Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2307

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
09/777033-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Steekpartij Duindorp Den Haag. Voorwaardelijk opzet poging tot doodslag bewezen, alsmede bedreiging. Verweer noodweerexces verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777033-16

Datum uitspraak: 6 februari 2017

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te ’ [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 10 november 2016 en 23 januari 2017.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. F. Kellouh, advocaat te Den Haag, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd. Deze is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. N.J.P. Coenen heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 213 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 140 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de jeugdreclassering en behandeling bij de Waag gekoppeld aan toezicht door die instantie. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag aan immateriële schade tot een bedrag van € 1000 en gehele toewijzing van het gevorderde bedrag aan materiële schade.

Ter zake van de in beslag genomen goederen is gevorderd de op de beslaglijst onder nr. 1, 2, 3, 9 en 10 vermelde goederen te onttrekken aan het verkeer en ten aanzien van de onder 4, 5, 6, 7 en 8 vermelde goederen te bepalen dat deze worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 april 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [benadeelde 1] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het lichaam van de zich in zijn, verdachtes, nabijheid bevindende [benadeelde 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 april 2016 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een mes in het lichaam van [benadeelde 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 17 april 2016 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een of meerdere messen op het lichaam van [benadeelde 2] gericht en daarbij op dreigende toon de woorden toegevoegd "zijn dat jouw matties?".

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande dat de rechtbank bewezen acht dat

1 primair.

hij op 17 april 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 1] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes één maal heeft gestoken in het lichaam van de zich in zijn, verdachtes, nabijheid bevindende [benadeelde 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 17 april 2016 te ’s-Gravenhage [benadeelde 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes op het lichaam van [benadeelde 2] gericht en daarbij op dreigende toon de woorden toegevoegd "zijn dat jouw matties?".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

T.a.v. feit 1 primair:

De rechtbank overweegt dat aan de verdediging kan worden toegegeven dat de diverse getuigen niet op alle punten gelijkluidend verklaren en met name de getuigen uit het ” [wijk] ”-kamp wellicht niet geheel onbevooroordeeld hebben verklaard. Een en ander neemt niet weg dat in ieder geval vaststaat dat de verdachte het slachtoffer heeft vastgehouden, met een mes in zijn hand voor het slachtoffer heeft gestaan, daarbij zwaaiende bewegingen met het mes heeft gemaakt, dat het mes het slachtoffer heeft geraakt en dat daardoor een steekwond van 5 centimeter diep is ontstaan. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank geconcludeerd worden dat de verdachte het slachtoffer heeft gestoken.

Het verweer dat hij niet heeft gestoken wordt dan ook verworpen.

Voor wat betreft de vraag of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte een jongen op zich af zag komen rennen, die hij wilde intimideren en bedreigen om erachter te komen waar zijn vriend [naam 1] gebleven was. De verdachte pakte de jongen beet met zijn ene hand en zwaaide daarbij met een mes van ongeveer 30 cm in zijn andere hand. Het slachtoffer verzette zich en moest achteruit springen voor de zwaaiende bewegingen die in zijn richting werden gemaakt. Bij een worsteling onder die omstandigheden is naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk te noemen dat het mes het lichaam van het slachtoffer binnendringt en daarbij vitale organen raakt, waardoor de dood kan intreden. De rechtbank neemt daarbij de kracht van de bewegingen en de lengte van het mes in aanmerking. Kennelijk is met zoveel kracht gezwaaid dat het mes door een jas en T-shirt heen is gegaan en vervolgens nog 5 centimeter diep in de buikstreek is doorgedrongen.

De verdachte heeft de kans op de dood van het slachtoffer ook bewust aanvaard. Immers, verdachte heeft het slachtoffer vastgepakt en gevraagd waar zijn vriend [naam 1] was. Ondanks het feit dat het slachtoffer zei dat hij dat niet wist en zich verzette, heeft verdachte bewegingen gemaakt met het mes om te dreigen en te intimideren. In reactie op de bewegingen die in zijn richting werden gemaakt, moest het slachtoffer achteruit springen. Het verzet en het achteruit springen van het slachtoffer zijn een reactie die de verdachte moet hebben waargenomen bij zijn zwaaiende bewegingen nu hij en het slachtoffer zo dicht bij elkaar stonden. Al deze gedragingen van de verdachte tezamen genomen, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg (het overlijden van het slachtoffer) dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Er is derhalve sprake van zogenaamd voorwaardelijk opzet.

T.a.v. feit 2:

Uit de verklaringen van aangeefster, getuige [naam 2] en getuige [naam 3] kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die met het mes heeft gedreigd. Het was immers ook de verdachte die een jack met een rode capuchon droeg.

Niet kan worden bewezen dat de verdachte de bedreiging tezamen en in vereniging met zijn vriend heeft gepleegd zodat hij van het medeplegen moet worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

De raadsvrouw heeft namens de verdachte een beroep op noodweerexces gedaan, hetgeen een schulduitsluitingsgrond oplevert.

Artikel 41, tweede lid, Wetboek van Strafrecht luidt: niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

De rechtbank overweegt dat dit verweer reeds strandt op de constatering dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke aanranding. Integendeel, het is juist de verdachte geweest die de confrontatie met het slachtoffer zocht, op hem af loopt, hem naar de verblijfplaats van [naam 1] vraagt, hem tracht te intimideren met zijn mes en hem vastpakt. Hij deed dit alles zeker niet om zich te verdedigen. Juist het slachtoffer had alle reden om zich te verdedigen. De rechtbank kan de raadsvrouw niet volgen in haar betoog dat de vrees van de verdachte dat de [naam 4] zijn vriend [naam 1] iets heel naars zouden aandoen moet worden beschouwd als een aanranding waardoor hij zich tegen het onschuldige slachtoffer, dat slechts kwam aanrennen op weg naar huis, moest verdedigen.

De rechtbank verwerpt het beroep.

De verdachte is derhalve strafbaar, nu ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van een jonge man door deze in de buikstreek te steken. Het slachtoffer heeft daarbij een steekwond in zijn buikspieren opgelopen. Het slachtoffer moest een week in het ziekenhuis blijven en de pijn en schrik zijn groot geweest. Tot op heden heeft het slachtoffer nog altijd last van de gevolgen, zoals uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is gebleken. De gevolgen hadden bovendien nog heel anders kunnen zijn nu de kans om ten gevolge van een dergelijke messteek te overlijden naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk is.

Hieraan voorafgaand heeft de verdachte ook nog een meisje met zijn mes bedreigd, omdat hij wilde weten waar de personen waren die ruzie met hem en zijn vrienden zochten.

Hieraan voorafgaand is er een onduidelijk incident of een woordenwisseling geweest tussen de verdachte, twee vrienden van hem en een andere jongen, hetgeen ertoe leidde dat een aantal inwoners van [wijk] zich ermee gingen bemoeien en er een zeer dreigende sfeer ontstond, waarbij de verdachte een van zijn vrienden kwijtraakte. De verdachte maakte zich bezorgd om hem en is naar het huis van zijn vader gegaan. Hij heeft daar een mes gehaald en is weer naar buiten gegaan waarna de bedreiging en steekpartij plaatsvonden. Het slachtoffer van de steekpartij had echter niets met de gebeurtenissen te maken en kwam toevallig aanrennen, waarna hij dus door de verdachte is gestoken. Een en ander heeft veel beroering te weeg gebracht in de wijk.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zo’n risico heeft genomen. Zij wil geloven dat de stress bij de verdachte groot was maar hij had desalniettemin anders moeten handelen, en ook kunnen handelen door niet weer naar buiten te gaan.

Na de steekpartij is de sfeer rondom het huis van de vader van de verdachte, waar deze zich verschanst had, zeer dreigend geworden waarbij zelfs met messen op de ramen werd getikt. De rechtbank zal meewegen dat deze sfeer zeer beangstigend is geweest voor de verdachte. Tot op heden heeft men de woning niet meer kunnen betrekken, zijn de ramen meermalen ingegooid en heeft de verdachte al een aantal keer moeten verhuizen wegens de bedreigingen vanuit de wijk.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte geen justitiële documentatie heeft.

Uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 24 oktober 2016 komt naar voren dat de Raad zich enige zorgen maakt over de verdachte nu deze met name in stressvolle omstandigheden impulsief en agressief kan reageren. Hoewel de verdachte heeft geweigerd om een persoonlijkheidsonderzoek te ondergaan werkt hij wel goed mee aan gesprekken bij de Waag. De Raad adviseert om met deze gesprekken, zo lang ze nodig zijn, door te gaan. Op school en thuis functioneert de verdachte verder naar behoren. Hij is gemotiveerd en men is tevreden over hem. In verband met de impact die de gebeurtenissen hebben gehad is begeleiding van de jeugdreclassering nog geïndiceerd. Behandeling bij de Waag en begeleiding van de jeugdreclassering worden daarom in het kader van een deels voorwaardelijk jeugddetentie geadviseerd.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de ernst van het feit, de door de officier van justitie geëiste deels voorwaardelijke jeugddetentie voor de gevraagde duur passend en geboden is, waarbij zij een meldplicht bij de jeugdreclassering en een behandelverplichting bij de Waag zal opleggen. Gezien de hierboven kort geschetste overige omstandigheden zal de rechtbank hiernaast niet ook nog een werkstraf opleggen, waarbij zij voorts nog meeweegt dat de verdachte zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis meer dan een half jaar goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2117,90 . De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 617,90 en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 1500.

De vordering is, hoewel namens de verdachte betwist, voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Het argument van de raadsvrouw dat de geclaimde merkkleding nep zou kunnen zijn, acht de rechtbank niet aannemelijk, en ook niet onderbouwd.

De rechtbank acht de vordering in zijn geheel toewijsbaar, ook voor wat betreft de geclaimde € 1500, betreffende de immateriële schade. Het gevraagde bedrag acht zij niet onredelijk en ook billijk gezien het door het slachtoffer doorstane lichamelijke en psychische leed.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 17 april 2016 is ontstaan.

De beslissing brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2117,90, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 april 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 1] .

In beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank zal conform de eis van de officier van justitie beslissen de onder 1, 2, 3, 9 en 10 te onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de onder 4, 5, 6, 7 en 8 vermelde goederen zal de rechtbank, nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, de teruggave aan de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

36c, 36d, 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

t.a.v. feit 1 primair en feit 2:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. feit 1 primair:

POGING TOT DOODSLAG;

t.a.v. feit 2:

BEDREIGING MET ZWARE MISHANDELING;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 213 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 140 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

- zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen aldaar zal melden, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich onder behandeling van De Waag zal blijven stellen zolang deze instelling of de jeugdreclassering dit aangewezen acht;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

t.a.v. feit 1 primair:

wijst de vordering van de [benadeelde 1] toe en veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 2117,90 vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 april 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2117,90, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 april 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[benadeelde 1] ;

bepaalt dat indien volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

t.a.v. feit 1 primair; feit 2:

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 9 en 10 genummerde voorwerpen, te weten:

1. stk Mes Berghaus dolk

2. 1.00 stk Mes dolk

3. 1.00 stk Spons schuursponsje met rode vlek

9. 1.00 stk Mes GERO vleesmes

10.1.00 stk Mes IKEA vleesmes

gelast de teruggave aan de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 4, 5, 6, 7 en 8 genummerde voorwerpen, te weten:

4. 1.00 stk Broek kl: blauw

5. 1.00 stk Shirt kl: zwart

6. 1.00 stk Jas kl: grijs

7. 1.00 stk Jas kl: rood, Sneaker Freak, maat s

8. 1.00 stk Jas, New sensation, maat 1.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J. Schreuder, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter-plaatsvervanger,

in tegenwoordigheid van mr. T.B. van Amen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2017.