Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2171

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
AWB 17/4062 & AWB 17/4064
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland - buiten zitting - beroep M.S.S. slaagt niet - beroep kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/4062 (beroep) & AWB 17/4064 (voorlopige voorziening)

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 6 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. G. Ocak),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht te verbieden totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Op 17 september 2016 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Uit onderzoek in

EU-Vis is gebleken dat eiser op 1 september 2016 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Duitsland te Erbil in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, geldig van 1 september 2016 tot 18 september 2016. Op 2 december 2016 heeft verweerder de Duitse autoriteiten gevraagd eiser over te nemen. Duitsland heeft de claim geaccepteerd op 6 december 2016 op grond van artikel 12, tweede lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening).

2. Verweerder dient het asielverzoek zelf te behandelen, indien het niet mogelijk is over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen. De reden daarvoor kan zijn dat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit staat in artikel 3, tweede lid, Dublinverordening.

3. In principe kan Nederland erop vertrouwen dat als een lidstaat, in dit geval

Duitsland, ermee heeft ingestemd om iemand op grond van de Dublinverordening over te nemen, deze lidstaat garandeert dat de internationale verplichtingen zullen worden nagekomen. Het is dan vervolgens aan de vreemdeling om het tegendeel aannemelijk te maken.

4. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de Duitse autoriteiten hem in het kader van een asielprocedure hebben gezegd dat hij het land moest verlaten en dat hij in Duitsland slecht is behandeld. Volgens eiser is het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland (M.S.S.) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011 (ECLI:NL:XX:2011:BP4356) niet alleen van belang voor overdrachten aan Griekenland, maar ook voor overdrachten aan andere lidstaten. Volgens eiser volgt uit dat arrest een vergaande onderzoeksplicht voor de lidstaten. De bewijslast ligt niet in de eerste plaats en alleen bij de vreemdeling. Verder volgt uit het arrest dat het EHRM wel waarde hecht aan algemene stukken over de asielprocedure en opvang- en detentie-omstandigheden in de ontvangende lidstaat. Ook hecht het EHRM waarde aan de ervaringen van de betrokken vreemdeling in een lidstaat.

5. Allereerst overweegt de rechtbank dat zij in haar uitspraak van 22 december 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:16568) al geoordeeld heeft dat in Duitsland geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en dat van een risico op (indirect) refoulement ook niet is gebleken. Anders dan eiser betoogt ligt het op zijn weg om het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank stelt vast dat eiser daarin niet geslaagd is. Hij heeft alleen verwezen naar M.S.S. en in algemene bewoordingen uitvoerig uitgelegd wat daaruit volgens hem volgt, maar hij heeft zijn standpunt niet concreet toegespitst op zijn zaak. In het algemene verhaal van eiser met betrekking tot het arrest inzake M.S.S., ziet de rechtbank dan ook geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat het bestreden besluit strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

6. De rechtbank ziet voorts geen reden om te oordelen dat Duitsland jegens eiser zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. Dat er in de procedure in Duitsland sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers heeft eiser met zijn stellingen geenszins aannemelijk gemaakt. In dit licht is ook van belang dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de (hogere) autoriteiten van Duitsland, dan wel de daartoe geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Duitsland eiser niet kunnen of willen helpen of dat het indienen van een klacht bij die autoriteiten bij voorbaat zinloos zal zijn.

7. Eisers beroepsgronden slagen dan ook niet. Dit betekent dat verweerder eiser kan overdragen aan Duitsland.

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Gegeven het oordeel van de rechtbank in de hoofdzaak wijst de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is aan partijen bekendgemaakt door verzending op de hieronder vermelde datum.

de griffier de rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.