Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:222

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-01-2017
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
NL16.3878
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Somalische. AMV. Geen asielmotieven. Beschikbaarheid opvang in land van herkomst. 8 EVRM-toets onjuist. Gegrond. Geen bestuurlijke lus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL16.3878

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 januari 2017 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 december 2016 (het

bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.

2. De beroepsgrond dat er in het voornemen geen asielmotieven zijn benoemd, treft geen doel. Immers, zoals verweerder in het bestreden besluit en ter zitting heeft uitgelegd, zijn de asielmotieven weliswaar niet expliciet benoemd maar wel allemaal besproken. De rechtbank vindt daarom dat de toetsing van eisers asielaanvraag inzichtelijk is. Eiser heeft geen inhoudelijke bezwaren tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Het beroep voor zover gericht tegen het asielbesluit is dan ook ongegrond.

3. De beroepsgrond dat er ten onrechte geen verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling is verleend, slaagt evenmin. De enkele stelling dat er voor eiser geen opvang aanwezig is in Somalië volgt de rechtbank niet, omdat eiser tot zijn vertrek uit Somalië bij zijn oma in Somalië heeft gewoond. Dat zij oud en gebrekkig is, betekent niet dat die situatie nu anders is. Het beroep voor zover gericht tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling is ongegrond.

4. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat er in het kader van de toets aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat deze toets dus onjuist is. De rechtbank wijst verweerders verzoek om het toepassen van een bestuurlijke lus af. Het ziet er immers naar uit dat er nog nader onderzoek moet worden verricht om te kunnen komen tot een zorgvuldige belangenafweging in dit verband. De rechtbank denkt daarbij bijvoorbeeld aan het horen van de moeder van eiser. Het ligt in deze snelle AA-procedure daarom niet voor de hand om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank vernietigt het besluit op dit onderdeel en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,- (negenhonderdtweeënnegentig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Diepenhorst, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 5 januari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.