Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2142

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
RK 16/4679
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gegrondverklaring bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/178201-15

Kenmerk RK: 16/4679

Beslissing van 28 februari 2017

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. P.L.G. Rens, Johan van Oldenbarneveldlaan 87, 2582 NK Den Haag,

tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van politie Eenheid Den Haag met proces-verbaalnummer: PL1500-2015209311.

De rechtbank heeft dit bezwaar op 14 februari 2017 in raadkamer behandeld.

Veroordeelde, bijgestaan door mr. P.L.G. Rens, advocaat te Den Haag, is in raadkamer gehoord.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling van het bezwaar.

Veroordeelde is bij arrest van 1 april 2016 door het Gerechtshof te Den Haag ter zake van – kort gezegd – mishandeling, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.

Bij veroordeelde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 19 augustus 2016, op 11 oktober 2016 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, celmateriaal afgenomen. Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 24 oktober 2016 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingekomen.

Het DNA-profiel van veroordeelde is nog niet bepaald.

Door de raadsman is aangevoerd dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat veroordeelde weliswaar is veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf maar dat hem deze straf is opgelegd omdat hij destijds een student was en het voor hem daarom financieel niet mogelijk was om een geldboete te betalen. De raadsman heeft er in dat verband op gewezen dat veroordeelde bij een veroordeling tot een geldboete geen DNA had moeten afstaan. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat het goed gaat met veroordeelde en dat de reclassering het toezicht ook al vroegtijdig positief heeft teruggekoppeld.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Vaststaat dat veroordeelde is veroordeeld voor mishandeling tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, zodat opname van DNA in de databank ten behoeve van de in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna Wet DNA) omschreven doeleinden op zichzelf gerechtvaardigd is.

Ingevolge artikel 1 onder c juncto artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA beveelt de officier van justitie tot afname van celmateriaal ten behoeve van de bepaling en verwerking van DNA bij een persoon die is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straf of maatregel. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever in verband met de proportionaliteit ervoor gekozen heeft om veroordeling tot uitsluitend een geldboete buiten het bereik van de wet te laten.

Gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) acht de rechtbank de verklaring van veroordeelde – dat op zijn verzoek een voorwaardelijke taakstraf is opgelegd in plaats van een geldboete – aannemelijk. Nu bij die laatste strafmodaliteit geen sprake zou zijn geweest van een bevel tot afname van DNA-materiaal, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar – behoudens de aanwezigheid van omstandigheden die daar alsnog aan in de weg staan – gegrond moet worden verklaard. De enkele (ongunstige) financiële situatie van een veroordeelde kan naar het oordeel van de rechtbank geen grond vormen voor de afname en opslag van zijn of haar DNA.

Van omstandigheden die in weerwil van het voorgaande alsnog in de weg staan aan gegrondverklaring van het klaagschrift, is niet gebleken. Veroordeelde is voor en na onderhavig strafbaar feit niet (meer) met politie en justitie in aanraking is gekomen en het toezicht van de reclassering is (bijzonder) positief afgerond. De rechtbank zal het bezwaar dan ook gegrond verklaren en bevelen dat de officier van justitie op grond van artikel 7, vijfde lid, Wet DNA ervoor zorg dient te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. R.G.C. Veneman, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. R.A. Hopman, griffier, en uitgesproken ter zitting van 28 februari 2017.