Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2148

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
RK 16/3137
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gelet op de verklaring van veroordeelde in raadkamer, zijn aantekeningen gemaakt ten tijde van de DNA-afname en de verklaring van de medewerker van de PI Alphen aan den Rijn, is de rechtbank van oordeel dat moet worden betwijfeld of veroordeelde inderdaad heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen DNA-afname door een ander dan een arts of verpleegkundige. Onder deze omstandigheden is onvoldoende gebleken dat voldaan is aan het vereiste van artikel 3 lid 3 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, dat afname door een ander dan een arts of verpleegkundige alleen toestaat ingeval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt. Dit betekent dat er een formeel gebrek kleeft aan de afname van DNA-materiaal bij veroordeelde. De rechtbank zal het bezwaar van de veroordeelde in zoverre dan ook gegrond verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/809534-14

Kenmerk RK: 16/3137

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de [P.I.] ,

te dezer zake domicilie kiezende te (2509 CN) Den Haag, aan de Laan van Nieuw Oost-Indië 133, ten kantore van advocaat mr. F.C. Knoef,

tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De rechtbank heeft dit bezwaar op 15 november 2016 en 21 februari 2017 in raadkamer behandeld.

Veroordeelde, bijgestaan door mr. Knoef, advocaat te Den Haag, is in raadkamer gehoord.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot gegrondverklaring van het bezwaar, nu uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat de veroordeelde niet heeft ingestemd met de afname van DNA-materiaal door een ander dan een arts of verpleegkundige. Er kleeft derhalve een formeel gebrek aan de afname en het bezwaar dient gegrond te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

Beoordeling van het bezwaar.

Bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 14 maart 2016 is wettig en overtuigend bewezen verklaard dat veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan belaging, meermalen gepleegd. Aan hem is de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.

Bij veroordeelde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 23 juni 2016, op 29 juni 2016, op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, DNA-materiaal afgenomen. Het DNA-materiaal is afgenomen door een medewerker van de PI Alphen aan den Rijn die daartoe is aangewezen door de Minister van Veiligheid en Justitie.

Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 7 juli 2016 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingekomen.

Het DNA-profiel van veroordeelde is nog niet bepaald.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat het bezwaar van de veroordeelde bestaat uit drie onderdelen. De rechtbank zal deze hierna kort weergeven.

Volgens de veroordeelde is de uitreiking van het bevel DNA-afname c.q. de oproeping voor de afname van DNA-materiaal niet op juiste wijze geschied. De veroordeelde heeft in dit kader onder andere aangevoerd dat hij de uitreikingsbrief niet in ontvangst heeft genomen.

Voorts heeft de veroordeelde betoogd dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de afname van DNA-materiaal door een ander dan een arts of verpleegkundige. Volgens de veroordeelde is de afname onder dwang gebeurd. Hij heeft in dit kader gewezen op een handgeschreven aantekening “ik wil dat arts het doet” die hij heeft gemaakt tijdens de DNA-afname op 29 juni 2016.

Tot slot heeft de bezwaarde inhoudelijk bezwaar gemaakt tegen de opname van zijn DNA-materiaal in de DNA-databank, aangezien in zijn geval opname in de DNA-databank niet kan bijdragen aan de voorkoming, opsporing vervolging en berechting van het plegen van strafbare feiten in de toekomst, nu belaging geen delict betreft waar DNA-onderzoek een rol bij speelt en van herhalingsgevaar in zijn geval geen sprake is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit artikel 5 lid 2 Wet DNA-onderzoeken bij veroordeelden blijkt dat het uitgangspunt bij de afname van DNA-materiaal is dat het celmateriaal door een arts of een verpleegkundige wordt afgenomen. In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen kan het celmateriaal worden afgenomen door een persoon die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.

Artikel 3 lid 3 Besluit DNA-onderzoeken in strafzaken bepaalt vervolgens dat het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels bij een veroordeelde ook kan geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar of een daartoe door de directeur van de inrichting of instelling aangewezen persoon, in het geval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt.

Op het op 29 juni 2016 opgemaakte formulier “Opdracht afname en onderzoek DNA-materiaal” dat is opgesteld bij de afname van DNA-materiaal bij veroordeelde, blijkt dat bij hem wangslijm is afgenomen. Voorts is op dit formulier een kruisje gezet bij het tekstblok luidende: “Nadat de veroordeelde erop is gewezen dat de afname in beginstel dient te geschieden door een arts of een verpleegkundige, gaf de veroordeelde aan er geen bezwaar tegen te hebben dat de afname van diens wangslijmvlies plaatsvindt door een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen persoon, die voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen (artikel 5, lid 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden).”

Ter zitting heeft de veroordeelde verklaard dat hij bezwaar heeft gemaakt dat bij hem DNA-materiaal werd afgenomen door een ander dan een arts en dat de afname onder dwang, althans niet vrijwillig, is geschied. Ter onderbouwing daarvan heeft de veroordeelde gewezen op de aantekening die hij heeft gemaakt tijdens de DNA-afname “ik wil dat arts het doet”. Betrokkene beschikte tot deze bezwaarprocedure niet meer over deze aantekeningen en deze zijn eerst in deze bezwaarprocedure na navraag door de officier van justitie door de PI Alphen aan den Rijn verstrekt.

De officier van justitie heeft schriftelijk een aantal vragen gesteld aan de medewerker van de PI Alphen aan den Rijn die DNA-materiaal van veroordeelde heeft afgenomen. Deze medewerker heeft op de vragen bij brief van 1 december 2016 als volgt geantwoord: “Ik kan me met betrekking tot de gang van zaken bij de afname herinneren dat er aantekeningen zijn gemaakt door betrokkene. Verder kan ik mij herinneren dat de heer [veroordeelde] mondeling heeft aangegeven geen celmateriaal af te willen staan en daarnaast gaf hij aan dat hij een verpleegkundige had verwacht. (…) De heer [veroordeelde] heeft aangegeven in het algemeen bezwaar te hebben tegen afname van het celmateriaal. Hij heeft niet aangegeven bezwaar te hebben tegen de afname vanwege het feit dat ik geen arts/verpleegkundige ben. (…) Als aanvulling (…) wil ik nog mededelen dat de heer [veroordeelde] , in eerste instantie, mondeling heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen de DNA-afname. Vervolgens heeft een dhr. J. Rempt (directeur) met betrokkene gesproken en heeft de heer [veroordeelde] toch meegewerkt met de afname. Er is wangslijm weggehaald met een wattenstaafje. Er is niets onder dwang gebeurd.”.

Gelet op de verklaring van veroordeelde in raadkamer, zijn aantekeningen gemaakt ten tijde van de DNA-afname en de verklaring van de medewerker van de PI Alphen aan den Rijn, is de rechtbank van oordeel dat moet worden betwijfeld of veroordeelde inderdaad heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen DNA-afname door een ander dan een arts of verpleegkundige. Onder deze omstandigheden is onvoldoende gebleken dat voldaan is aan het vereiste van artikel 3 lid 3 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, dat afname door een ander dan een arts of verpleegkundige alleen toestaat ingeval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt. Dit betekent dat er een formeel gebrek kleeft aan de afname van DNA-materiaal bij veroordeelde. De rechtbank zal het bezwaar van de veroordeelde in zoverre dan ook gegrond verklaren.

Voor zover het bezwaar van de veroordeelde ziet op de onjuiste uitreiking van het bevel DNA-afname c.q. de oproeping voor de afname, constateert de rechtbank dat zij niet over de stukken beschikt die zien op de uitreiking/oproeping voor de afname van DNA-materiaal. De rechtbank kan derhalve niet controleren of de uitreiking/oproeping op de juiste wijze is geschied.

Aangezien het bezwaar gegrond zal worden verklaard op de grond zoals hiervoor vermeld, ziet de rechtbank echter geen reden de zaak aan te houden om die stukken boven water te krijgen.

Nu er een formeel gebrek kleeft aan de afname van het DNA-materiaal bij de veroordeelde, komt de rechtbank evenmin toe aan beoordeling van het inhoudelijke bezwaar van de veroordeelde tegen de opname van het afgenomen DNA-materiaal in de DNA-databank.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het bij de veroordeelde afgenomen DNA-materiaal terstond wordt vernietigd.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. A.M. Boogers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K.K. Paap, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 maart 2017.