Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2144

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
C/09/525152 KG ZA 17-48
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; Eiser is gedetineerd nadat de opgelegde ISD-maatregel van rechtswege is geëindigd. Niet is gebleken dat aan eiser toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat de gev straf zou worden opgeschort; de ISD-maatregel is ook niet positief verlopen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden om tot opschorting over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/525152 / KG ZA 17-48

Vonnis in kort geding van 9 februari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

verblijvende in de PI te [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. L.A.M. van den Eeden te Eindhoven,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door eiser bij brieven van 26 januari 2017 en van 30 januari 2017 overgelegde producties;

- de door de Staat bij brief van 27 januari 2017 overgelegde producties;

- de op 1 februari 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij vonnis van 26 mei 2014 heeft de rechtbank Oost-Brabant aan eiser (onder meer) de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd voor de duur van twee jaar. De tenuitvoerlegging van deze maatregel (hierna: ISD-maatregel) is aangevangen op 11 november 2014.

2.2.

Op 1 december 2014 vond het eerste verlof plaats. Na het tweede verlof op 12 december 2014 is eiser niet teruggekeerd. Op 23 juni 2015 is eiser aangehouden ter volbrenging van de ISD-maatregel en is hij teuggeplaatst in de PI […], waarna de executie van de nog openstaande straffen en maatregelen (op dat moment 839 dagen (bruto)) is hervat. De advocaat van eiser heeft vervolgens de officier van justitie verzocht in plaats van de executie van de nog openstaande straffen de ISD-maatregel voort te zetten, aan welk verzoek is voldaan. Bij beschikking van 16 november 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant, na een tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel op 2 november 2015, bepaald dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel dient te worden hervat. Tegen deze beslissing heeft eiser hoger beroep ingesteld.

2.3.

Op 9 december 2015 is eiser gestart met ambulante behandeling en sindsdien is er sprake geweest van begeleid en vanaf 8 maart 2016 ook van onbegeleid verlof. Na een onbegeleid verlof op 22 maart 2016 scoorde eiser volgens de PI positief op het gebruik van cocaïne, waarna de eerder toegekende verloven zijn ingetrokken. Ten dit besluit heeft eiser beklag ingesteld bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing (RSJ). De RSJ wees het schorsingsverzoek toe en schorste de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Na de inhoudelijke behandeling van de klacht op 26 juni 2016 oordeelde de beklagcommissie dat de klachten formeel gegrond waren, maar de beklagcommissie achtte geen termen aanwezig voor een tegemoetkoming aan eiser. Tegen deze beslissing heeft eiser beroep aangetekend bij de RSJ. Hierop is nog niet beslist, evenmin als op een andere door eiser ingediende klacht.

2.4.

Bij beslissing van 12 mei 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beslissing van 16 november 2015 (genoemd onder 2.2) bevestigd. In deze beslissing is het navolgende standpunt van het Openbaar Ministerie weergegeven:

“Er is geen onduidelijkheid meer omtrent het al dan niet executeren van de nog openstaande straffen. De officier van justitie heeft in eerste aanleg zelfs aangeboden om schriftelijk te bevestigen dat het openbaar ministerie geen executie van de straffen zal vorderen, mits de ISD-maatregel goed verloopt. Veroordeelde is een tweede kans geboden en thans worden op alle leefgebieden inspanningen verricht om naar een succesvolle re-integratie toe te werken.”

2.5.

Bij beschikking van 9 september 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant, na een tweede tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel, beslist dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is vereist. Daartoe heeft deze rechtbank onder meer het navolgende overwogen:

“De officier van justitie heeft aangevoerd dat veroordeelde de laatste jaren goed op weg is. Aangezien het Openbaar Ministerie dat niet wil doorkruisen, wordt de executie van de openstaande straffen opgeschort zolang het goed blijft gaan met veroordeelde. Wanneer veroordeelde recidiveert, zullen de openstaande straffen alsnog geëxecuteerd worden. Nadat de raadsman heeft opgemerkt dat uit de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat het Openbaar Ministerie toentertijd niet gesproken heeft over opschorting maar gesteld heeft dat niet tot executie zal worden overgegaan wanneer de maatregel goed verloopt, heeft de officier van justitie het navolgende aangevoerd. Wanneer het goed blijkt gaan met veroordeelde, zullen de straffen wellicht nooit geëxecuteerd worden.”

2.6.

Op 29 september 2016 is eiser extramuraal geplaatst en is aan hem een woning toegewezen.

2.7.

Bij brief van 31 oktober 2016 is door de selectiefunctionaris aan eiser een selectiebeslissing toegezonden waarin onder meer het navolgende is vermeld:

“U heeft zich de laatste maand meerdere keren niet aan de afspraken gehouden. U was niet aanwezig op het adres, u meldde zich niet op de afgesproken tijden. U bent eerder gewaarschuwd en er op gewezen dat u zich aan afspraken moet houden. De laatste melding heeft geresulteerd in het advies u terug te plaatsen naar de PI [locatie] , afdeling ISD. Er wordt in de PI [locatie] opnieuw naar uw traject gekeken.”

Op 17 november 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, welk bezwaar op 1 december 2016 ongegrond is verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep aangetekend en de voorzitter van de beroepscommissie verzocht om het besluit op bezwaar hangende de beroepsprocedure te schorsen. De voorzitter van de beroepscommissie heeft het schorsingsverzoek bij uitspraak van 16 december 2016 afgewezen. De behandeling van het inhoudelijke beroep moet nog plaatsvinden.

2.8.

Op 15 december 2016 heeft eiser het Openbaar Ministerie per e-mail verzocht de executie van de openstaande straffen op te schorten. Bij e-mailbericht van 22 december 2016 heeft het Openbaar Ministerie dit verzoek afgewezen.

2.9.

Op 22 december 2016 heeft eiser zeven gratieverzoeken ingediend.

2.10.

Op 2 januari 2017 is de ISD-maatregel geëindigd en is de tenuitvoerlegging van de resterende straffen en maatregelen hervat.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat de executie van de openstaande straffen en maatregelen van eiser wordt of worden opgeschort, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening te treffen.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan.

In de beschikking van 9 september 2016 besliste de rechtbank nog dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel vereist was. Daarbij komt dat hetgeen de officier van justitie heeft geconcludeerd in die procedure als een toezegging jegens eiser heeft te gelden waaraan de Staat gebonden is. Slechts in geval van recidive zouden de openstaande straffen rechtens alsnog geëxecuteerd mogen worden. Daarvan is echter geen sprake, zodat de Staat ten onrechte opdracht heeft gegeven tot hervatting van de executie. De weigering om de executie te schorsen is onbehoorlijk en daarmee onrechtmatig jegens eiser, althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Voor zover de ISD-maatregel niet positief zou zijn verlopen, kan dit in redelijkheid niet aan eiser worden toegerekend. Eiser heeft in het kader van de ISD-maatregel niet de toegezegde hulp en ondersteuning gekregen, waardoor hij zich niet aan bepaalde afspraken heeft kunnen houden. Daarbij komt dat het Openbaar Ministerie niet zelf een oordeel heeft gevormd over het verloop van de ISD-maatregel, maar enkel is afgegaan op de beslissing van de selectiefunctionaris. Ook dit is onzorgvuldig en ondeugdelijk jegens eiser.

Op grond van de artikelen 4.2.1, 4.3.2. en 4.3.3 van de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers hadden de door eiser ingediende gratieverzoeken eveneens tot opschorting van de executie moeten leiden. Ook op die grond heeft de Staat ten onrechte de executie voortgezet.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de onderhavige procedure zich niet leent voor een beoordeling van het verloopt van het ISD-traject, aangezien daarvoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. Eiser heeft immers op grond van artikel 72 van de Penitentiaire beginselenwet de mogelijkheid een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen bij de beroepscommissie van de RSJ en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Deze procedure loopt nog, zodat hetgeen eiser in dat kader in deze procedure naar voren heeft gebracht verder onbesproken kan blijven.

4.3.

Vaststaat dat de ISD-maatregel van rechtswege is verlopen sinds 2 januari 2017. Dit brengt met zich dat de Officier van Justitie, op de voet van artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, gehouden was over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de openstaande straffen en maatregelen van eiser. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn in geval aan eiser, gelijk hij stelt, bepaalde toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat deze straffen en maatregelen na het eindigen van de ISD-maatregel zouden worden opgeschort. Daarvan is echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dan wel onvoldoende gebleken. Volgens eiser valt de betreffende toezegging onder meer af te leiden uit de beschikking van 9 september 2016, waaruit volgt dat het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelde dat eiser de laatste jaren goed op weg was en de executie van de openstaande straffen zou worden opgeschort zolang het goed blijft gaan. Volgens eiser zou enkel tot executie overgegaan worden als eiser zou recidiveren. Dit standpunt kan geen stand houden, nu de voorzieningenrechter met de Staat van oordeel is dat recidive in deze context enkel is genoemd als voorbeeld en hieruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat de opschorting afhankelijk gesteld werd van mogelijke recidive. Dit verhoudt zich ook niet met de overigens door partijen in het geding gebrachte stukken, waarin meermaals aan eiser is aangegeven dat mogelijk tot opschorting zou kunnen worden overgegaan als het ISD-traject goed zou verlopen. Voldoende aannemelijk is dat de ISD-maatregel niet positief is verlopen, onder meer doordat eiser zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden, onafhankelijk van de vraag of hem dit al dan niet toegerekend kan worden, en gebleken is dat eiser gedurende het traject cocaïne heeft gebruikt. Een en ander leidt er toe dat niet is voldaan aan de door de Staat gestelde voorwaarden om tot opschorting van de nog openstaande straffen en maatregelen van eiser over te gaan, zodat de Staat op goede grond is overgegaan tot de tenuitvoerlegging van deze straffen en maatregelen, waartoe de Staat, zoals eerder overwogen, ook gehouden was.

4.4.

Eiser heeft voorts, onder verwijzing naar de artikelen 4.2.1, 4.3.2 en 4.3.3 van de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers, betoogd dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de executie van de straffen en maatregelen had dienen op te schorten. Dit betoog wordt verworpen nu de situatie van 4.3.2 zich niet voordoet, aangezien is besloten tot executie van de nog openstaande straffen en maatregelen en het CJIB de executie van de zaken in dat geval niet automatisch kon opschorten. Daarbij speelt een rol dat in het geval van eiser (op diens verzoek) is afgeweken van de in de richtlijn geschetste gang van zaken dat vrijheidsbenemende hoofdstraffen die niet ten uitvoer zijn gelegd op het moment dat de ISD-maatregel onherroepelijk wordt, voorafgaand aan de start van de ISD-maatregel meteen ten uitvoer moeten worden gelegd.

Nu uit artikel 4.3.3 niet valt af te leiden dat de door eiser ingediende gratieverzoeken zonder meer leiden tot opschorting van de executie wordt het daarop gerichte beroep van eiser eveneens afgewezen.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van eiser dient te worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van eiser af;

5.2.

veroordeelt eiser om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2017.

hf