de behandeling hiervan verantwoordelijk is.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De behandeling van het beroep en het verzoek heeft gelijktijdig plaatsgevonden ter zitting van 28 februari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet niet in behandeling genomen, indien is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening).

2. Op 23 november 2016 heeft verweerder de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Omdat de Italiaanse autoriteiten niet tijdig hebben gereageerd op dit verzoek, staat daarmee – aldus verweerder – sedert 24 januari 2017 de verantwoordelijkheid van Italië vast. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

4. De rechtbank overweegt allereerst dat niet in geschil is dat Italië formeel verantwoordelijk is voor het asielverzoek van eiseres. Weliswaar betoogt eiseres dat zij in Italië geen asielverzoek heeft ingediend, maar deze stelling kan niet dienen ter betwisting van de verantwoordelijkheid van Italië nu verweerder op grond van Eurodac heeft vastgesteld dat eiseres op 30 augustus 2016 het Dublingebied via Italië op illegale wijze is binnengekomen en in Italië is geregistreerd als illegaal vreemdeling. Daarom heeft verweerder niet verzocht om terugname maar om overname op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.

5. Eiseres stelt verder dat zij “voor zover haar bekend is” geen vingerafdrukken heeft afgestaan in Italië, maar die stelling strookt niet met het Eurodac-resultaat, waarvan verweerder in beginsel mag uitgaan. Verweerder mag er dus van uit gaan dat eiseres bekend is in Italië, zodat haar stelling dat – vanwege het fictieve claimakkoord – niet is gegarandeerd dat zij bekend is bij de Italiaanse autoriteiten, niet op gaat.

6. Eiseres stelt voorts dat verweerder moet garanderen dat er een opvangplek in de SPRAR-opvang is voor eiseres en haar kind en dat die opvang voldoet aan de eisen die daaraan te stellen zijn. Volgens eiseres is dit echter niet gegarandeerd en dient verweerder nader onderzoek te verrichten naar de ontvangst van Dublingezinnen of alleenstaande ouders met kinderen. Eiseres heeft daarbij verwezen naar het rapport “Is mutual trust enough” van 9 februari 2017. Dit is een monitoringsverslag van de organisaties DRC en OSAR over 6 gevallen van gezinnen met kinderen die door Denemarken en Zwitserland zijn overgedragen aan Italië in het kader van de Dublinverordening in de periode april 2016 tot januari 2017. Eiseres heeft ook verwezen naar de situatie waarin zij verkeerde tijdens haar verblijf in Italië.

7. De rechtbank merkt het vorenstaande aan als een beroep op “systeemfouten” in de zin van artikel 3, tweede lid van de Dublinverordening, waarbij eiseres zich op het standpunt stelt dat zij met haar minderjarig kind moet worden aangemerkt als kwetsbaar persoon als bedoeld in het Tarakhel-arrest en dat verweerder daarom ten onrechte geen individuele garanties voor haar aan de Italiaanse autoriteiten heeft gevraagd.

8. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Voor zover eiseres de situatie waarin zij verkeerde tijdens haar verblijf in Italië ten grondslag legt aan haar stelling overweegt de rechtbank dat dit niet overtuigt. Eiseres heeft in Italië geen asielverzoek ingediend zodat de situatie waarin zij als illegale vreemdeling verkeerde niet kan dienen als onderbouwing van de stelling dat de opvang en asielprocedure voor zogenaamde Dublin-terugkeerders na overdracht tekortschiet. Zij is dan immers – anders dan voorheen – een asielzoeker en verkeert daarmee in een andere rechtspositie dan tijdens haar eerdere verblijf in Italië. Voor zover eiseres er in beroep op wijst dat zij in Italië is verkracht en in dit verband geen effectieve bescherming kon inroepen overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat eiseres een poging heeft gedaan om in Italië bescherming in te roepen. Als blijkt dat de Italiaanse autoriteiten geen bescherming willen of kunnen bieden staat de rechtsgang bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens open. Bij deze stand van zaken hoeft verweerder niet af te zien van overdracht aan Italië.

9. Ten aanzien van de kwaliteit van de opvang en de asielprocedure in Italië overweegt de rechtbank dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in verschillende arresten (zie onder meer het arrest van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14, en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland, nr. 5868/13) heeft geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat ze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft, onder meer bij uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) eveneens geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder er voorts terecht op gewezen dat de informatie in het door eiseres in de zienswijze aangehaalde rapport van SFH, gedateerd op augustus 2016, geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië dan die reeds in de hiervoor genoemde uitspraken is beoordeeld. Het rapport van SFH bevestigt dat sprake is van tekortkomingen, maar biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In dit verband hecht de rechtbank er nog aan op te merken dat de gegevens uit het rapport van SFH afkomstig zijn uit onderzoek dat is verricht door twee medewerkers van SFH in de periode van 27 februari tot 4 maart 2016 en het rapport uitdrukkelijk vermeldt dat de situatie in Rome en Milaan is onderzocht en een bezoek is gebracht aan Bologna, maar dat het niet mogelijk is conclusies te trekken voor heel Italië omdat de situatie per regio verschilt.
De Afdeling heeft het SFH rapport ook betrokken heeft bij haar oordeel in de uitspraak van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73), waarin is geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog immer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

10. Niet in geschil is dat eiseres en haar minderjarig kind moeten worden aangemerkt als kwetsbare personen als bedoeld in het arrest Tarakhel. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank wijst er op dat de Italiaanse autoriteiten bij brief van 8 juni 2015 hebben toegelicht onder welke omstandigheden en op welke locaties zij gezinnen met minderharige kinderen zullen opvangen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3291) hebben zij daarmee voldaan aan hetgeen op grond van het arrest van het EHRM in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland is vereist. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat ervan kan worden uitgegaan dat er voldoende opvangplaatsen binnen de zogenaamde SPRAR-locaties voor bijzonder kwetsbare asielzoekers zijn, zolang er geen concrete aanwijzingen zijn van het tegendeel.

Verder is van belang dat de Italiaanse autoriteiten hebben toegezegd de capaciteit van de opvang te zullen vergroten indien daartoe de noodzaak bestaat en dat niet is gebleken dat zij die toezegging niet zullen nakomen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat thans dergelijke concrete aanwijzingen blijken uit het rapport “Is mutual trust enough” van 9 februari 2017 omdat er gevallen bekend zijn van gezinnen met kinderen die aan Italië zijn overgedragen en waarbij toch geen (goede) opvang werd geboden en ook overigens sprake was van tekortkomingen.

11. De rechtbank stelt vast dat het rapport een monitoringsverslag van de organisaties DRC (Denemarken) en OSAR (Zwitserland) betreft van gevallen van gezinnen met kinderen die door Denemarken en Zwitserland zijn overgedragen aan Italië in het kader van de Dublinverordening in de periode april 2016 tot januari 2017.

Het rapport beschrijft het verblijf van zes gezinnen in Italië na vertrek uit Denemarken en Zwitserland. Zoals voorgehouden ter zitting is één van deze gezinnen op eigen gelegenheid en zonder overleg met de autoriteiten van de lidstaat die wilde overdragen teruggekeerd naar Italië zodat hun toegang tot de opvang niet representatief kan zijn voor de opvangsituatie waarin asielzoekers die door een lidstaat worden overgedragen geraken. Het kan de Italiaanse autoriteiten bezwaarlijk worden tegengeworpen geen passende opvang beschikbaar te hebben als zij niet zijn geïnformeerd over de komst en de specifieke behoeftes van de betreffende asielzoekers.

12. Zoals ter zitting voorgehouden is onduidelijk hoeveel gezinnen zijn benaderd voor dit monitoringsproject. Ook is onduidelijk of deze zes gezinnen de enige zijn die hebben gereageerd of dat er meerdere gezinnen hebben gereageerd maar dit de enige gezinnen zijn waarbij er tekortkomingen in de overdracht of opvang na overdracht zijn ervaren. Voorts is geen informatie beschikbaar waaruit blijkt hoeveel Tarakhel-overdrachten vanuit de diverse lidstaten in de betreffende periode hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat deze informatie onontbeerlijk is om te kunnen bepalen of de informatie uit dit rapport zodanig representatief is dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Het had op de weg van eiseres gelegen om deze informatie aan de rechtbank te verschaffen. Zoals voorgehouden ter zitting komt het de rechtbank voor dat eenvoudig, bijvoorbeeld per e-mail, de betreffende organisaties kunnen worden aangezocht om zodoende deze informatie te verkrijgen. Uit de verantwoording van de projectopzet blijkt dat DSR en OSAR niet-gouvernementele organisaties uit andere lidstaten ook hebben geïnformeerd over het project om zaken waarin kwetsbare asielzoekers een Dublin-overdracht wordt voorgehouden te identificeren om zodoende informatie te delen. De rechtbank overweegt dat gelet op de opzet van het monitoringsproject en de werkwijze van DSR en OSAR, zij zeker ontvankelijk zullen zijn voor dergelijke verzoeken om informatie. Dit geldt temeer nu het project in vervolg krijgt in 2017.

13. Uit het monitoringsverslag blijkt dat de overgedragen gezinnen in een SPRAR-locatie zijn opgevangen, maar dat dit niet meteen na overdracht is geschied.

Zoals ter zitting aan eiseres voorgehouden blijkt uit de informatie niet of de werkwijze zoals verweerder die hanteert bij de overdracht van bijzonder kwetsbare vreemdelingen vergelijkbaar is met de werkwijze van de Zwitserse en Deense autoriteiten. Dit betekent dat niet duidelijk is of de overdragende lidstaten of de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk moeten worden gehouden voor zover vreemdelingen niet direct na overdracht worden opgevangen in een Sprar-locatie. Wel blijkt uit het monitoringsverslag dat de informatieverstrekking van met name de Zwitserse autoriteiten aan de Italiaanse autoriteiten in de besproken gevallen gebrekkig is. Indien de overdragende lidstaat de Italiaanse autoriteiten niet informeert over de specifieke opvangbehoeften die voortvloeien uit de bijzondere kwetsbaarheid van de vreemdeling regardeert dit echter niet het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië, zodat dit verweerder niet verplicht om af te zien van overdracht van eiseres.

14. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de eerstelijns opvang waarin de gezinnen hebben verbleven voordat ze toegang kregen tot een SPRAR-locatie niet zonder meer als van onvoldoende kwaliteit is te beschouwen.

De rechtbank heeft verweerder ter zitting voorgehouden dat hij hierin niet wordt gevolgd. Daargelaten de omstandigheden zoals die zijn beschreven en waaruit onder meer blijkt van tekort aan voedsel, hygiëne en basisbenodigdheden zoals luiers en dekens, is het vaste jurisprudentie dat asielzoekers die bijzonder kwetsbaar zijn in de zin van Tarakhel specifieke opvang behoeven. De eerstelijns opvang zoals die is beschreven in dit rapport maar ook blijkt uit algemeen bekende informatie voldoet niet. Verweerder mag dan ook alleen overdragen als er opvang in een SPRAR-locatie beschikbaar is.

De rechtbank heeft verweerder voorts voorgehouden dat de werkwijze zoals verweerder die hanteert weliswaar is toegestaan door de hoogste bestuursrechter, maar dat de rechtbank hierbij er steeds van is uitgegaan dat opvang in de SPRAR-locatie beschikbaar is ten tijde van de feitelijke overdracht zodat de asielzoeker gedurende de asielprocedure steeds in een locatie wordt opgevangen die tegemoet komt aan zijn specifieke behoeften. Uit het monitoringsverslag blijkt dat de overgedragen gezinnen niet direct zijn ondergebracht in een SPRAR-locatie maar dat sprake is van tijdsverloop van enkele dagen tot enkele weken. Verweerder heeft desgevraagd erkend dat hij er ook vanuit gaat dat indien de Italiaanse autoriteiten kort voor de overdracht niet te kennen geven dat er geen passende opvang beschikbaar is deze opvang beschikbaar en toegankelijk is direct na overdracht.

Het komt de rechtbank voor dat verweerder deze vooronderstelling eenvoudig kan controleren door de Italiaanse autoriteiten bij het aankondigen van de feitelijke overdracht en het daarbij informeren over de specifieke opvangbehoeften kan vragen of een SPRAR-locatie beschikbaar is. Verweerder kan dan, indien een expliciet bevestigend antwoord van de Italiaanse autoriteiten achterwege blijft, conform zijn uitgangspunten van overdracht afzien. Verweerder stelt zich immers op het standpunt dat ten tijde van het bestreden besluit wordt uitgegaan van de beschikbaarheid van passende opvang en als kort voor de feitelijke overdracht blijkt dat dit niet zo is van overdracht wordt afgezien.

Indien verweerder ook vooronderstelt dat de SPRAR-locatie op het moment van de feitelijke overdracht beschikbaar en toegankelijk is, is het naar het oordeel van de rechtbank opmerkelijk dat verweerder zijn werkwijze niet zoals hierboven beschreven eenvoudig aanpast. Ook acht de rechtbank het opmerkelijk dat verweerder gelet op de constatering dat er enkele gevallen bekend zijn waarbij de overdrachten vanuit twee andere lidstaten niet conform de vereisten van de Tarakhel-jurisprudentie verlopen, geen enkele behoefte heeft om hierover navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten of om de eigen overdrachten te monitoren.

15. De rechtbank concludeert dat het monitoringsverslag inzichtelijk maakt dat er enkele gevallen zijn geweest waarin de overdracht door Denemarken en Zwitserland van vreemdelingen die onder de Tarakhel-jurisprudentie vallen niet conform de daartoe geldende vereisten is geschied.

Omdat dit rapport veel vragen onbeantwoord laat en daarom niet blijkt dat de beschreven gevallen representatief zijn voor Tarakhel-overdrachten aan Italië overweegt de rechtbank dat er thans onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn om te oordelen dat verweerder niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan als hij bijzonder kwetsbare asielzoekers wil overdragen aan Italië. De huidige werkwijze van verweerder biedt nog steeds voldoende garantie dat opvang beschikbaar is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiseres en haar kind direct na overdracht aan Italië geen passende opvang zullen krijgen. Daar komt bij dat verweerder in het bestreden besluit heeft toegezegd dat eiseres en haar kind niet zullen worden overgedragen als Italië bij het regelen van de feitelijke overdracht aangeeft dat opvang niet beschikbaar is. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank bij deze stand van zaken niet gehouden om aanvullende individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten te vragen.

De rechtbank sluit evenwel niet uit dat indien monitoringsinformatie beschikbaar komt van overdrachten door verweerder en die informatie ook laat zien dat sprake is van tijdsverloop tussen overdracht en plaatsing in een Sprar-locatie de rechtbank tot een ander oordeel zal komen ten aanzien van de werkwijze van verweerder of ten aanzien van het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De gerapporteerde overdrachten vanuit Zwitserland en Denemarken zijn, mede omdat niet blijkt dat deze representatief zijn daartoe thans onvoldoende.

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
H.J. Renders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.