Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2316

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
NL17.740
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin-Italië, Tarakhel, DRC/SRC rapport, HvJ EU C.K. e.a. t. Slovenië (C-578/16 PPU), beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.740
V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 maart 2017 in de zaak tussen

[naam], eiseres,

mede namens haar minderjarige dochter [naam],

gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: S.F.E. Verdonk.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.741, plaatsgevonden op 2 maart 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk in de taal Tigrinya is verschenen T. Tzegai. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Eritrese nationaliteit. Op 20 september 2016 heeft eiseres een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Verweerder heeft op 15 november 2016 bij Italië een overnameverzoek gedaan op grond van artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Gelet op artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat daarmee sinds 16 januari 2017 de verantwoordelijkheid van Italië vast. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

3. Op wat eiseres daar in beroep tegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Evenmin is in geschil dat eiseres en haar minderjarige dochter moeten worden aangemerkt als bijzonder kwetsbare personen als bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712) (Tarakhel).

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich er afdoende van heeft vergewist dat er aan eiseres en haar dochter passende opvang zal worden geboden conform het arrest Tarakhel. Ten aanzien van het door eiseres overgelegde rapport van de Danish Refugee Council (DRC) en de Swiss Refugee Council (SRC) van 9 februari 2017, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat het rapport van de DRC onvolledig is, nu er beperkt onderzoek is gedaan en allerlei relevante achtergrondinformatie van de zes beschreven zaken ontbreekt. Voor vier zaken geldt dat de betrokken vreemdelingen wel opvang hebben gekregen, maar niet direct in een SPRAR-locatie zoals zou moeten. Deze opvang was voor korte duur, waarna ze alsnog in een SPRAR-locatie zijn geplaatst. De geschetste situaties zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om daaruit in zijn algemeenheid te concluderen dat Italië bijzonder kwetsbare vreemdelingen (structureel) niet de opvang biedt conform de eisen die voortvloeien uit het arrest Tarakhel.

6. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de medische situatie van eiseres terecht geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 (C-578/16) waarop eiseres een beroep heeft gedaan, volgt dat overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling, als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met zich kan brengen. Dit is met name aan de orde indien overdracht van een vreemdeling die bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen heeft, een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. De autoriteiten van de lidstaat moeten hierbij rekening houden met objectieve elementen, zoals medische verklaringen. De rechtbank leidt hieruit af dat het aan de vreemdeling is om met objectieve bewijsstukken aannemelijk te maken dat er sprake is van bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen. Eiseres is daar niet in geslaagd, nu uit het overgelegde patiëntdossier van 7 december 2016 geenszins blijkt dat van een dergelijke situatie sprake is.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.

griffier

rechter

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: