Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2318

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
17/3849
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het voornemen is niet aan eiser zelf toegezonden of in persoon uitgereikt. In plaats daarvan heeft verweerder het voornemen aan de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) toegezonden, er op vertrouwende dat de RvR een advocaat zou toevoegen en dat deze ook als bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat zou optreden. Of een advocaat als bepaaldelijk gevolmachtigd kan worden aangemerkt wordt echter niet bepaald door de RvR. De RvR draagt weliswaar zorg voor de verdeling van zaken en de financiering van de rechtsbijstand door het verstrekken van de toevoeging, maar de vraag of een advocaat bepaaldelijk gevolmachtigd is wordt uitsluitend bepaald door de intentie van de vreemdeling en de advocaat. De RvR is geen partij in de relatie advocaat-cliënt en kan die dus ook niet tot stand brengen. In dit geval was eisers gemachtigde ten tijde van het uitbrengen van het voornemen nog niet bepaaldelijk gevolmachtigd en kon zij daarom formeel niet als gemachtigde worden aangemerkt. Het voornemen is aldus niet op de juiste wijze kenbaar gemaakt. Dit dient voor rekening en risico van verweerder te komen.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat indien verweerder een bepaalde procedure voorstaat in Dublinzaken, het op zijn weg ligt om het Vreemdelingenbesluit 2000 of de Vreemdelingencirculaire 2000 te (doen) wijzigen. Het structureel afwijken van de vastgelegde procedure door met de RvR mondelinge afspraken te maken is hiertoe niet geëigend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.109
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/107 met annotatie van mr. A.W. Eikelboom
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3849

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1990, van Georgische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. N.M. Weteling),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M.E. Jasper).

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2017. Eiser en verweerder zijn verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening (Vo 604/2013) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2. Op 15 december 2016 zijn de Duitse autoriteiten akkoord gegaan met de terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Gelet hierop is Duitsland in beginsel verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.

3. Namens eiser is in de eerste plaats aangevoerd dat het voornemen niet op de juiste wijze kenbaar is gemaakt. Het is enkel toegezonden aan de gemachtigde van eiser, die echter op dat moment nog niet bepaaldelijk gevolmachtigd was om namens eiser op te treden en dus niet als zijn gemachtigde kon worden aangemerkt. Eiser stelt dat verweerder het voornemen daarom aan hem zelf had moeten toezenden en hem in de gelegenheid had moeten stellen om hierop te reageren. Hij is in zijn belangen geschaad doordat hij geen zienswijze heeft kunnen indienen.

4. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de werkwijze bij Dublin-zaken anders is geregeld dan bij zaken die in de algemene asielprocedure worden afgedaan. Verweerder heeft mondelinge afspraken gemaakt met de Raad voor Rechtsbijstand (RvR). Verweerder en de RvR hebben afgesproken dat het gehoor en het voornemen in plaats van naar eiser en/of zijn gemachtigde, naar de RvR worden gestuurd. De RvR voegt een advocaat toe en die advocaat heeft te gelden als de gemachtigde in die zaak, tenzij de advocaat te kennen geeft dat hij zich terugtrekt. Nergens is bepaald dat een vreemdeling de toevoeging expliciet moet erkennen. Verweerder mag er derhalve vanuit gaan dat de toegevoegde advocaat ook de gemachtigde is die optreedt namens de betreffende vreemdeling. Voor zover er een keer iets misgaat is het volgens verweerder niet relevant voor wiens risico dit komt omdat de vreemdeling niet in zijn belangen is geschaad als hij geen zienswijze kan uitbrengen. Hij kan immers zijn standpunt altijd nog in de gronden van beroep verwoorden.

5. De rechtbank overweegt dat deze werkwijze niet door de beugel kan. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers gemachtigde ten tijde van het uitbrengen van het voornemen nog niet bepaaldelijk gevolmachtigd was en dat zij daarom formeel niet als gemachtigde kon worden aangemerkt. Ook is niet in geschil dat het voornemen niet aan eiser zelf is toegezonden of in persoon is uitgereikt. Eiser heeft derhalve geen zienswijze in kunnen dienen.

6. De rechtbank verwijst in dit verband allereerst naar artikel 3.109c, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), waarin is bepaald dat het voornemen om de aanvraag niet in behandeling te nemen wordt meegedeeld door uitreiking of toezending daarvan. Afgaande op artikel 3.109, derde lid, van het Vb 2000, waarin staat dat de vreemdeling zijn zienswijze kan indienen, moet worden aangenomen dat verweerder ingevolge het tweede lid het voornemen uitreikt of toezendt aan de vreemdeling of diens gemachtigde. In dit geval was er op het moment dat het voornemen werd toegezonden nog geen sprake van een bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat en dus niet van een gemachtigde.

7. Verweerder heeft er niet voor gekozen om het voornemen aan eiser uit te reiken of dit aan hem toe te zenden. In plaats daarvan heeft verweerder het voornemen aan de RvR toegezonden, erop vertrouwende dat de RvR een advocaat zou toevoegen en dat deze ook als bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat zou optreden. Een advocaat-cliënt relatie kan echter niet tot stand worden gebracht door de RvR. De RvR verdeelt de zaken over de gekwalificeerde advocaten die te kennen hebben gegeven voor zaken op basis van toevoegingen in aanmerking te willen komen. Echter, of de advocaat die de RvR wil toevoegen ook daadwerkelijk de vreemdeling zal bijstaan in de procedure wordt uitsluitend door de vreemdeling en advocaat zelf bepaald. Derden, zoals verweerder of de RvR, maken van de advocaat-cliënt relatie geen deel uit en hebben hier geen zeggenschap over. Het argument van verweerder dat nergens is bepaald dat een vreemdeling een toevoeging expliciet moet accepteren behoeft dan ook geen bespreking. Het gaat immers niet om het accepteren van een toevoeging, maar om het tot stand komen van een juridische relatie tussen een vreemdeling en een advocaat.

Dat de verdeling van de zaken, het verstrekken van de toevoeging en dus de financiering van de rechtsbijstand wordt geregeld door de RvR staat hier los van. De RvR brengt de vreemdeling en advocaat weliswaar met elkaar in contact. Echter, een overeenkomst tussen twee partijen kan niet worden gesloten door een derde zoals de RvR. Voor zover een advocaat te kennen geeft in aanmerking te willen komen voor Dublin-zaken op basis van een toevoeging brengt dit geenszins mee dat de advocaat juridisch gehouden is de toegevoegde zaak op zich te nemen. Zoals hierboven overwogen is de wens van de advocaat en de wens van de vreemdeling bepalend voor de vraag of de advocaat de vreemdeling vertegenwoordigt. Het uitgangspunt van verweerder dat de toegevoegde advocaat de bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat is totdat deze zich terugtrekt is dan ook onjuist. Van terugtrekken kan immers pas sprake kan zijn als er een relatie tot stand is gekomen.

Het gegeven dat de gewraakte handelswijze van verweerder doorgaans niet tot problemen leidt doet niet aan af het feit dat het uitgangspunt van verweerder over de strekking en juridische implicatie van de toevoeging van een advocaat onjuist is. Indien er geen relatie tot stand komt en de toegevoegde advocaat dus niet bepaaldelijk gevolmachtigd is om de vreemdeling te vertegenwoordigen, heeft te gelden dat verweerder met de gekozen handelwijze het risico heeft aanvaard dat het voornemen niet op de juiste wijze is kenbaar gemaakt. Nu in het onderhavige geval dit risico zich heeft verwezenlijkt komt dit naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van verweerder.

8. De stelling van verweerder dat eiser niet in zijn belangen is geschaad faalt. De procedure voorziet in een zienswijze en beroep. Als verweerder het praktisch vindt om de RvR zo spoedig mogelijk in een procedure in te schakelen mag dit niet ten koste gaan van de waarborgen die een vreemdeling heeft dat hij een zienswijze kan indienen waarop in het bestreden besluit wordt ingegaan. Tegen dit besluit, dus nadat een eerste uitwisseling van standpunten heeft plaatsgevonden, staat beroep open. Het is niet aan verweerder om eigenhandig in Dublinprocedures de rechtsbescherming van de vreemdeling in te perken. De rechtbank acht dit dermate fundamenteel dat hiermee reeds is gegeven dat eiser (steeds) in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit punt ten overvloede dat indien verweerder een andere procedure voorstaat in Dublinzaken, het op zijn weg ligt om het Vb 2000 of de Vreemdelingencirculaire 2000 te (doen) wijzigen. Het structureel afwijken van de vastgelegde procedure door met de RvR mondelinge afspraken te maken is hiertoe niet geëigend. De RvR is geen partij in de procedure maar in de woorden van verweerder slechts een doorgeefluik en distributie-mechanisme en kan dus geen rol spelen in het op juiste wijze kenbaar maken van een voornemen. Deze mondelinge afspraken zijn bovendien niet kenbaar voor de vreemdeling, de gemachtigde en de rechtbank en doen reeds hierom tevens afbreuk aan een zorgvuldige procedure. Overigens valt niet in te zien waarom het uitreiken van het voornemen niet op de in het Vb 2000 neergelegde wijze kan plaatsvinden onder het gelijktijdig melding maken van de nieuwe zaak bij de RvR, zodat de zaak aan een advocaat kan worden toebedeeld en na tot stand komen van een bepaaldelijke volmacht de toevoeging kan worden verstrekt.

9. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het beroep is daarom gegrond en het besluit zal worden vernietigd.

10. De rechtbank zal in het kader van een finale geschillenbeslechting onderzoeken of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. Gezien het navolgende zal de rechtbank hiertoe overgaan.

10. Eiser stelt in beroep hetgeen hij anders ook in de zienswijze zou hebben aangevoerd en verweerder heeft over deze gronden ter zitting een standpunt moeten formuleren. Volgens eiser worden de mensenrechten in Duitsland niet goed gerespecteerd. Hij is er niet goed behandeld, kreeg geen medische zorg, en heeft dit ook bij anderen gezien. Ook heeft hij in Duitsland problemen gehad met anderen vanwege religie. Er kan volgens eiser daarom niet op worden vertrouwd dat Duitsland zich houdt aan zijn verdragsverplichtingen ingevolge het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat Duitsland zich niet aan zijn internationale verplichtingen houdt en ook uit de eigen verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Duitsland kan niet worden afgeleid dat de asielprocedure en de opvangmogelijkheden in Duitsland structurele gebreken vertonen.

13. Verweerder heeft daarnaast terecht gesteld dat eiser, gelet op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 december 2008 inzake K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk (nr. 32733/08), eventuele klachten over de asielprocedure en de omstandigheden waaronder asielzoekers in Duitsland verblijven bij de Duitse autoriteiten naar voren moet brengen en zo nodig daarna bij het EHRM, zodat hier in beginsel geen taak is weggelegd voor de Nederlandse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als er sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zoals bedoeld in het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland van het EHRM van 21 januari 2011 (nr. 30696/09). Daarvan is in dit geval niet gebleken.

14. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat met de overdracht van eiser aan de Duitse autoriteiten een situatie zal ontstaan die strijdig is met het Vluchtelingenverdrag dan wel met het EVRM. Het beroep op artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening faalt daarom. Verweerder heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd voorts geen aanleiding hoeven zien om de behandeling van het asielverzoek onverplicht aan zich te trekken.

15. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank ziet aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 990,00 (1 punt voor het beroep, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, à € 495,00 per punt).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, begroot op € 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.T.H. Langeweg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

13 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.