Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2292

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4800
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan eiser stelt betekent het neergeschut functioneren niet dat hij daarom als herplaatsingskandidaat moet worden aangemerkt. Eiser is namelijk niet neergeschut gaan functioneren vanwege boventalligheid als bedoeld in artikel 53c van het AMAR. Eiser is neergeschut gaan functioneren, omdat een vliegersfunctie onverenigbaar was met zijn nevenfunctie. Indien eiser het destijds niet eens was met de beslissing om hem te plaatsen op een andere functie had hij hiertegen kunnen ageren.

Uit het vorenstaande volgt dat de omstandigheden dat hij een periode zwevend is geplaatst en daarna neergeschut heeft gefunctioneerd niet maken dat hij is aan te merken als herplaatsingskandidaat als bedoeld in het SBK. Daarnaast is ook niet anderszins gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen om eiser als herplaatsingskandidaat aan te merken. Omdat eiser geen herplaatsingskandidaat is als bedoeld in het SBK heeft hij geen aanspraak kunnen maken op de voorziening ‘gegarandeerd maandelijks inkomen’ uit het SBK. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor toepassing van de voorziening ‘gegarandeerd maandelijks inkomen’ uit het SBK. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 53c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/4800

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. E.P.M.J. Prop),

en

de minister van Defensie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.D. Maassen, A.M.J.W. Keij en E.R. Ruizendaal).

Procesverloop

Bij brief van 21 oktober 2015 heeft verweerder eiser, met toepassing van artikel 39, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), op eigen verzoek, met ingang van 17 december 2015 eervol ontslag verleend als militair aangesteld bij het beroepspersoneel.

Bij koninklijk besluit van 16 december 2015 is eiser eervol ontslag verleend bij het beroepspersoneel van de Krijgsmacht met ingang van 17 december 2015.

Bij besluit van 19 april 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het verzoek van eiser om toepassing van de voorziening ‘gegarandeerd maandelijks inkomen’ uit het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016 (SBK 2012) afgewezen.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij brief van 6 mei 2016.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Bij beslissing van 8 december 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat de rechtbank van oordeel is dat het besluit van 19 april 2016 waarin verweerder de verzochte toepassing van de voorziening ‘gegarandeerd maandelijks inkomen’ afwijst, een primair besluit is. Omdat tegen dat besluit eerst bezwaar open staat, had de rechtbank het beroepschrift 6 mei 2016 moeten doorzenden naar verweerder. Uit efficiency-oogpunt heeft de rechtbank aanleiding gezien om een ruime toepassing te geven aan artikel 7:1a van de Awb en heeft zij eiser in de gelegenheid gesteld verweerder te verzoeken in te stemmen met het overslaan van de bezwaarprocedure. Daarbij heeft de rechtbank partijen verzocht om bij instemming tevens aan te geven of toestemming wordt gegeven om zonder een nadere zitting uitspraak te doen.

Eiser en verweerder hebben respectievelijk op 30 december 2016 en 10 januari 2017 ingestemd en toestemming gegeven voor het achterwege blijven van een nadere zitting, waarna de rechtbank op 26 januari 2017 het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser was werkzaam als testvlieger bij de Koninklijke Luchtmacht, laatstelijk in de rang van Majoor. Bij besluit van 14 mei 2013 is beslist dat eiser met ingang van 4 oktober 2013 als gevolg van een reorganisatie is geplaatst op de functie ‘HOT Vliegproeven Heli’. Omdat er sprake was van een voortzetting van de vervulling van zijn huidige functie liep de periode van zijn huidige duur functievervulling door, te weten tot 1 januari 2014. Bij besluit van 11 februari 2014 is eiser met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 op de verzamelarbeidsplaats ‘zwevend’ geplaatst. Bij besluit van 15 april 2014 is eiser met ingang van 1 april 2014 geplaatst op de functie ‘Plv Vlucht CDT TNFH’. Dit betreft een functie beneden eisers niveau. Per 17 december 2015 is eiser eervol ontslag verleend.

1.2

Het aan eiser verleende ontslag is in beroep niet in geschil. Om die reden toetst de rechtbank niet ambtshalve of verweerder bevoegd was om op het bezwaar te beslissen voor zover dat betrekking had op het ontslag.

1.3

Thans in beroep ligt alleen voor of verweerder in redelijkheid de gevraagde voorziening ‘gegarandeerd maandelijks inkomen’ mocht weigeren.

3 Verweerder wijst de gevraagde voorziening ‘gegarandeerd maandelijks inkomen’ af, omdat eiser niet valt onder het SBK.

4 Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor gegarandeerd maandelijks inkomen, omdat hij is aan te merken als herplaatsingskandidaat als bedoeld in het SBK 2012. Daartoe voert eiser aan dat hij neergeschut heeft gefunctioneerd, omdat er door de reorganisatie minder functies beschikbaar waren. Als gevolg daarvan is hij in 2013 gestopt met vliegen, is hij tijdelijk zwevend geplaatst en heeft hij vervolgens neergeschut gefunctioneerd. Er zijn na 2012 geen functioneringsgesprekken met hem gevoerd. Ook voert eiser aan dat er vanuit Defensie niets is ondernomen om hem intern over te plaatsen en dat hij niet is aangemeld voor een extern herplaatsingsonderzoek. Verder stelt eiser dat sprake is van willekeur, omdat in het beleid niet staat omschreven in welke situatie verweerder op grond van zijn discretionaire bevoegdheid alsnog de faciliteiten uit het SBK 2012 afwijst als aan de voorwaarden wordt voldaan.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Volgens artikel 53c van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) wordt de militair door de commandant operationeel commando aangewezen als herplaatsingskandidaat indien:

a. hem met toepassing van artikel 17 binnen drie maanden na het vervallen van zijn functie of de vaststelling van zijn boventalligheid geen functie is of kan worden toegewezen;

b. hem met toepassing van artikel 17 binnen drie maanden na afloop van de duur van een functievervulling of na het afronden van een opleiding geen functie is of kan worden toegewezen.

5.2

In het bestreden besluit is overwogen dat eiser vanwege het feit dat hij neergeschut functioneerde tevens herplaatsingskandidaat is, waardoor hij formeel aan de voorwaarden voldoet. De rechtbank is van oordeel dat eiser uit die passage heeft mogen afleiden dat hij door verweerder daadwerkelijk als herplaatsingskandidaat is aangemerkt. Uit de toelichting ter zitting van verweerder blijkt echter dat verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser nooit herplaatsingskandidaat is geweest. Volgens verweerder heeft eiser weliswaar een periode zwevend en aansluitend neergeschut gefunctioneerd, maar betekent dat niet dat hij herplaatsingskandidaat is. De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat verweerder twee - niet met elkaar verenigbare - standpunten heeft ingenomen, hetgeen ten aanzien van het bestreden besluit een motiveringsgebrek oplevert. Het bestreden besluit komt daarom wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

5.3

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, derde lid onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

Vast staat dat eiser na een korte zwevende periode op de functie ‘Plv Vlucht CDT TNFH’ is geplaatst. Weliswaar staat in het besluit van 11 februari 2014 dat eiser herplaatsingskandidaat wordt als hem na de zwevende periode geen functie wordt toegewezen, maar daar is in het geval van eiser geen sprake van. Eiser is namelijk in de zwevende periode op de functie ‘Plv Vlucht CDT TNFH’ geplaatst, zodat eiser op grond daarvan geen herplaatsingskandidaat is geworden.

Verder staat vast dat eiser als gevolg van de plaatsing op de functie ‘Plv Vlucht CDT TNFH’ neergeschut is gaan functioneren, omdat hij beneden zijn niveau is geplaatst.

Anders dan eiser stelt betekent het neergeschut functioneren niet dat hij daarom als herplaatsingskandidaat moet worden aangemerkt. Eiser is namelijk niet neergeschut gaan functioneren vanwege boventalligheid als bedoeld in artikel 53c van het AMAR. Eiser is neergeschut gaan functioneren, omdat een vliegersfunctie onverenigbaar was met zijn nevenfunctie. Indien eiser het destijds niet eens was met de beslissing om hem te plaatsen op de functie ‘Plv Vlucht CDT TNFH’ had hij hiertegen kunnen ageren.

Uit het vorenstaande volgt dat de omstandigheden dat hij een periode zwevend is geplaatst en daarna neergeschut heeft gefunctioneerd niet maken dat hij is aan te merken als herplaatsingskandidaat als bedoeld in het SBK. Daarnaast is ook niet anderszins gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen om eiser als herplaatsingskandidaat aan te merken. Omdat eiser geen herplaatsingskandidaat is als bedoeld in het SBK heeft hij geen aanspraak kunnen maken op de voorziening ‘gegarandeerd maandelijks inkomen’ uit het SBK. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor toepassing van de voorziening ‘gegarandeerd maandelijks inkomen’ uit het SBK.

6 Het beroep is gegrond.

7 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). De reiskosten bepaalt de rechtbank op € 36,34 (tarief openbaar vervoer, tweede klas).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.026,34 (€ 990,- + € 36,34).

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.