Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2106

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
AWB-17_2577
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2059, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

N.o-verklaring van zesde opvolgende asielaanvraag, waarvan vier op grond van bekering. Beroep gegrond. De rechtbank overweegt dat bij een (gestelde) bekering tot een andere geloofsovertuiging en, in verband daarmee, de stelling dat sindsdien een ontwikkeling heeft plaatsgevonden die geleid heeft tot een geloofsgroei, sprake is van een (doorlopend) proces waarbij bepaalde activiteiten - zoals kerkgang, bidden en het lezen van de bijbel - een constante factor blijven. In dat licht bezien is het dan ook niet vreemd dat eiser - in aanmerking genomen dat de gestelde bekering op 23 december 2007 door verweerder in een eerdere procedure niet geloofwaardig is geacht - bij de in geding zijnde opvolgende asielaanvraag waaraan opnieuw de bekering en de sindsdien plaatsgevonden geloofsontwikkeling ten grondslag is gelegd, heeft verklaard dat hij de in de eerdere procedures genoemde activiteiten heeft voortgezet. De voortzetting van de activiteiten op zich is niet aan te merken als een nieuw element. Zoals echter reeds is overwogen onder 4.1, had in het kader van artikel 30a Vw voornoemd beoordeeld moeten worden of eiser met zijn verklaringen over, onder andere, de door hem voortgezette activiteiten in het kader van de gestelde christelijke geloofsovertuiging, thans alsnog inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij tot de gestelde intensivering van de bekering is gekomen en hoe dit proces is verlopen. Ook had getoetst dienen te worden of eiser tot uiting heeft gebracht dat de gestelde keuze voor het christelijk geloof weloverwogen en welbewust is en of hij duidelijk heeft kunnen maken wat de betekenis van de gestelde geloofsovertuiging voor hem persoonlijk is. De rechtbank is van oordeel dat uit de motivering van het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat de beoordeling vanuit deze invalshoek heeft plaatsgevonden. Het lijkt er veeleer op dat gekeken is of eiser iets “nieuws” naar voren heeft gebracht, in de zin van zaken die niet tijdens de eerdere procedures naar voren zijn aangevoerd. De rechtbank concludeert daarom dat de motivering van het standpunt van verweerder dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, ondeugdelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/2577 (beroep)

AWB 17/2579 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 2 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. drs. L.J. Blijdorp, advocaat te Leerdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting zijn gehoord drs. J. van ’t Spijker, universitair docent Theologische Faculteit Kampen en tevens predikant bij de Christelijk Gereformeerde Kerken, en ds. L. van Dalen, voorganger bij de Christelijk Gereformeerde Kerk te [plaats 2] .

Overwegingen

1. Eiser is, naar eigen zeggen, op 18 september 2003 Nederland binnen gekomen. Hij heeft vijf keer eerder aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

1.1

Aan zijn eerste aanvraag heeft hij - zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat hij tot de Hazara behoort en dat er in het gebied in Afghanistan waar hij woonde, sprake was van een al jaren durend conflict tussen de (lokale) machthebber [naam 3] en eisers familie. Eisers vader en broer zijn in 2002 uit bloedwraak door [naam 3] vermoord. Uit vrees vermoord te worden door [naam 3] besloot eiser te vluchten. Deze aanvraag is bij besluit van verweerder van 31 maart 2004 afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 22 september 2004 (AWB 04/19715) gegrond verklaard en het bestreden besluit is vernietigd. Verweerder heeft op 13 juni 2005 een nieuw besluit genomen en de aanvraag wederom afgewezen omdat eiser onvoldoende documenten overgelegd had, geen positieve overtuigingskracht van het asielrelaas uitging en het relaas aldus ongeloofwaardig werd geacht. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2006 (AWB 05/30704) ongegrond verklaard.

1.2

Eiser heeft vervolgens een tweede aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend op 1 augustus 2006. Aan deze aanvraag heeft eiser verklaringen van dorpsbewoners over de problemen die hij heeft te vrezen bij terugkeer, ten grondslag gelegd. Deze aanvraag is bij besluit van 18 augustus 2006 afgewezen omdat geen sprake was van nova in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 6 september 2006 (AWB 06/40084) ongegrond verklaard.

1.3

Eiser heeft een derde aanvraag om verlening van een asielvergunning gedaan op 1 april 2008. Aan deze aanvraag is, onder meer, ten grondslag gelegd dat eiser op 23 december 2007 bekeerd is tot het christendom. Eiser heeft toen een doopcertificaat overgelegd van de [kerk] te [plaats 1] van 23 december 2007 en een verklaring van de voorganger van de Stichting [kerk] . Deze aanvraag is bij besluit van 15 oktober 2008 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 15 december 2009 (AWB 08/40159) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft laatstgenoemde uitspraak op 22 oktober 2010 bevestigd.

1.4

Aan de vierde aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat verweerder ten onrechte zijn bekering eerder ongeloofwaardig heeft geacht. Gesteld is dat eiser zich actief bezighoudt met het verspreiden van het geloof. Ter ondersteuning daarvan heeft eiser destijds een verklaring van 26 december 2010 van de [kerk] overgelegd, een diploma van de [kerk] van 13 februari 2011, een lidmaatschapskaart van de [kerk] , een doopakte van de [kerk] van 23 december 2007 en een verklaring van [naam 4] , voorganger van de [kerk] van 26 december 2010 en een verklaring van [naam 5] , emeritus predikant en vrijwilliger bij de [kerk] . Voorts heeft eiser gesteld hij in Nederland vanwege zijn bekering bedreigd is en dat men in Afghanistan van zijn bekering op de hoogte is en hij aldaar gevaar loopt. Tot slot heeft eiser gewezen op de verslechterde veiligheidssituatie in de provincie Ghazni. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 2 mei 2011 afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht van 4 juli 2014 is het door eiser hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard (AWB 11/18169). De Afdeling heeft deze uitspraak op 5 november 2014 (kenmerk: 201406179) bevestigd.

1.5

Op 7 oktober 2014 heeft verweerder jegens eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd. Op 24 oktober 2014 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond het beroep hiertegen ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak op 23 januari 2015 (kenmerk:201409363/1) bevestigd.

1.6

Op 17 november 2014 is door de ChristenUnie namens eiser een urgentieverzoek bij verweerder ingediend om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Bij brief van 14 januari 2015 is dit verzoek afgewezen.

1.7

Aan de vijfde asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij inmiddels zeven jaar christen is, dat hij actief is in de kerk en heeft geëvangeliseerd, dat hij deelneemt aan bijbelstudie en dat zijn familie in Afghanistan op de hoogte is van zijn bekering. Voorts heeft eiser – samengevat – toen gesteld dat hij een geloofsverdieping heeft meegemaakt in zijn christelijk geloof. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft eiser destijds de volgende documenten overgelegd:
1. een rapport van prof. dr. J.W. van Saane van 29 november 2014 omtrent eiser;
2. een verklaring van ir. J.M. ten Brinke, voorganger en M. Vogelaar, diaken van de
Christelijk Gereformeerde kerk Hoop voor Noord van 24 juli 2014;
3. een brief van de voorganger van het detentiecentrum Rotterdam ds. Hanneke Atsma van 26 januari 2015;
4. een e-mail van [naam 6] van de [kerk] van 23 februari 2015;
5. een rapport ‘Toetsing bekering’ van Stichting Gave van 25 februari 2015 omtrent eiser;
6. een rapport van Stichting Gave, versie 2.3. van januari 2015, ‘Bekering van Islam naar christus, aandachtspunten voor de asiel beoordeling van christenen met een moslimachtergrond.’

Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 23 februari 2015 afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 maart 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:2300) is het beroep van eiser ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Bij uitspraak van 30 september 2015 (201503112/1/V2) heeft de Afdeling het hoger beroep van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep van eiser bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is bij uitspraak van 5 juli 2016 (nr. 70602/14) afgewezen.

2. De in geding zijnde, zesde opvolgende asielaanvraag heeft eiser gebaseerd op de stelling dat hij een geloofsontwikkeling en een geloofsgroei heeft doorgemaakt. Ter ondersteuning van deze aanvraag heeft hij de volgende documenten overgelegd:

  • -

    een dagboek van eiser;

  • -

    een verklaring van geloofsbelijdenis van 26 september 2016 bij de Christelijk Gereformeerde Kerk [plaats 2] ;

  • -

    een verklaring aanstelling tot vertaler (Nederlands-Farsi) in de Christelijk Gereformeerde Kerk [plaats 2] van 26 september 2016 ten behoeve van Farsi sprekende kerkbezoekers;

  • -

    een brief van de Iraanse [naam 7] , die verklaart door gesprekken met en evangelisatie van eiser zich te hebben bekeerd tot het christelijk geloof;

  • -

    een rapportage inzake geloofsgroei en geloofsontwikkeling van eiser, gedateerd 18 november 2016, door drs. J. van ’t Spijker, universitair docent aan de Theologische Faculteit Kampen/Apeldoorn;

  • -

    een schriftelijk verslag van eiser over zijn bekeringsproces vanaf 2007;

  • -

    een rapport van de Stichting Gave, ‘In goede aarde, advies voor de doop en begeleiding van asielzoekers’, van juni 2014;

  • -

    een document ‘Toetsing geloofsgroei van [eiser] ’ door dr. M. Visscher, Stichting Gave, gedateerd: 25 februari 2015, [rechtbank: moet zijn 13 januari 2017], met een rapport van de Stichting Gave, ‘Bekering tot Christus’, versie 3.3, oktober 2016.

3. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat de voornoemde stukken en verklaringen van eiser niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen, welke aanleiding geven tot een ander oordeel dan verwoord in het reeds eerder genomen besluit betreffende het asielverzoek van eiser.

4. In artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

4.1

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1307) verlangt verweerder in een geval als dit, waarin de gestelde bekering in een voorafgaande procedure – bij in rechte onaantastbaar besluit – niet geloofwaardig is geacht omdat de vreemdeling geen inzicht in de motieven voor en het proces van bekering heeft kunnen geven, van de vreemdeling dat hij ermee bekend is dat hij in een opeenvolgende aanvraag die motieven voor en het proces van bekering kan beschrijven. De vreemdeling dient inzichtelijk te maken waarom hij tot de gestelde intensivering van de bekering is gekomen en hoe dit proces is verlopen, en hij dient tot uiting te brengen dat deze keuze weloverwogen en welbewust is. Daarnaast dient de vreemdeling ook duidelijk te kunnen maken wat de persoonlijke betekenis van de geloofsovertuiging voor hem is. Het voorgaande geldt temeer als de vreemdeling heeft verklaard dat het bekeringsproces niet is geëindigd, maar dat dit proces verder gaat.

4.2

Ter beoordeling van de rechtbank staat dus of verweerder, met inachtneming van hetgeen onder 4.1 is overwogen, zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen.

Daarbij spelen de verklaringen van de vreemdeling zoals afgelegd tijdens het gehoor de belangrijkste rol. Verweerder hanteert daarbij het beleid, zoals neergelegd in bovengenoemde uitspraak en bevestigd ter zitting, dat aan de ter staving van de verklaring van de vreemdeling overgelegde verklaringen en documenten slechts doorslaggevende betekenis toekomt, indien de vreemdeling het proces van bekering en de gemaakte keuze alsnog inzichtelijk heeft gemaakt.

5. Eiser heeft aangevoerd dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat zijn verklaringen niet of onvoldoende overtuigend zijn geweest ten aanzien van zijn bekering, de geloofsgroei en -ontwikkeling. Hij betoogt in voldoende mate te hebben aangetoond dat hij christen is en dat hij bekeerd is tot het christendom, dat er sprake is van substantiële groei en ontwikkeling, en dat hij inmiddels een volwassen christen is, welke de motieven zijn geweest en nog steeds zijn voor deze belangrijke keuze, dat hij zeer actief is in de kerk, in het kerkelijk leven en in de evangelisatie, dat hij beschikt over een grote bijbelkennis en die kennis ook nog steeds uitbreidt, zowel door eigen studie alsook door het volgen van bijbelstudies bij diverse voorgangers en deskundigen. Daartoe verwijst hij naar zijn eigen verklaringen in het gehoor, zijn dagboek, het rapport van dr. Visscher van de stichting Gave, de verklaring aanstelling als vertaler, de verklaring inzake de geloofsbelijdenis en de rapportage van drs. J. van ’t Spijker.

5.1

Eiser heeft in zijn zienswijze en in beroep erop gewezen dat en waarom hij is gegroeid in zijn geloof, en wat dit geloof in het dagelijks leven voor hem betekent.

Daartoe wijst hij op de volgende verklaringen afgelegd in het gehoor:

  • -

    Eiser ervaart zijn groei vanuit de componenten: kerkbezoek, gebed en bijbelstudie. Hij gaat wekelijks naar de kerk, krijgt bijbelles, waardoor het woord van God duidelijk wordt en hij steeds meer kennis maakt met God. Hij leert geloofsgenoten kennen die sterk in hun geloof staan, dat draagt bij aan zijn kennis en vertrouwen. Door het lezen van de bijbel wordt God steeds zichtbaarder en het maakt zijn hart open. Het bidden draagt bij aan zijn persoonlijke band met God.

  • -

    Eiser vertelt over de wanhopige situatie waarin hij zich bevond tijdens zijn detentie en over de eenzaamheid die hij toen ervoer. Zijn vrienden en de voorganger waren niet bereikbaar. Hij was alleen, angstig en niemand kon hem helpen, geruststellen of bemoedigen. Het enige dat hij kon doen was bidden en God aanroepen in zijn cel. Eiser vertelt over de droom die hij diezelfde avond had. Daarin ziet hij hoe hij wordt achtervolgd door mensen die hem willen vermoorden. Er is voor hem geen uitweg. Dan is daar die hand op zijn schouder van een lang persoon met lange witte haren en witte baard die zegt: “jij bent mijn zoon, ik laat je niet in de steek.” Eiser werd opgelucht wakker. De volgende avond werd bekend dat het EHRM zijn uitzetting verhinderde. Deze gebeurtenis maakte zijn vertrouwen in God groter.

  • -

    Over het moment dat het EHRM hem geen gelijk gaf verklaart eiser: Ik blijf bidden tot God en vraag om Zijn aanwezigheid in mijn leven. God zegt dat het heilig lichaam er is, de heilige geest is aanwezig.

  • -

    Eiser verklaart dat hij illegaal is, geen inkomsten heeft. Maar desondanks laat God hem niet in de steek. Hij zorgt voor eisers dagelijkse leven. Hij ervaart dagelijks dat hij wordt geholpen door geloofsgenoten.

  • -

    Eiser heeft aangegeven dat hij inmiddels heeft geleerd dat christen zijn ook betekent dat je jezelf moet wegcijferen en het kruis op je schouder moet nemen. Je komt moeilijkheden tegen, maar je moet Jezus volgen. Alles wat Jezus vraagt doet hij eerst zelf en dan vraagt hij het aan ons. Zijn genade die we krijgen is grenzeloos en onvoorwaardelijk.

  • -

    Eiser geeft aan dat de psalmen belangrijk voor hem zijn. Hierin leest hij dat hij niet bang hoeft te zijn omdat God hem voor het slechte zal behoeden. Eiser geeft aan dat hij dit zelf heeft ervaren. Hij is al 14 jaar in Nederland en God heeft hem niet in de steek gelaten. Zonder God had hij het niet overleefd. Ook ervaart eiser de aanwezigheid van God. Als hij bang is voor de politie staat Hij hem bij. Eiser voelt de aanwezigheid van de Heilige Geest en de steun van God. Als hij de psalmen leest, krijgt hij hoop, rust en steun.

Eiser stelt dat hij zijn bekering en achterliggende motieven, en de geconstateerde geloofsgroei en ontwikkeling voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

5.2

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten. Eiser stelt dat hij naar de kerk gaat, de bijbel leest en bidt. Dat deed hij echter reeds in de eerdere procedures. Niet is gebleken van een wezenlijke verandering van eisers motieven voor en het proces van bekering ten opzichte van de voorafgaande procedure. Verweerder acht het niet bevreemdend dat eiser meer kennis heeft opgedaan, nu eiser voor de vierde keer zijn bekering als asielmotief aanvoert. Gelet op de verschillende beslissingen op de eerdere aanvragen, mag echter van eiser verwacht worden dat hij kan laten zien wat er nu anders is. Dat eiser naar de kerk gaat, bidt en de bijbel leest zijn geen andere of nieuwe zaken. Eiser heeft verklaard dat nu sprake is van vrede in plaats van zijn angst, vertrouwen in plaats van twijfel en voorziening in plaats van gebrek. Eiser was voor Allah niet genoeg, hij moest het als mens verdienen. Het beeld van een God als een liefhebbende Vader kende eiser niet. Verweerder stelt dat wordt overwogen dat dit geen nieuwe feiten zijn. Verwezen wordt naar de reeds genoemde uitspraak in het kader van de vijfde procedure van eiser: “Hij stelt, onder meer, dat hij vroeger bang was voor God, maar nu is hij niet meer bang omdat God liefde is. Hij weet nu dat God zijn vader is en hem niet zal straffen en slaan.” Verweerder volgt niet dat hetgeen nu over geen angst en twijfel en God als vader wordt aangevoerd, iets wezenlijks anders is dan hetgeen in de vijfde procedure is aangevoerd.

5.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder, blijkens het besluit en het daarin herhaalde voornemen, bij de beoordeling van de vraag of eiser aan zijn aanvraag nieuwe elementen of bevindingen in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw ten grondslag heeft gelegd, kennelijk als criterium heeft gehanteerd of eiser ten opzichte van de voorgaande aanvragen iets (geheel) nieuws heeft aangevoerd of dat er een wezenlijke verandering in de door hem ondernomen activiteiten heeft plaatsgevonden. Verweerder stelt immers, onder meer, dat de aangevoerde omstandigheden dat eiser naar de kerk gaat, bidt en de bijbel leest geen andere of nieuwe zaken zijn. De rechtbank overweegt daarover dat bij een (gestelde) bekering tot een andere geloofsovertuiging en, in verband daarmee, de stelling dat sindsdien een ontwikkeling heeft plaatsgevonden die geleid heeft tot een geloofsgroei, sprake is van een (doorlopend) proces waarbij bepaalde activiteiten - zoals kerkgang, bidden en het lezen van de bijbel - een constante factor blijven. In dat licht bezien is het dan ook niet vreemd dat eiser - in aanmerking genomen dat de gestelde bekering op 23 december 2007 door verweerder in een eerdere procedure niet geloofwaardig is geacht - bij de in geding zijnde opvolgende asielaanvraag waaraan opnieuw de bekering en de sindsdien plaatsgevonden geloofsontwikkeling ten grondslag is gelegd, heeft verklaard dat hij de in de eerdere procedures genoemde activiteiten heeft voortgezet. De voortzetting van de activiteiten op zich is niet aan te merken als een nieuw element. Zoals echter reeds is overwogen onder 4.1, had in het kader van artikel 30a Vw voornoemd beoordeeld moeten worden of eiser met zijn verklaringen over, onder andere, de door hem voortgezette activiteiten in het kader van de gestelde christelijke geloofsovertuiging, thans alsnog inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij tot de gestelde intensivering van de bekering is gekomen en hoe dit proces is verlopen. Ook had getoetst dienen te worden of eiser tot uiting heeft gebracht dat de gestelde keuze voor het christelijk geloof weloverwogen en welbewust is en of hij duidelijk heeft kunnen maken wat de betekenis van de gestelde geloofsovertuiging voor hem persoonlijk is. De rechtbank is van oordeel dat uit de motivering van het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat de beoordeling vanuit deze invalshoek heeft plaatsgevonden. Het lijkt er veeleer op dat gekeken is of eiser iets “nieuws” naar voren heeft gebracht, in de zin van zaken die niet tijdens de eerdere procedures naar voren zijn aangevoerd. De rechtbank concludeert daarom dat de motivering van het standpunt van verweerder dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, ondeugdelijk is. Hieruit volgt dat het standpunt van verweerder dat aan de door eiser ingebrachte documenten, zoals vermeld onder punt 2, geen betekenis toekomt omdat de verklaringen van eiser al niet toereikend zijn, evenmin deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient reeds hierom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep gegrond is.

6. In het kader van de proceseconomie overweegt de rechtbank het volgende.

6.1

De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn verklaringen afgelegd tijdens het gehoor op 30 januari 2017, alsnog inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij tot de gestelde intensivering van de bekering is gekomen en hoe dit proces is verlopen. Eiser heeft daarmee voorts voldoende tot uiting gebracht dat zijn keuze voor het christelijk geloof weloverwogen en welbewust is en hij heeft voldoende duidelijk kunnen maken wat de betekenis van de gestelde geloofsovertuiging voor hem persoonlijk is.

6.2

Met betrekking tot het gestelde proces van intensivering van de bekering en de geloofsontwikkeling heeft eiser blijkens bladzijde 4 van het gehoor verklaard dat dit uit drie aspecten bestaat: de kerkgang, het lezen van de bijbel en het bidden. Eiser heeft verklaard dat zijn geloofsgroei is veroorzaakt door zijn wekelijkse kerkbezoek, waar hij de dominee hoort praten, en door de gevolgde bijbellessen. Hij maakt zo steeds meer kennis met God en het woord van God wordt hem steeds duidelijker. Daarnaast maakt hij door zijn kerkbezoeken ook kennis met geloofsgenoten die sterk in hun geloof staan en door de met hen gevoerde gesprekken is zijn geloofskennis toegenomen en daarmee ook zijn vertrouwen in het geloof. Door het lezen van de bijbel heeft hij zijn kennis vergroot, hetgeen zijn geloof versterkt omdat hij het steeds beter begrijpt (bladzijde 6 van het gehoor). Eiser gebruikt in zijn verklaringen de metafoor dat het woord van God als melk is. Je moet het drinken om te groeien (bladzijde 4). God wordt voor hem steeds zichtbaarder en maakt zijn hart open. Eiser heeft voorts verklaard dat hij veel bidt. Voor hem is bidden immers de persoonlijke band met God. Hij bidt om zijn persoonlijke relatie met God verder te ontwikkelen.

6.3

Voorts onderscheidt de rechtbank in de verklaringen van eiser motieven die inzicht geven in de redenen van zijn keuze voor het christelijk geloof. Blijkens bladzijde 6 van het gehoor ontleent eiser aan het christelijk geloof het vertrouwen dat hij zich, ondanks de moeilijke situatie waarin hij zich in Nederland bevindt, geen zorgen hoeft te maken omdat God voor hem aanwezig is en hem niet in de steek laat. Eiser aanvaardt dat hij moeilijkheden tegenkomt, maar zijn geloof is voor hem een steun, waarop hij kan teruggrijpen. Eiser heeft hiervan ook concrete voorbeelden gegeven. Op bladzijde 5 van het gehoor heeft hij verteld dat hij in 2015, na de afwijzing van zijn asielaanvraag, in detentie zat. Hij was zeer bezorgd en ervoer dit als een zware situatie. Hij probeerde tevergeefs contact te leggen met zijn geloofsgenoten. Omdat hij zich erg eenzaam voelde, is hij gaan bidden op zijn kamer en heeft hij God gevraagd hem niet in de steek te laten. Tijdens zijn slaap had hij een droom waarin hij werd achtervolgd door mensen met messen. Hij droomde dat hij een hand op zijn schouder voelde en zag een man met witte haren en een baard. De man zei dat eiser zijn zoon was en dat hij eiser niet in de steek zou laten. Een tijd later was voor eiser een ticket naar Afghanistan geboekt ten behoeve van zijn uitzetting. Toen eiser weer later van zijn advocaat hoorde dat het EHRM had beslist dat Nederland eiser niet mocht terugsturen, zag eiser dit als een wonder van God. Naar aanleiding van deze ervaring heeft hij zijn contacten met de kerk en geloofsgenoten versterkt. Op bladzijde 6 van het gehoor vertelt eiser over nog een andere ervaring met God. Hij kreeg van de IND een pasje waardoor hij kon gaan werken. Eiser heeft vervolgens met hulp van geloofsgenoten werk gekregen bij de Christelijk Gereformeerde Kerk in [plaats 2] en dat ervaart hij als de genade van God. Eiser ervaart dat God voor zijn dagelijks leven zorgt en dat hij wordt geholpen door geloofsgenoten ziet hij als de liefde van God. Eiser heeft verklaard dat hij het zonder de aanwezigheid van God niet had overleefd. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van eiser naar voren komt dat hij zijn geloof in God direct koppelt aan zijn ervaringen in het dagelijkse leven. Ook komt daaruit naar voren dat het geloof heilzaam voor hem is.
De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij heeft gekozen voor het christelijke geloof en dat die keuze weloverwogen en bewust is gemaakt.

6.4

Uit de verklaringen van eiser blijkt voorts dat hij in 2015 individueel les heeft gekregen van zowel drs. Van ’t Spijker als van ds. Van Dalen. Voorts verricht eiser sinds 2015 nieuwe werkzaamheden in de kerk, namelijk als vertaler van kerkdiensten voor bezoekers die dezelfde taal spreken als hijzelf en als gespreksleider van de bijbelgroep voor nieuw bekeerde Afghaanse vreemdelingen (ter zitting is gebleken dat eiser hiervoor door het kerkbestuur van de Christelijk Gereformeerde Kerk in [plaats 2] is gevraagd). De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee heeft laten zien dat hij inmiddels zeer intensief is betrokken bij de door hem bezochte kerk en de daarbij horende geloofsgemeenschap.

6.5

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiser, door middel van zijn verklaringen tijdens het gehoor, aan de in geding zijnde opvolgende asielaanvraag nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd, die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van die aanvraag. De door hem genoemde werkzaamheden voor de kerk te [plaats 2] vormen eveneens nieuwe elementen en bevindingen, aangezien deze dateren van na het afwijzende besluit in de voorgaande asielprocedure.


7. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verklaringen van eiser over zijn geloofs-ontwikkeling worden ondersteund door, onder meer, in deze procedure overgelegde documenten, met name de verklaring van drs. J. van ’t Spijker van 18 november 2017, de verklaring van dr. M. Visscher van 13 januari 2017 en de verklaringen van drs. J. van ’t Spijker en ds. L. van Dalen ter zitting.

7.1

In de verklaring van drs. Van ’t Spijker van 18 november 2017 wordt – in het kort samengevat - vermeld dat eiser in de periode augustus 2015 tot en met november 2016 een maandelijks, individueel begeleidingstraject bij hem heeft gevolgd in zijn zoeken naar verdere groei in het geloof. In de gesprekken werden naar aanleiding van bijbelgedeelten onderdelen uit de geloofsinhoud besproken. Eiser gaf daarin blijk van een gevorderd geloof, en van verwerking van hetgeen besproken was. Daaruit blijkt volgens drs. Van ’t Spijker dat sprake is van een groeiende en doorgaande ontwikkeling van zijn geloof. Eiser zoekt rust in het gebed. Drs. Van ’t Spijker is ten volle overtuigd dat eiser een levend geloof bezit, waarin hij houvast en steun heeft gevonden. Eiser weet daarbij heel goed aan te geven waarom het houvast dat het geloof hem geeft, meer is dan slechts een algemeen religieus besef.

Ter zitting heeft drs. Van ’t Spijker hieraan onder meer toegevoegd dat in de kerk de regel wordt gehanteerd: “wat de mond belijdt en het leven niet tegenspreekt”. Hiermee bedoelt hij te zeggen dat de kerk van belang acht dat de geloofsgenoten niet alleen de bijbelleer kennen, maar daar in het dagelijks leven ook naar handelen. Van ’t Spijker heeft verklaard dat hij in de omgang met eiser waarneemt dat deze de genoemde regel toepast. Gevraagd naar een concreet voorbeeld heeft Van ’t Spijker verklaard dat hij wel eens aan eiser heeft gevraagd: “hoe ga je om met je vijanden ?” Eiser is immers gescheiden van zijn familie in Afghanistan. Eiser antwoordde dan dat hij ze lief heeft. Op de vraag betreffende de door eiser doorlopen asielprocedures “hoe ga je ermee om dat je keer op keer je neus stoot ?” antwoordde eiser dat hij daar heel verdrietig van wordt, maar toch gelooft hij dat God goed voor hem is. Het vertrouwen in God is een vaste lijn bij eiser, hetgeen ook terugkomt in zijn droom, aldus Van ’t Spijker ter zitting.

7.2

In de verklaring van 13 januari 2017 merkt dr. Visscher op grond van eisers dagboekaantekeningen en mentoraatgesprekken onder meer op (zie pagina 5) dat eiser zijn geloof op zijn persoonlijk leven en ervaring toepast. Als christen valt hij op in zijn gedrag, en dat heeft bij eiser ook geleid tot beledigingen en bedreigingen. Eiser weet zich daarbij gesterkt en getroost door zijn geloof om goed te blijven doen. Hij betrekt de belofte van God op zijn persoonlijk leven. Hoewel hij angst heeft weer opgepakt te worden en gevangen gezet te worden, blijft hij bidden om meer kracht en die ervaart hij dan ook. Eiser begrijpt dat je als christen niet andere mensen moet beoordelen (veroordelen) omdat Jezus dat ook niet is komen doen, maar gekomen is om mensen te redden en niet te straffen. Als christen kun je mensen helpen om God te leren kennen en Jezus te volgen. Eiser maakt gewag van rust en zekerheid voor de toekomst die Jezus Christus geeft, ook al is het nu nog moeilijk en is er pijn. Eiser benadrukt het belang van gebed om kracht te krijgen en anderen op een goede manier over Jezus Christus te vertellen. Hij beseft dat hij door de liefde van Jezus Christus en de kracht van de Heilige Geest door zijn moeilijke situatie heen kan komen en zijn leven in Gods hand kan leggen. Hij wil dat Gods plannen in zijn leven vervuld worden.

Ten aanzien van eisers geloofsontwikkeling heeft dr. Visscher vermeld dat eiser sinds zijn droom in februari 2015 een diep vertrouwen in God heeft ontwikkeld. Het accent in zijn geloofsverklaringen op handelen als christen is niet verdwenen, maar wel verbreed en verdiept in een groeiend vertrouwen op God. Dat vertrouwen is voor eiser niet enkel voortgekomen uit voornoemde droom, maar is bovenal gaan wortelen in de bijbel. Dr. Visscher betrekt daarbij dat eiser op 22 september 2016 belijdenis van geloof heeft afgelegd in de Christelijke Gereformeerde Kerk te [plaats 2] . Eiser was reeds in een pril stadium van zijn geloofsontwikkeling gedoopt in de [kerk] in [plaats 1] , een kerk die er om bekend staat dat zij mensen in een vroeg stadium dopen, waarna een onderwijstraject volgt. Dit gebeurt niet in de Christelijke Gereformeerde kerken, waar de doop van volwassenen pas plaatsvindt na het volgen van een onderwijstraject, vergelijkbaar met het onderwijs dat gedoopte jongeren volgen voorafgaande aan het afleggen van de geloofsbelijdenis. Eiser heeft sinds de (vijfde) asielaanvraag van 2 februari 2015 belijdenis van zijn geloof afgelegd op 22 september 2016, na het doorlopen van een gedegen onderwijstraject. Hieraan moet in het kader van de asielaanvraag naar de mening van de stichting Gave dezelfde waarde toegekend worden als aan een doop na het doorlopen van eenzelfde onderwijstraject.

Dr. Visscher concludeert dan ook dat eiser blijk geeft van een wezenlijke verbreding en verdieping van het christelijke geloof sinds de aanvraag van 2 februari 2015, blijkens een droom geïnitieerd en middels bijbelstudie verder geworteld vertrouwen op God en blijkens een ontwikkelde vaardigheid in het op een relevante en adequate wijze met elkaar in verband brengen van bijbelgedeelten en bijbelse gegevens. Verder concludeert hij dat eiser sinds de aanvraag van 2 februari 2015 belijdenis van zijn geloof heeft afgelegd na het doorlopen van een gedegen onderwijstraject waaraan in het kader van een asielaanvraag naar de mening van de stichting Gave dezelfde waarde toegekend dient te worden als aan een doop na he doorlopen van eenzelfde onderwijstraject.

7.3

Ds. Van Dalen heeft ter zitting verklaard - kort samengevat - dat hij eiser twee jaar kent, en dat de intensiteit van zijn geloof enorm is toegenomen en dat hij daar consequent naar handelt. In zijn optiek is dan ook geen sprake van een schijnbekering. Eiser volgt een paar keer per week bijbelstudie en geeft die ook aan andere asielzoekers. Hij vertaalt hele kerkdiensten met gezang simultaan, heet asielzoekers welkom bij diensten en is verder beschikbaar voor hulp. Verder getuigt hij van zijn geloof, hetgeen hem niet altijd in dank wordt afgenomen. Ondanks de gevaren wil hij als christen leven. Eiser bekleedt inmiddels een centrale plek binnen de kerkgemeente.

7.4

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaringen en de belijdenis van 22 september 2016, de verklaringen van eiser - zoals hiervoor besproken onder punt 6.2 tot en met 6.5 - ondersteunen. Ook in zoverre is thans sprake van nieuwe elementen of bevindingen die relevant zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Het standpunt van verweerder met betrekking tot de geloofsbelijdenis, namelijk dat niet is toegelicht waarom dit “een nieuw feit” is, miskent hetgeen in de verklaring van 13 januari 2017 van dr. Visscher over de belijdenis en de betekenis daarvan in het onderhavige geval is vermeld.

7.5

De aanvraag van eiser is ten onrechte met toepassing van artikel 30a Vw niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder zal bij het nemen van een nieuw besluit op de aanvraag van eiser moeten uitgaan van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en zal overeenkomstig de Werkinstructie 2014/10 moeten beoordelen of de vermoedens van eiser over wat hem bij terugkeer naar Afghanistan zal overkomen aannemelijk zijn, en of de geloofwaardige relevante elementen en de daarmee verbonden aannemelijke vermoedens van een zodanig gewicht zijn, dat ze moeten worden gekwalificeerd als gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank sluit daarbij niet uit dat eiser hierover eerst aanvullend gehoord zal moeten worden, aangezien dit onderwerp niet is besproken tijdens het gehoor op 30 januari 2017.

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

9. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

11. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 495,- (1 punt voor de voorlopige voorziening, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-;

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. N.O.P. Roché, rechter, tevens voorzieningenrechter in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.