Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2300

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6004
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

terugvordering teveel betaalde bijstand

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/6004

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.C. Kaiser),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Mos).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van eiseres over de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 herzien en een bedrag aan teveel betaalde uitkering van € 534,82 bruto van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 27 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Eiseres heeft op 20 november 2016 een brief van 21 juli 2016 in geding gebracht.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Voorts is de door de rechtbank opgeroepen getuige [persoon] gehoord.

Overwegingen

1.1

Eiseres ontvangt vanaf 29 april 2014 een bijstandsuitkering. De dienst SZW van de gemeente Den Haag heeft bericht ontvangen dat eiseres over de periode van 1 juli 2015 tot en met 13 juli 2015 inkomsten heeft ontvangen via [X] Service Nederland, die zij niet heeft gemeld bij deze dienst.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 herzien en een bedrag aan teveel betaalde uitkering van € 534,82 bruto van eiseres teruggevorderd, omdat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat uit het door eiseres ingeleverde afschrift van haar bankrekening niet blijkt dat zij in deze periode geen inkomsten heeft ontvangen, omdat het niet uitgesloten is dat zij op een later moment of via een andere bankrekening loon heeft ontvangen. De werkgever van eiseres heeft immers de inkomensgegevens bij de Belastingdienst opgegeven.

3. Eiseres voert aan dat zij in de periode van 1 juli 2015 tot en met 13 juli 2015 stage heeft gelopen, waaraan geen inkomsten verbonden waren, zodat het niet waar is dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Volgens de accountmanager van de gemeente was het ook niet de bedoeling dat eiseres voor haar werkzaamheden tijdens haar proefplaatsing inkomsten zou ontvangen. Verweerder is volgens eiseres ten onrechte van de gegevens van Suwinet uitgegaan, omdat verweerder geen looninformatie van de werkgever heeft gekregen. Eiseres acht deze handelwijze van verweerder onzorgvuldig. De werkgever [persoon] heeft volgens eiseres tegenover haar aangegeven dat hij per abuis een inkomstenopgave van eiseres bij de Belastingdienst heeft gedaan, die hij weer zou hebben teruggedraaid. Eiseres heeft de rechtbank verzocht zo nodig [persoon] als getuige op te roepen.

4.1

In artikel 17, eerste lid, van de Pw is - voor zover van belang - bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.2

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.3

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Pw wordt - voor zover van belang - onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.4

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw - voor zover van belang - herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt het een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.5

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw - voor zover van belang- vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

5.1

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een besluit tot herziening of intrekking van het recht op bijstand een belastend besluit. Dit brengt met zich mee dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan.

5.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder een uitdraai uit Suwinet heeft overgelegd, waaruit blijkt dat eiseres inkomsten uit arbeid zijn genoten. Er zijn geen gegevens waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de opgave onjuist is en dat de werkgever de inkomstenopgave bij de Belastingdienst heeft teruggedraaid. Eiseres heeft haar stelling niet met objectieve, verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het door eiseres in bezwaar overgelegde bankafschrift over de periode van 1 tot en met 13 juli 2015 niet als bewijsmiddel voor haar stelling kan dienen, omdat de inkomsten ook op een later moment, via een andere bankrekening of contant voldaan kunnen zijn.

5.3

Ter zitting heeft de getuige desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat in de in de hier van belang zijnde periode sprake was van loonbetaling conform de gemaakte afspraak en dat hij eiseres een bedrag van ruim € 300,- contant heeft betaald.

De enkele ontkenning van de zijde van eiseres dat die betaling heeft plaatsgevonden acht de rechtbank onvoldoende voor de stelling dat geen sprake was van loonbetaling.

5.4

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat ervan uit moet worden gegaan dat eiseres over de in geding zijnde periode inkomsten heeft ontvangen via [X] Service Nederland.

5.5

Doordat eiseres deze inkomsten niet uit zichzelf bij verweerder heeft gemeld, terwijl het haar blijkens het toekenningsbesluit van 27 juni 2014 redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed zouden kunnen zijn op het recht op bijstand, heeft zij de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden. Nu eiseres geen informatie heeft verstrekt over de door haar in de van belang zijnde periode genoten inkomsten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht eiseres een bedrag van € 534,82 teveel aan bijstand heeft ontvangen. Het is dan volgens vaste rechtspraak aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

5.6

Eiseres is daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het uitbetaalde bedrag niet behoorde tot de middelen waarover zij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.

5.7

Gezien het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onder toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw het recht op bijstand van eiseres terecht over de periode 1 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 herzien.

6. Gelet op de vastgestelde schending van de inlichtingenplicht was verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de Pw, gehouden om de ten onrechte gemaakte kosten voor bijstand van eiseres terug te vorderen. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag onjuist is, heeft verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw, terecht een bruto bedrag van € 534,82 van eiseres teruggevorderd.

7. Het beroep is dan ook ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.