Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2156

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
09/797535-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of veroordeelde voordeel heeft genoten uit “andere feiten” als bedoeld in artikel 36e derde lid van het Wetboek van Strafrecht Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat het Openbaar Ministerie de rechtbank een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel heeft voorgelegd, dat grotendeels op dezelfde bewijsmiddelen is gebaseerd als de bewijsmiddelen in het onderliggende dossier in de strafzaak, en die bij het Gerechtshof niet tot een veroordeling voor het witwassen heeft geleid.

Gelet hierop is de rechtbank, meer nog dan anders al het geval is, van oordeel dat het Openbaar Ministerie nauwgezet dient te onderbouwen wat de aanwijzingen zijn waarop de aannemelijkheid is gestoeld dat zogenaamde “andere feiten” als bedoeld in artikel 36e derde lid van het Wetboek van Strafrecht, er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De enkele verwijzing naar de onderbouwing in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel acht de rechtbank daartoe onvoldoende, indachtig de hiervoor weergegeven overwegingen van het Gerechtshof.

De rechtbank acht daarbij tevens van belang dat na het arrest van het Gerechtshof, ondanks de daarin opgenomen overwegingen, in de ontnemingszaak geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de door verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van de geldbedragen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de vordering tot ontneming van door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/797535-13 en 09/842093-13 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 1 maart 2017

Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

BRP-adres: [adres] .

De inleidende vorderingen

De vordering met betrekking tot parketnummer 09/797353-13 strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 11.736,55.

De vordering met betrekking tot parketnummer 09/842093 strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 113.739,-.

In de conclusie van eis van 30 oktober 2015 heeft de officier van justitie gevorderd beide vorderingen te voegen en de rechtbank gevorderd het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor beide parketnummers vast te stellen op het geschatte bedrag van

€ 106.820,- en veroordeelde de verplichting tot betaling aan de staat op te leggen van het geschatte voordeel.

Het onderzoek ter zitting

Ter terechtzitting van 15 februari 2017 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 111.830,- en dat veroordeelde de verplichting wordt opgelegd een bedrag van € 106.830,- aan de Staat te betalen, waarbij door de aftrek van € 5.000,- rekening is gehouden met het feit dat de zaak niet binnen een redelijke termijn is behandeld.

Veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr. P.T Verweijen, advocaat te Rotterdam, is verschenen en op de vordering gehoord.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Veroordeelde is bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 november 2016 veroordeeld wegens meerdere strafbare feiten, bedreigd met een geldboete van de 5e categorie.

Bij dit arrest is veroordeelde vrijgesproken van het hem ten laste gelegde witwassen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrijspraak van het witwassen de ontnemingsvordering in de weg staat. Het alsnog vorderen van wederrechtelijk verkregen voordeel levert volgens de verdediging strijd op met de in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde onschuldpresumptie. De verdediging heeft daarom gevraagd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

De rechtbank stelt vast dat het dossier en de daarin gebruikte kasopstelling waarop het verwijt van het witwassen was gebaseerd nagenoeg gelijk zijn aan het dossier en de kasopstelling die ten grondslag liggen aan de onderhavige ontnemingsvordering. De rechtbank is echter van oordeel dat daarmee nog geen sprake is van een zodanige directe relatie dat een vrijspraak van dat witwassen aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering in de weg staat. Hierbij is van belang dat het bij het gebruik van een kasopstelling gaat om een vermogensvergelijking waarbij in beginsel niet wordt aangeknoopt bij concrete strafbare feiten, ook al kan de uitkomst van de vermogensvergelijking gebruikt worden voor het bewijs van het strafbare feit witwassen. Het enkele feit dat de kasopstelling niet heeft geleid tot een bewezenverklaring van het eerder ten laste gelegde witwassen, maakt dan ook op zichzelf niet dat van een ontnemingsvordering op grond van die kasopstelling geen sprake meer kan zijn, nu de uitkomst van de kasopstelling ook zou kunnen duiden op voordeel verkregen uit andere strafbare feiten. Van strijd met de onschuldpresumptie is dan ook geen sprake.

Nu ook aan de formele vereisten van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, zal de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaren in de vordering.

Beoordeling van de vordering

Zoals hiervoor reeds vastgesteld, is er sprake van overeenkomsten tussen het feitencomplex dat ten grondslag heeft gelegen aan de vrijspraak van het witwassen en het feitencomplex waarop de officier van justitie de ontnemingsvordering baseert. Het Gerechtshof Den Haag heeft over dit feitencomplex als volgt overwogen:

“Het Hof heeft uit de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband kunnen afleiden tussen de ten laste gelegde geldbedragen en een bepaald misdrijf.

(…)

Naar het oordeel van het Hof is de concrete en min of meer verifieerbare verklaring die de verdachte geeft voor de herkomst van de desbetreffende uit onderzoek vastgestelde, geldbedragen waarover de verdachte in de ten laste gelegde periode de beschikking heeft gehad, welke verklaring de verdachte al in een vroeg stadium van het onderzoek heeft afgelegd en in eerste aanleg en in hoger beroep consequent heeft herhaald, niet op voorhand als zo volslagen onwaarschijnlijk aan te merken dat deze zonder meer en zonder nader onderzoek terzijde kan worden geschoven.

Gelet hierop, had het op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar feiten en omstandigheden die de legale herkomst van de geldbedragen in de tenlastelegging met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten.”

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of veroordeelde voordeel heeft genoten uit “andere feiten” als bedoeld in artikel 36e derde lid van het Wetboek van Strafrecht Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat het Openbaar Ministerie de rechtbank een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel heeft voorgelegd, dat grotendeels op dezelfde bewijsmiddelen is gebaseerd als de bewijsmiddelen in het onderliggende dossier in de strafzaak, en die bij het Gerechtshof niet tot een veroordeling voor het witwassen heeft geleid.

Gelet hierop is de rechtbank, meer nog dan anders al het geval is, van oordeel dat het Openbaar Ministerie nauwgezet dient te onderbouwen wat de aanwijzingen zijn waarop de aannemelijkheid is gestoeld dat zogenaamde “andere feiten” als bedoeld in artikel 36e derde lid van het Wetboek van Strafrecht, er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De enkele verwijzing naar de onderbouwing in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel acht de rechtbank daartoe onvoldoende, indachtig de hiervoor weergegeven overwegingen van het Gerechtshof.

De rechtbank acht daarbij tevens van belang dat na het arrest van het Gerechtshof, ondanks de daarin opgenomen overwegingen, in de ontnemingszaak geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de door verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van de geldbedragen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de vordering tot ontneming van door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af de vordering van het Openbaar Ministerie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.E. Alink, voorzitter,

mr. G.P. Verbeek, rechter,

mr. D. Biever, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Durieux, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 maart 2017.

Mr. Verbeek is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.