Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2054

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3713
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Dublin Frankrijk

- registertolk

- artikel 28 lid 3 Wbtv

- voldoende motivering

- AIDA-rapport

- ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/3713

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. M. Pals,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J. van Raak.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak AWB 17/3714, plaatsgevonden op 1 maart 2017. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de in artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) neergelegde afnameplicht door bij het aanmeldgehoor Dublin geen gebruik te maken van een beëdigde tolk (registertolk).

2. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting gemotiveerd uiteengezet waarom geen gebruik is gemaakt van een registertolk. Uit de aard en de termijnen van de Dublin-procedure volgt dat is voldaan aan de voorwaarde van vereiste spoed zoals bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wbtv ( zie de uitspraak van deAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:891). Ter nadere onderbouwing heeft verweerder nog gewezen op preambule 5 van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Hieruit blijkt dat de lidstaten met name snel moet kunnen vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen. Uit de brief van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer (kamerstuk 19637, nr. 2086) van 27 november 2015 over het “sporenbeleid” blijkt dat de IND in een vroeg stadium (aanmeldfase) bepaalt welke procedure (spoor) wordt gevolgd voor de asielaanvraag. De kansrijkheid van de asielaanvraag wordt onderkend en de te volgen procedure gekozen, een en ander ná identificatie en registratie. Het proces van identificatie en registratie is zeer van belang om te voorkomen dat vreemdelingen met bijvoorbeeld een 1F-verdenking, kwade intenties of mogelijk onjuiste motieven eenvoudig instromen in onze asielprocedure. Als voorbeeld van evident kansarme asielaanvragen die snel kunnen worden behandeld en afgewezen, waarna kan worden ingezet op terugkeer, worden de Dublin-claimanten genoemd. Tenslotte heeft verweerder gewezen op het belang om asielzoekers direct bij of kort na de eerste aanmelding te screenen. In dit verband is verwezen naar de Nota van Toelichting bij het Besluit van 17 februari 2016 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit (Staatsblad 2016; 87, bladzijde 9). Hieruit blijkt dat de IND in de aanmeldfase een screening verricht in het kader van identiteitsfraude, mensensmokkel/ mensenhandel, visum(-fraude) en oorlogsmisdrijven/ nationale veiligheid. Uitgangspunt is dat de (IND-)screening voor alle dossiers plaatsvindt binnen maximaal 14 dagen na eerste aanmelding.

3. De rechtbank stelt vast dat op het voorblad van het aanmeldgehoor Dublin is aangegeven dat geen gebruik is gemaakt van een registertolk in de taal Tigrinya, omdat in deze taal niet tijdig een registertolk beschikbaar was. Blijkens het verslag van het aanmeldgehoor heeft eiseres desgevraagd meegedeeld de tolk goed te verstaan en te begrijpen. Eiseres heeft pas in haar gronden van beroep melding gemaakt van het gebruik van een niet-registertolk en gesteld dat gehandeld is in strijd met artikel 28 van de Wbtv, omdat de afwijking van de verplichting om gebruik te maken van een geregistreerde tolk niet voldoende is gemotiveerd.

Gelet op het verweerschrift en de nadere aanvulling ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat verweerder alsnog voldoende gemotiveerd heeft waarom er voor is gekozen het aanmeldgehoor doorgang te laten vinden zonder gebruik te maken van een registertolk. Gegeven de omstandigheid dat eiseres pas in de beroepsfase heeft geklaagd over een schending van artikel 28 van de Wbtv kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet worden tegengeworpen dat de in het aanmeldgehoor opgenomen motivering als onvoldoende moet gelden.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

4. Eiseres is van Eritrese nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum]. Op 22 november 2016 heeft zij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in European Visa Information System (EU-Vis) is gebleken dat door de Franse vertegenwoordiging in Djouba (Zuid-Soedan) aan eiseres een Schengenvisum is verleend, geldig van 10 september 2016 tot 9 september 2019. Op 13 januari 2017 heeft verweerder de Franse autoriteiten verzocht de behandeling van de aanvraag over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening). De Franse autoriteiten hebben het verzoek op 24 januari 2017 geaccepteerd. Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag.

5. Ten aanzien van de stelling dat eiseres geen weet had van de visumaanvraag en zij nooit een paspoort heeft aangevraagd en gehad, overweegt de rechtbank als volgt. Nu eiseres door de Franse autoriteiten in het bezit is gesteld van een Schengenvisum en gezien het feit dat de Franse autoriteiten akkoord zijn gegaan met de overname van eiseres, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek. Dat het visum en het paspoort door de reisagent zijn geregeld en het paspoort volgens eiseres mogelijk vals is, doet hieraan niet af gelet op het bepaalde in artikel 12, vijfde lid, van de Dublinverordening.

6. Eiseres heeft vervolgens gesteld dat ten aanzien van Frankrijk niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het ‘AIDA Country Report: France’ van 2015 blijkt dat veel personen die in het kader van een Dublin-procedure terugkeren naar Frankrijk op straat of in detentie terechtkomen.

7. Frankrijk is evenals Nederland partij bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Vluchtelingenverdrag. Verweerder mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Frankrijk zich aan genoemde verdragen houden. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet zo is. Eiseres is daarin niet geslaagd. De stukken waarop eiseres zich beroept kunnen niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:411). Gesteld noch gebleken is dat de situatie na de uitspraak van de Afdeling wezenlijk is verslechterd.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: