Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2053

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
16/23866
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Eritrea

- mvv-nareis

- feitelijke gezinsband niet aannemelijk

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/23866

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. M.S. Yap,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Petsch.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 september 2016 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens waren ter zitting aanwezig [referent], referent, en T. Tzegai, tolk in de taal Tigrinya. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Eritrese nationaliteit. Eiseres is traditioneel gehuwd met referent. Bij besluit van 9 september 2014 heeft verweerder aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, met ingang van 5 mei 2014 en geldig tot 5 mei 2019. Op 3 oktober 2014 heeft referent namens eiseres een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis ingediend. Bij besluit van 4 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder die aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het traditionele huwelijk, omdat het niet bij de Eritrese autoriteiten is geregistreerd, wordt aangemerkt als een partnerschapsrelatie. Om als partner in het bezit te worden gesteld van de gevraagde mvv is vereist dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie die in voldoende mate gelijk te stellen is aan een wettelijk huwelijk. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat daar in dit geval geen sprake van is.

3. Eiseres heeft in beroep betoogd dat er sprake is van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. Subsidiair heeft eiseres betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een partnerschapsrelatie. Voorts heeft eiseres informatie overgelegd over haar medische situatie. Zij wenst te worden herenigd met referent, zodat hij voor haar kan zorgen. Tot slot heeft zij betoogd dat de hoorplicht is geschonden.

4. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit rechtens juist is. Verweerder voegt daaraan toe dat ook als er sprake zou zijn van een rechtsgeldig huwelijk, hiermee nog niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres feitelijk tot het gezin van referent heeft behoord. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de medische omstandigheden van eiseres buiten het toetsingskader van het nareisbeleid vallen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of als meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin; (…).

6. In paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is bepaald dat de Immigratie en Naturalisatie Dienst de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, van de Vw 2000 verleent, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner vóór binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is.

7. De rechtbank stelt vast dat uit voormeld artikel in combinatie met het beleid volgt dat ook als er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, eiseres aannemelijk moet maken dat zij in Eritrea feitelijk tot het gezin van referent heeft behoord en dat die gezinsband niet verbroken is.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent. Eiseres heeft verklaard dat zij is uitgehuwelijkt en dat zij voor het huwelijk nooit eerder contact heeft gehad met referent. Na het huwelijk zijn zij een maand samen in het huis van de ouders van referent verbleven. Na deze periode, de wittebroodsweken, is eiseres weer teruggekeerd naar haar eigen familie, is eiser na ongeveer twee à drie maanden vertrokken uit Eritrea en hebben eiseres en referent elkaar niet meer gezien, gedurende een periode van inmiddels drie jaar. Feitelijk is eiseres dus blijven behoren tot het gezin van haar ouders. Dat het in Eritrea traditie is om de wittebroodsweken in het ouderlijk huis van de man door te brengen waarna de vrouw weer terugkeert naar haar ouderlijk huis om later met de man te gaan samenwonen, kan aan het voorgaande niet afdoen.

9. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een feitelijke gezinsband tussen haar en referent, komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of er sprake is van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. De beroepsgronden die eiseres in dit kader heeft aangevoerd, worden daarom niet besproken.

10. Voor zover eiseres met de in beroep overgelegde medische stukken heeft willen betogen dat zij dermate afhankelijk is van referent dat er sprake is van een gezinsband, overweegt de rechtbank dat met deze stukken niet is aangetoond dat op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland sprake was van een feitelijke gezinsband. De beroepsgrond faalt.

11. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van schending van de hoorplicht. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en de daartegen gerichte bezwaargronden, mocht verweerder het bezwaar als kennelijk ongegrond aanmerken. Verweerder heeft daarom af mogen zien van het horen in bezwaar.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: