Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2111

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
C-09-510494-HA ZA 16-542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige (tucht)rechtspraak? Toetsingscriterium.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2017/65 met annotatie van mr. L.C. Dufour
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/510494 / HA ZA 16-542

Vonnis van 1 maart 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. [de advocaat] te Den Haag,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. Dijkstra te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 april 2016 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 10 augustus 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de brief van [de advocaat] van 30 december 2016 met producties;

  • -

    het e-mailbericht van [de advocaat] van 4 januari 2017;

  • -

    het faxbericht van [de advocaat] van 13 januari 2017 met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2017.

1.2. Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [eiseres] heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt met de faxberichten van 17 en 21 februari 2017. Dit vonnis wordt gewezen met inachtneming van de opmerkingen van [eiseres] .

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is in 1987 beëdigd en als advocaat ingeschreven op het tableau in het

arrondissement Rotterdam. Na werkzaam te zijn geweest bij verschillende

advocatenkantoren, is [eiseres] in 1997 haar eigen advocatenkantoor gestart. Eind 2014 heeft zij haar advocatenkantoor verplaatst van het arrondissement Rotterdam naar het arrondissement Den Haag.

2.2.

Op 1 augustus 2008 heeft de deken van de Raad van Toezicht van het arrondissement Rotterdam, verder ook te noemen de Deken, een ambtshalve klacht ingediend tegen [eiseres] . De Raad van Discipline van het ressort van het gerechtshof

’s-Gravenhage, verder ook te noemen de Raad van Discipline, heeft de ambtshalve klacht behandeld op de zitting van 25 augustus 2008. Op die dag zouden ook vijf andere tegen [eiseres] ingediende klachten worden behandeld. De Raad van Discipline heeft op 6 oktober 2008 een tussenuitspraak gedaan in de zaak van de ambtshalve klacht. De Raad van Discipline heeft – het geheel overziende en gelet op het tuchtrechtelijk verleden van [eiseres] – geoordeeld dat er grond was om [eiseres] van het tableau te schrappen. Hij heeft echter ook in aanmerking genomen dat [eiseres] heeft benadrukt dat zij haar gedrag structureel heeft aangepakt en dat dit al tot veranderingen ten goede had geleid. De Raad van Discipline heeft de behandeling van de klacht daarom voor de duur van ten hoogste anderhalf jaar aangehouden om te bezien of de veranderingen inderdaad structureel effect zouden hebben.

2.3.

Vervolgens heeft de Raad van Discipline de behandeling van de ambtshalve klacht drie maal aangehouden.

2.3.1.

De zitting van 12 april 2010 is op verzoek van de Deken aangehouden omdat de Deken twee nieuwe klachten tegen [eiseres] had ontvangen die hij nog niet had kunnen onderzoeken.

2.3.2.

Ook de zitting van 4 oktober 2010 is op verzoek van de Deken aangehouden. Ditmaal omdat hij voornemens was om op 15 oktober 2010 naar aanleiding van de nieuwe tegen [eiseres] ingediende klachten een tweede ambtshalve klacht aan de Raad van Discipline voor te leggen en hij deze bij de behandeling van de eerste ambtshalve klacht wilde betrekken. Deze nieuwe klacht had betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van wijlen de heer [A] waarbij [eiseres] als vereffenaar was opgetreden.

2.3.3.

De zitting van 1 november 2010 is vervolgens aangehouden omdat de Deken de stukken van de door hem op 15 oktober 2010 ingediende tweede ambtshalve klacht aan het dossier van de ambtshalve klacht wilde toevoegen.

2.4.

De mondelinge behandeling van de aangehouden ambtshalve klacht is uiteindelijk voortgezet op 7 februari 2011. Tijdens deze (voortgezette) mondelinge behandelding heeft de Deken verklaard dat [eiseres] veel minder aandacht van het Bureau van de Orde van Advocaten nodig had dan voorheen, dat er een positief effect leek te zijn uitgegaan van de tussenbeslissing van de Raad van Discipline en dat de Raad van Toezicht daarom had besloten van een verzoek tot schrapping af te zien. Tijdens deze (voortgezette) mondelinge behandeling werden ook de tweede ambtshalve klacht en de tegen [eiseres] ingediende klachten van mevrouw [A] (van 1 december 2009), mevrouw [B] (1 augustus 2008 en 29 maart 2010) en mr. [C] (eind 2010) behandeld (door partijen de “ [X-klachten] ” genoemd).

2.5.

Op 2 mei 2011 heeft de Raad van Discipline in deze klachtzaken – die van mr. [C] uitgezonderd – uitspraak gedaan. De Raad van Discipline heeft de klachten gegrond verklaard en aan [eiseres] de maatregel van voorwaardelijke schorsing van de praktijkuitoefening voor de duur van één jaar opgelegd.

2.6.

[eiseres] heeft tegen deze uitspraken van de Raad van Discipline hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline heeft in deze zaken uitspraak gedaan op 6 februari 2012. en overwogen dat drie van de vier verwijten die de Deken [eiseres] maakte, gegrond waren. Het vierde verwijt is echter ongegrond verklaard, omdat dat verwijt zag op het handelen van een vereffenaar na zijn ontslag en het Hof van Discipline van oordeel was dat niet kon worden gezegd dat een schending van de normen geldend voor een vereffenaar bij de afwikkeling van zijn bediening schadelijk is voor het vertrouwen in de advocatuur. Het Hof van Discipline heeft de beslissing van de Raad van Discipline van 2 mei 2011 vernietigd en aan [eiseres] de maatregel opgelegd van voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier maanden. Daarbij werd een proeftijd van één jaar bepaald.

2.7.

In de tuchtzaak ingesteld door mr. [C] heeft [eiseres] bij (fax)brief van 20 juli 2011 één van de leden van de Raad van Discipline – mr. […] – gewraakt. Bij beslissing van 24 oktober 2011 heeft de wrakingskamer het verzoek afgewezen. De behandeling van de klacht is vervolgens door de Raad van Discipline voortgezet op 11 februari 2013. Na nog een wrakingsverzoek van [eiseres] heeft de Raad van Discipline bij uitspraak van 20 januari 2014 de klacht van mr. [C] gegrond verklaard en [eiseres] voorwaardelijk geschorst voor de duur van twee maanden.

2.8.

[eiseres] heeft tegen de uitspraak van de Raad van Discipline in de zaak van mr. [C] hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline heeft in deze zaak uitspraak gedaan op 25 augustus 2014 en de door de Raad van Discipline opgelegde maatregel vernietigd. De beslissing is voor het overige bekrachtigd. Het Hof van Discipline heeft geen maatregel opgelegd omdat in deze klacht hetzelfde feitencomplex aan de orde was als in de klachten van mevrouw [A] , mevrouw [B] en de tweede ambtshalve dekenklacht, ter zake van welk feitencomplex door het Hof van Discipline bij beslissing van 6 februari 2012 reeds een maatregel werd opgelegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat de Staat diverse keren onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld – in het bijzonder door onrechtmatig recht te spreken – waardoor zij schade heeft geleden. Verder vordert zij veroordeling van de Staat tot het betalen van een schadevergoeding, te begroten door de rechtbank of op te maken bij staat, vermeerderd met de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, welk handelen – samengevat – uit het volgende bestaat:

  1. [eiseres] heeft een te korte termijn gehad om zich te verweren tegen de eerste ambtshalve klacht. Dit is in strijd met artikel 6 EVRM en met de goede procesorde.

  2. De Raad van Discipline had op grond van de uitspraak van het Hof van Discipline van 2 april 2010 in de tuchtzaak tegen de Rotterdamse advocaat mr. [Q] de twee ambtshalve klachten niet mogen voegen en had de Deken daar ook op moeten wijzen.

  3. De Raad van Discipline had de zitting in vervolg op de tussenuitspraak van 6 oktober 2008 niet drie keer mogen aanhouden. Dit is in strijd met artikel 6 EVRM. De zitting van 12 april 2010 had moeten doorgaan, omdat de eerste ambtshalve klacht op grond van het oordeel van het Hof van Discipline in de tuchtzaak tegen mr. [Q] met nieuwe bezwaren had mogen worden aangevuld. De zitting van 4 oktober 2010 had moeten doorgaan, omdat de tweede ambtshalve klacht niets te maken had met de toen lopende klachten van mevrouw [A] , mevrouw [B] en mr. [C] en om die reden niet gevoegd konden worden met de eerste ambtshalve klacht. De zitting van 1 november 2010 had moeten doorgaan, omdat de tweede ambtshalve klacht van 15 oktober 2010 geen aanvullende klacht was – zoals de Deken stelde – maar een nieuwe klacht en deze op grond van de uitspraak in de tuchtzaak tegen mr. [Q] niet tegelijk met de eerste ambtshalve klacht behandeld had mogen worden.

  4. De Raad van Discipline heeft in haar beslissing op de eerste ambtshalve klacht ten onrechte een koppeling gemaakt met de [X-klachten] .

  5. De Raad van Discipline heeft in zijn uitspraken van 2 mei 2011 onjuiste en met het recht strijdige straffen opgelegd.

  6. De Raad van Discipline heeft in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens gehandeld omdat de Deken een lijst van het tuchtrechtelijk verleden van [eiseres] aan de Raad van Discipline en het Hof van Discipline heeft gestuurd.

  7. [eiseres] heeft geen eerlijk proces bij de Raad van Discipline gehad, omdat zij zich niet heeft kunnen laten bijstaan door een advocaat.

  8. Mevrouw [A] is niet (deugdelijk) opgeroepen voor de zitting van 7 februari 2011.

  9. De Raad van Discipline heeft geweigerd recht te spreken door in de wrakingsprocedure tegen de heer mr. […] niet op de objectieve wrakingsgronden te beslissen.

[eiseres] stelt dat zij als gevolg van het onrechtmatige handelen van de Raad van Discipline omzetschade en immateriële schade geleden heeft en (extra) advocaatkosten heeft moeten maken.

3.3.

De conclusie van de Staat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] dan wel tot afwijzing van het gevorderde. De Staat betwist dat hij onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Verder heeft de Staat aangevoerd dat de vorderingen van [eiseres] die zien op onrechtmatig handelen van de Raad van Discipline vóór het wijzen van de einduitspraken op 2 mei 2011 zijn verjaard.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank dient te beoordelen of de Staat op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de handelwijze van de Raad van Discipline zoals hiervoor in 3.2 beschreven. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de Raad van Discipline een onafhankelijk, bij wet ingesteld orgaan is, belast met rechtspraak (artikel 1:1 lid 2 sub c Algemene wet bestuursrecht jo. artikel 46a Advocatenwet) en dat de rechtsgang bij de Raad van Discipline als zodanig kan worden aangemerkt overheidsrechtspraak.

4.2.

Allereerst moet worden beoordeeld aan de hand van welke maatstaf de rechtbank de aansprakelijkheid van de Staat dient te beoordelen. De Staat voert aan dat de aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak van de Raad van Discipline moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf die de Hoge Raad in het arrest ‘Jan Luyken’ (HR 3 december 1971, NJ 1972/137) heeft geformuleerd. [eiseres] heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het handelen van de Raad van Discipline moet worden getoetst op basis van het criterium dat in het arrest ‘Greenworld’ (HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7834) is opgenomen. De rechtbank zal hierna stilstaan bij beide criteria.

4.3.

In 1971 heeft de Hoge Raad in het Jan Luyken-arrest de maatstaf geformuleerd, dat de Staat slechts aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor schade voortvloeiende uit schending van het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling, indien (i) bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, en (ii) tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat en heeft opengestaan. De Hoge Raad kwam in deze zaak – waarin volgens eiser procedurele fouten waren gemaakt door een kantonrechter en er tegen de beslissing van die kantonrechter geen hoger beroep open stond of had opengestaan – tot afwijzing van aansprakelijkheid van de Staat omdat er in het cassatiemiddel niet over een fundamentele schending werd geklaagd.

4.4.

In 2009 heeft de Hoge Raad in het Greenworld-arrest – waarin drie arbiters zich volgens eiser jegens haar ten onrechte bevoegd hadden verklaard, welke uitspraak vervolgens door de overheidsrechter is vernietigd – aansprakelijkheid van de arbiters afgewezen omdat onvoldoende was gesteld om te kunnen concluderen dat de arbiters opzettelijk of bewust roekeloos dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt tot hun beslissing waren gekomen. De Hoge Raad trekt in dit arrest verschillende malen een parallel tussen aansprakelijkheid van arbiters en aansprakelijkheid van overheidsrechters voor onrechtmatige rechtspraak.

4.5.

Uit het Greenworld-arrest blijkt niet dat het daarin opgenomen

criterium ook betrekking heeft op aansprakelijkheid van de Staat voor onrechtmatige rechtspraak. De Hoge Raad overweegt immers in r.o. 3.6 dat de Staat, indien hij met succes aansprakelijk is gesteld, op grond van artikel 42 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren regres kan nemen op de betreffende rechter(s) wanneer deze met opzet of bewuste roekeloosheid heeft of hebben gehandeld. De aansluiting bij deze regres-regeling impliceert dat het door de Hoge Raad in het Greenworld-arrest geformuleerde aansprakelijkheidscriterium zich beperkt tot de (persoonlijke) aansprakelijkheid van arbiters.

4.6.

Andere aanknopingspunten voor de conclusie dat de Hoge Raad van de in het Jan Luyken-arrest geformuleerde maatstaf is teruggekomen, ontbreken. Het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2215) biedt zo’n aanknopingspunt in ieder geval niet. In dit arrest (‘Qnow’) heeft de Hoge Raad bevestigd dat de vraag naar de aansprakelijkheid van arbiters steeds moet worden beoordeeld naar de Greenworld-maatstaf, en overwogen dat alle fouten bij de uitoefening van de taak van de arbiters – inhoudelijk en processueel – dienen te worden beoordeeld naar eenzelfde maatstaf.

4.7.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank de vraag of de Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor onrechtmatige rechtspraak van de Raad van Discipline, zal beantwoorden aan de hand van de Jan Luyken-maatstaf. Volgens deze maatstaf kan, zoals vermeld in 4.3, de Staat slechts aansprakelijk worden gesteld voor schade voortvloeiende uit schending van het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht, indien (i) bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, en (ii) tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat en heeft opengestaan. Nu [eiseres] in hoger beroep is gegaan tegen de beslissingen van de Raad van Discipline en het Hof van Discipline op haar klachten heeft beslist, is aan het vereiste onder (ii) niet voldaan. De Staat kan dus niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die het gevolg is van een (eventuele) schending van artikel 6 EVRM door de Raad van Discipline. De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de overige geschilpunten.

4.8.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht 619,00

- salaris advocaat 904,00 (twee punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.523,00

Voor toewijzing van de gevorderde veroordeling in de nakosten van dit geding bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze kosten een executoriale titel oplevert.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.523, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel, mr. R.C. Hartendorp en mr. I.C. Kranenburg en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.