Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2058

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
16/24268
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Irak

- asielrelaas deels ongeloofwaardig

- gedwongen rekrutering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/24268
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. K. Yousef,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 oktober 2016 (het bestreden besluit), waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig C. Atrushi, tolk Arabisch. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Iraakse nationaliteit te bezitten. Op 23 oktober 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft aan zijn aanvraag problemen ten grondslag gelegd die zich achtereenvolgens op 6 mei 2015 en 18 september 2015 hebben voorgedaan en waarvoor hij de sji’itische militie Asaib Ahl al-Haq (AAH) verantwoordelijk houdt. Verder vreest eiser gedwongen gerekruteerd te worden door deze militie.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser aannemelijk. Ook acht verweerder aannemelijk dat eiser op 6 mei 2015 door drie onbekende mannen is geslagen en dat de decaan eiser daarna heeft opgedragen om niet langer met drie dames om te gaan. Ten slotte acht verweerder geloofwaardig dat eiser niet is toegelaten tot het tweede studiejaar. Volgens verweerder is eisers vermoeden dat dit laatste te maken heeft met eisers problemen met de decaan en dat de AAH-militie hier achter zit echter ongefundeerd. Eisers verklaringen met betrekking tot de gebeurtenissen van 18 september 2015 acht verweerder eveneens ongeloofwaardig.

3. Eiser heeft in beroep gesteld dat zijn relaas ten onrechte gedeeltelijk ongeloofwaardig is bevonden. Eiser studeerde aan de universiteit Al-Mustansiriy in Bagdad, die een strenge gedragscode kent en die volgens hem gelieerd is aan de AAH-militie. De decaan heeft verhinderd dat eiser tot het tweede studiejaar werd toegelaten. Verder vreest eiser gedwongen gerekruteerd te worden door de AAH-militie.

4. In artikel 29, eerste lid, van de (Vw) is bepaald dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die (a) verdragsvluchteling is of (b) die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade zoals in dat artikel omschreven.


Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is, voor zover eiser de weigering om te worden toegelaten tot het tweede studiejaar in verband brengt met de AAH-militie, en voor zover eisers relaas betrekking heeft op de gestelde gebeurtenissen op 18 september 2015.

6. Eisers stelling dat hij op last van de aan de AAH-militie gelieerde decaan niet tot het tweede studiejaar aan de universiteit is toegelaten, heeft hij niet alsnog aannemelijk gemaakt. Uit de door eiser overgelegde informatie van het Human Rights Committee (HRC) van 9 april 2015 blijkt immers dat de Al-Mustansiriya universiteit binnen de invloedssfeer van de Sadr Group valt. Dit is in tegenspraak met eisers stelling dat de universiteit gelieerd is aan de AAH-militie. Eisers stelling dat de AAH-militie en de Sadr Group dezelfde milities betreffen, volgt de rechtbank niet. Uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Irak van november 2016 blijkt dat beide milities verschillende bewegingen zijn. Eisers verklaring ter zitting dat de voornoemde informatie van het HRC van 9 april 2015 niet klopt, omdat de situatie op de universiteit in 2014 is gewijzigd, is niet nader onderbouwd en wordt daarom evenmin gevolgd.

7. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht verwezen naar het voornemen, waarin uitvoerig is gemotiveerd waarom eisers verklaringen over de gestelde problemen op 18 september 2015, waaronder de gestelde inval in de woning van eiser, niet worden geloofd. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de AAH-militie eiser zoekt als getuige van een door hen gepleegde bomaanslag. In beroep heeft eiser niets aangevoerd tegen de beoordeling van dit element.

De ter onderbouwing van eisers standpunt overgelegde foto, waarop eisers ouderlijk huis te zien zou zijn en waaruit zou moeten blijken dat de woning is ingenomen door de militie, maakt eisers verklaringen dan niet alsnog aannemelijk.

8. De in beroep door eiser overgelegde kopie van een dreigbrief van de AAH-militie kan naar het oordeel van de rechtbank niet dienen ter onderbouwing van eisers standpunt. Allereerst is de authenticiteit van deze brief niet vastgesteld. De brief is verder gedateerd op 15 januari 2016. Het bestaan van de brief is echter tijdens het nader gehoor, noch in de correcties en aanvullingen en evenmin in de zienswijze van 3 juli 2016 vermeld. Ter zitting heeft eiser desgevraagd hierover slechts verklaard dat hij de brief na het gehoor van 30 juni 2016 via een vriend in zijn bezit heeft gekregen. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank nog niet aannemelijk gemaakt dat hij dit document niet eerder had kunnen overleggen. Ten slotte laat de dreigbrief de ongeloofwaardigheid van de gestelde problemen met de militie onverlet.

9. Eisers gestelde vrees voor gedwongen rekrutering door de AAH-militie is eveneens eerst in beroep naar voren gebracht. Eiser heeft over een persoonlijke vrees in dit verband niets verklaard tijdens het nader gehoor of in de correcties en aanvullingen. Tijdens het nader gehoor heeft hij slechts verklaard dat zijn studievriend [naam] betrokken was bij een organisatie die studenten werft voor milities. In de zienswijze zijn slechts opmerkingen gemaakt over het dragen van uniformen bij festivals op de universiteit. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van eiser gelegen, nu hij stelt dat dit element een wezenlijk onderdeel van zijn vluchtrelaas vormt, hier in een eerder stadium aandacht voor te vragen. Daarbij komt dat uit het Ambtsbericht Veiligheidssituatie in Irak van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 oktober 2015, blijkt dat het de sji’itische milities niet aan vrijwilligers ontbreekt en dat er geen berichten zijn dat er sprake zou zijn van gedwongen rekrutering. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers vrees op dit punt niet geloofwaardig is. De in beroep ter ondersteuning van eisers standpunt overgelegde foto’s van eiser in militaire kleding maken de gestelde vrees voor gedwongen rekrutering niet alsnog aannemelijk.

10. Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.