Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2029

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
NL17.470 en NL17.471
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft geen gebruik gemaakt van de aan de rechtbank op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toekomende bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het niet tijdig indienen van de gronden van beroep. Daartoe is redengevend dat KEI momenteel nog in een experimentele fase zit, waaraan de advocatuur op vrijwillige basis meedoet, zoals ook in deze zaak het geval is. In deze, nog onverplichte, testfase van het elektronisch procederen vindt de rechtbank aanleiding in verband met de gewenning aan de nieuwe procedure en de daarmee samenhangende toegenomen kans op fouten, de overschrijding van de gestelde termijn voor de indiening van de beroepsgronden met één dag verschoonbaar te achten. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verweerder niet is belemmerd in zijn mogelijkheden om op de beroepsgronden te reageren en dat de duur van de procedure door de gang van zaken niet is beïnvloed.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 30
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.470 (beroep)

NL17.471 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 27 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Soedanese nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen: eiser,

(gemachtigde: mr. J.A. Younge, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

De rechtbank heeft partijen op 9 februari 2017 verzocht ter zitting in te gaan op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch (ECLI:NL:RBDHA:2017:1160) omdat eiser de gronden niet uiterlijk op 7 februari 2017 heeft ingediend, maar pas op 8 februari 2017.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft, nadat partijen zich over de ontvankelijkheid hebben kunnen uitlaten de zitting voor korte tijd onderbroken voor beraad. Na hervatting van de zitting heeft de rechtbank meegedeeld geen gebruik te maken van de aan de rechtbank op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toekomende bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het niet tijdig indienen van de gronden van beroep. Daartoe is redengevend dat KEI momenteel nog in een experimentele fase zit, waaraan de advocatuur op vrijwillige basis meedoet, zoals ook in deze zaak het geval is. In deze, nog onverplichte, testfase van het elektronisch procederen vindt de rechtbank aanleiding in verband met de gewenning aan de nieuwe procedure en de daarmee samenhangende toegenomen kans op fouten, de overschrijding van de gestelde termijn voor de indiening van de beroepsgronden met één dag verschoonbaar te achten. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verweerder niet is belemmerd in zijn mogelijkheden om op de beroepsgronden te reageren en dat de duur van de procedure door de gang van zaken niet is beïnvloed.

Overwegingen

  1. Op grond van artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van Verordening (EG) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

  2. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 31 oktober 2016 verzocht eiser over te nemen. Italië heeft niet tijdig gereageerd op het overnameverzoek. Op grond van artikel 22, zevende lid, Verordening staat dit gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek.

  3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling ervan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval ten aanzien van Italië niet (langer) uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In hetgeen eiser heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om de aanvraag van eiser, met toepassing van artikel 17 Verordening, in Nederland in behandeling te nemen.

  4. Eiser voert aan dat verweerder Italië verantwoordelijk acht, omdat de Italiaanse autoriteiten niet tijdig op het claimverzoek hebben gereageerd. Zoals in de zienswijze naar voren is gebracht, zijn de Italiaanse autoriteiten helemaal niet in staat tijdig te reageren en heeft eiser in Italië helemaal geen asiel aangevraagd of willen vragen. Om die reden is Italië ook niet verantwoordelijk te stellen voor het in behandeling nemen van zijn asielverzoek. Voort heeft verweerder prematuur een voornemen uitgebracht en is er daarbij kennelijk van uitgegaan dat Italië niet tijdig zou reageren of dat zelfs als Italië zou weigeren, daaraan voorbij gegaan zou kunnen worden. Dit is in strijd met het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij immers eveneens op de verzoekende staat de verplichting geacht mag worden te liggen om de aangezochte staat de gelegenheid te geven de claim op zijn merites te onderzoeken. Verweerder is ervan op de hoogte dat in Italië zulke grote aantallen vluchtelingen aankomen dat het land hulp van de andere landen van de EU nodig heeft om ze zelfs maar binnen redelijke tijd te kunnen registreren, laat staan dat er sprake kan zijn van het in behandeling nemen van asielverzoeken.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 22, zevende lid, Verordening het zonder reactie laten verstrijken van de reactietermijn door de aangezochte lidstaat gelijk staat met aanvaarding van het overnameverzoek met de verplichting om de persoon over te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst. Dat de Italiaanse autoriteiten niet in staat zouden zijn om tijdig te reageren en Italië daarom niet verantwoordelijk is voor het in behandeling nemen van het asielverzoek, wordt daarom niet gevolgd. Evenmin is sprake van een prematuur uitgebracht voornemen. Indien de Italiaanse autoriteiten het overnameverzoek na het uitbrengen van het voornemen hadden geweigerd, kon dit door verweerder worden meegenomen in het bestreden besluit. Hetgeen eiser aanvoert, faalt daarom.

5. Eiser betoogt verder dat, voor zover verweerder stelt dat Italië zich houdt aan de voorschriften van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) (hierna: de Opvangrichtlijn), dit niet het geval is. Daarvoor zijn de aantallen vluchtelingen en migranten die de laatste jaren de kusten van Italië hebben bereikt, te groot. Op grond van diverse openbare bronnen is de conclusie gerechtvaardigd dat een limiet is bereikt aan de opvangcapaciteiten van Italië. Voor eiser dreigt daardoor een situatie die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarvoor wordt onder meer verwezen naar een verslag van Artsen zonder Grenzen van maart 2016, getiteld “Out of Sight. Asylum seekers and refugees in Italy: informal settlements and social marginalization”. Hieruit blijkt dat van de 153.842 gearriveerden er slechts 19.715 personen in de reguliere opvang zijn ontvangen en 76.683 in de noodopvang. Een negatief saldo van 57.444 personen die derhalve hun heil in ‘informal settlements’ moesten zoeken. Uit de foto’s in het rapport wordt duidelijk dat daarbij sprake is van onmenselijke en vernederende omstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 EVRM. Ook wordt verwezen naar een verslag van Human Rights Watch (HRW) over 2016, getiteld: “World report 2017 – European Union”, waaruit blijkt dat in de periode tot medio november 2016 in totaal 164.695 vluchtelingen en migranten de Italiaanse kusten bereikten. Aannemelijk is dat door de toename van de aantallen personen alleen al, de onmenselijkheid van de opvang eveneens is toegenomen. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser niet in een dergelijke omstandigheid terecht zal komen nu Italië de claim accepteert. Dat kan verweerder echter niet, omdat deze uitgaat van de juridische fictie dat Italië verantwoordelijk is en zich dus aan de richtlijnen zal houden. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser, indien hij in onacceptabele omstandigheden terecht komt, zich daarover in Italië moet beklagen. Eiser wijst op informatie van schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van augustus 2016, getiteld: “Aufnahmebedingungen in Italien. Zur aktuellen Situation von Asylsuchenden und Schutzberechtigten, insbesondere Dublin-Rück-kehrenden in Italien”. Hieruit blijkt dat niet alleen de implementatie van de toepasselijke richtlijnen gebrekkig is, maar ook dat (juridische en praktische) ondersteuning voor procedures daarover in de praktijk niet beschikbaar is. Tegelijkertijd is de procedure bij de Europese Commissie wegens het niet voldoen aan de verplichtingen tijdrovend en omslachtig, waardoor deze niet tot nauwelijks tot het eind wordt gevoerd. Een belangrijke hindernis is dat gratis rechtsbijstand wordt geweigerd indien niet een door het consulaat van het land van herkomst afgegeven verklaring omtrent inkomen is overgelegd. SFH concludeert dan ook dat deze hindernis nauwelijks te overkomen is. Met andere woorden, over strijd met de richtlijnen bij opvang en asielprocedure kan een asielzoeker zich in Italië vrijwel niet beklagen.

5.1

Verweerder heeft zich (samengevat) onder verwijzing naar onder meer een beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 oktober 2016 inzake J. Ali en anderen tegen Zwitserland en Italië (applnr. 30474/14) op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De opvangsituatie in Italië is zijn algemeenheid niet van dien aard dat deze in de weg staat aan de overdracht aan Italië en evenmin is gebleken dat overdracht van de vreemdeling naar Italië in strijd is met artikel 3 EVRM.

5.2

De rechtbank stelt voorop dat het niet aan verweerder is om aannemelijk te maken dat eiser niet in onmenselijke omstandigheden in Italië zal moeten verblijven, maar dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
Uit het arrest Tarakhel, de beslissingen en uitspraken van het EHRM van 4 oktober 2016 in de zaak Ali tegen Zwitserland en Italië, van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:2015:1103DEC002145914), van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC000586813) en van 13 september 2016 (F.M. en anderen tegen Denemarken, 20159/16), en de uitspraken van de Afdeling van 27 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2791), 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2122), 27 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2163) en 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278), volgt dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 EVRM strijdige situatie.
Het door eiser aangehaalde rapport van SFH van augustus 2016 is niet in de meest recente jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling aan de orde geweest. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit dit rapport echter geen wezenlijk ander beeld naar voren dan in de uitspraken van het EHRM en de Afdeling is geschetst. De algemene situatie en de leefomstandigheden van asielzoekers in Italië kennen weliswaar tekortkomingen, maar ook met inachtneming van de toegenomen stroom vluchtelingen is nog geen sprake van zodanige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. Voorts bestaan er weliswaar zorgen over de toegang tot de asielprocedure en rechtshulp, de mogelijkheid tot het effectief gebruik maken van rechtsmiddelen en de aanwezige rechtsbescherming, maar uit het rapport van SFH kan niet worden opgemaakt dat de rechtshulpverlening aan Dublinclaimanten of de aanwezige rechtsbescherming zodanig slecht is, dan wel dat het risico op refoulement zonder de mogelijkheid van een voorafgaand effectief rechtsmiddel zodanig groot is, dat er sprake is van dergelijke tekortkomingen. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert verder aan, zoals ook in de zienswijze naar voren is gebracht, dat Italië het refoulementverbod van artikel 33 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) heeft geschonden door Soedanese vluchtelingen uit te zetten naar Soedan. Eiser verwijst in dit verband naar een bericht van Quartz Africa, getiteld “Return to sender. Italy has forcibly deported Darfur migrants back to Sudan” van 2 september 2016 en het bericht van express.co.uk, getiteld “Italy reaches breaking point: Rome sending migrants back to Sudan on private jets. Italy has started to send migrants back to Sudan on specially chartered flights, with 48 already deported” van 25 augustus 2016. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Italië hetzelfde risico loopt.

6.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de inhoud van de overgelegde berichten over de 48 uitgezette Soedanezen niet blijkt dat het Dublinclaimanten betreft, zodat eiser reeds daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Italië in zijn situatie niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgrond faalt daarom.

7. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich -met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 EVRM.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om voorlopige voorziening

10. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

11. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.