Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2028

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
16/17257
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Irak

- ongeloofwaardig relaas

- vestigingsalternatief Bagdad

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/17257

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. N.M. Weteling,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde M. Petsch.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 september 2016 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig H. Aziz, tolk in de taal Koerdisch (Sorani). Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 26 september 2006 heeft eiser een eerste aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij aan het werk was in zijn eigen garagebedrijf in Kirkuk, toen hem op 22 juli 2006 door gewapende mannen is gevraagd een kist in hun auto te monteren. Volgens eiser ging het om terroristen die met de auto een bomaanslag wilden plegen. Eiser wilde hier niet aan meewerken en is uit vrees voor deze mannen gevlucht. Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het relaas niet geloofwaardig is. Bij uitspraak van 20 oktober 2006 (ECLI:NL:RBASS:2006:245) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Assen, het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. Op 16 maart 2007 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft hij zijn identiteitskaart, een proces-verbaal van aangifte, een brief aan de onderzoeksrechter en een arrestatiebevel overgelegd om zijn relaas alsnog aannemelijk te maken. Bij besluit van 6 september 2007 heeft verweerder aan eiser op grond van het destijds gevoerde categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Per 22 november 2008 heeft verweerder voornoemd beleid beëindigd. Bij besluit van 6 december 2010 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel per 22 november 2008 ingetrokken en zich op het standpunt gesteld dat eiser met de overgelegde documenten zijn relaas niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Bij uitspraak van 11 augustus 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:18084) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 september 2012 (201109709/1/V1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het daartegen door eiser ingestelde hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.

3. Op 31 oktober 2014 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Op 14 januari 2012 is eiser teruggekeerd naar Irak. Hij heeft in Kirkuk gewerkt voor een autoschadebedrijf voor een werkgever, [werkgever], en is tijdens zijn werk op 12 februari 2012 beschoten, naar hij vermoedt door dezelfde belagers als in 2006. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan, maar hij voelde zich niet veilig in Irak en is daarom, op 19 februari 2012, teruggekeerd naar Nederland.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals deze bepaling luidde voor 20 juli 2015. Verweerder acht eisers verklaringen niet geloofwaardig. De door eiser overgelegde documenten kunnen niet tot een andere conclusie leiden. Eiser is afkomstig uit [provincie], een provincie die in het beleid van verweerder is aangewezen als een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU, geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3 van de Vw. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat er voor eiser sprake is van een vestigingsalternatief in de stad Bagdad.

5. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. Eiser heeft in beroep betoogd dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij lange tijd illegaal in Nederland heeft verbleven alvorens een asielaanvraag in te dienen. Dat eiser een meldplicht had en dus bekend was bij de Nederlandse autoriteiten en dat zijn toenmalige gemachtigde hem heeft geadviseerd geen asielaanvraag in te dienen, is naar het oordeel van de rechtbank echter geen afdoende verklaring voor de late aanmelding.

7. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat eisers verklaringen niet geloofwaardig zijn, onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Ten eerste is het opvallend dat eiser stelt dat hij vanwege het incident bij het autoschadebedrijf al op 19 februari 2012 uit Irak is gevlucht en naar Nederland is teruggekeerd, maar dat hij pas op 31 oktober 2014 een asielaanvraag heeft ingediend. Dat zijn toenmalige gemachtigde hem destijds heeft afgeraden een aanvraag in te dienen omdat er nog geen nieuw beleid voor Iraakse asielzoekers was, vormt geen afdoende verklaring. Ten tweede grijpt betrokkene in zijn verklaringen terug op zijn eerste asielrelaas, waarvan in rechte vaststaat dat dit ongeloofwaardig is. Zijn nieuwe verklaringen geven geen aanleiding om van die conclusie terug te komen. Ook valt niet in te zien dat eisers belagers, die het na zes jaar nog steeds op eiser gemunt zouden hebben, het zouden laten bij een enkele beschieting. Voorts vermoedt eiser slechts dat de beschieting op hem gericht was en niet op [werkgever] of het autoschadebedrijf. Tot slot is het niet geloofwaardig dat eiser het bedrijf heeft verlaten zonder nog contact op te nemen met [werkgever] en dat hij na zijn vertrek uit Irak nooit meer bij [werkgever] of zijn familie navraag heeft gedaan naar zijn gestelde belagers.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met voormelde motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen niet geloofwaardig zijn.

9.
Ten aanzien van de documenten die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft de volgende documenten overgelegd: een proces-verbaal van aangifte van 12 februari 2012, een verklaring van de politie kapitein aan de onderzoeksrechter van 12 februari 2012, een getuigenverklaring van 12 februari 2012, twee verzoeken aan de onderzoeksrechter van 13 februari 2012 en een verklaring van de Iraakse ambassade in Den Haag van 17 februari 2015 dat voornoemde documenten niet gelegaliseerd kunnen worden. De Koninklijke Marechaussee (KMar) heeft in een verklaring van onderzoek van 7 oktober 2014 geconcludeerd geen uitspraak te kunnen doen over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud van de documenten wegens het ontbreken van vergelijkingsmateriaal. Eiser heeft in beroep gesteld dat hij heeft getracht een deskundige te vinden die de echtheid van de documenten kan onderzoeken, maar dat hij deze niet heeft kunnen vinden. Verweerder had hem dan ook het voordeel van de twijfel moeten gunnen, conform artikel 31, zesde lid, van de Vw. Subsidiair verzoekt eiser de rechtbank een deskundige te benoemen.

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde documenten geen waarde hebben voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Zelfs als de documenten echt worden bevonden, kunnen deze, gelet op hun inhoud, niet afdoen aan de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen. De documenten geven slechts de verklaringen weer zoals eiser die bij de politie zou hebben afgelegd. Bovendien komen ze op sommige punten niet overeen met eisers verklaringen zoals hij die in de asielprocedure heeft afgelegd. Aan de verklaring van de Iraakse ambassade kan ook niet de waarde worden toegekend die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Hieruit blijkt slechts dat eiser documenten op de ambassade heeft laten zien, dat deze afkomstig zijn van een rechtbank in Kirkuk en dat deze niet gelegaliseerd kunnen worden.
Omdat verweerder zijn standpunt niet slechts gebaseerd heeft op het documentenonderzoek van de KMar, maar een inhoudelijk standpunt over de documenten heeft ingenomen, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen om de echtheid van de documenten vast te stellen.

11. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij behoort tot een van de groepen genoemd in paragraaf C7/13.4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Bovendien is er, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen sprake van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen zoals bedoeld in paragraaf C2/3.3 van de Vc. Dat betekent dat zelfs als eiser zou behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep, dit niet tot vergunningverlening had geleid.

12. Tot slot staat ter beoordeling of verweerder eiser terecht een vestigingsalternatief in de stad Bagdad heeft tegengeworpen.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in de stad Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw (artikel 15c-situatie). In de door verweerder genoemde uitspraak van 30 oktober 2015 heeft het Upper Tribunal uitgebreid gemotiveerd dat het geweldsniveau in de stad Bagdad niet het niveau van een artikel 15c-situatie haalt. Hoewel uit de stukken waarnaar eiser in de zienswijze en de beroepsgronden verwijst, blijkt dat de situatie in de stad Bagdad ernstig is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om tot een andere conclusie te komen, omdat niet is gebleken van een significante verslechtering ten opzichte van de situatie beoordeeld in voormelde uitspraak van het Britse Upper Tribunal. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat uit het algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Irak van november 2016 (ambtsbericht) volgt dat de veiligheidssituatie in Bagdad (stad en provincie) in de verslagperiode oktober 2015-september 2016 niet significant is veranderd.

14. Ten aanzien van eisers betoog dat hij als Soenniet, Koerd, verwesterd en ontheemd persoon in de stad Bagdad een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), verwijst de rechtbank allereerst naar de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3083, ECLI:NL:RVS:2016:3084 en ECLI:NL:RVS:2016:3085). De Afdeling heeft in deze uitspraken onder meer geoordeeld dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat soennieten in de stad Bagdad niet systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit door eiser overgelegde stukken (onder andere het ambtsbericht en een rapport van UNHCR van november 2016) niet van een significante verslechtering van de situatie voor Soennieten in de stad Bagdad. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de door eiser overgelegde (nieuws)berichten over Koerden in de stad Bagdad, niet blijkt dat deze groep systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Dat, zoals uit deze berichten blijkt, sinds 2003 meer dan 40% van de Koerdische bevolking de stad Bagdad heeft verlaten, dat zij bedreigd worden door sjiitische milities en worden gedwongen de stad te verlaten, is daartoe onvoldoende. Met betrekking tot zijn gestelde verwestering heeft eiser met name gewezen op het ambtsbericht, specifiek bladzijdes 67 en 76. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit niet dat eiser vanwege zijn verblijf in het buitenland dusdanig zal opvallen dat er sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

15. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de stukken die eiser heeft overgelegd met betrekking tot de situatie van ontheemden in de stad Bagdad, met name zien op de toegang tot de stad. In voornoemde uitspraken van 21 november 2016 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder terecht heeft overwogen dat vreemdelingen toegang hebben tot de stad Bagdad, nu uit de informatie van het UNHCR volgt dat Iraakse burgers vanuit het buitenland met een laissez-passer via Bagdad International Airport naar Irak kunnen terugkeren en via het vliegveld toegang tot de stad hebben. Voor zover er toegangseisen gelden, zoals het beschikken over een sponsor in de stad, heeft de Afdeling overwogen dat, voor zover voor langduriger verblijf administratieve handelingen zijn vereist, dit geen onoverkomelijke eisen zijn. In de door eiser overgelegde stukken ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

16. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in de stad Bagdad vestigt. In dit verband spelen, zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3083), alleen sociaaleconomische factoren en de in dat kader relevante individuele kenmerken een rol en wordt niet nogmaals, aan de hand van een lagere maatstaf, beoordeeld of eiser daar veilig kan verblijven. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser een man is, Arabisch spreekt, beschikt over een identiteitskaart en in staat is gebleken in Irak in zijn levensonderhoud te voorzien. Eisers stelling dat Arabisch niet zijn moedertaal is, is onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden, nu hiermee niet aannemelijk is gemaakt dat hij de taal zo slecht spreekt dat hij zich niet zou kunnen handhaven in de stad Bagdad. Ook eisers stelling dat hij niet meer over zijn identiteitskaart beschikt, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu hij niet heeft aangetoond dat hij niet meer over deze identiteitskaart beschikt dan wel geen nieuwe identiteitskaart zou kunnen verkrijgen.

17. Nu eiser in de stad Bagdad geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, hij toegang heeft tot de stad en redelijkerwijs van hem verwacht mag worden dat hij zich daar vestigt, heeft verweerder eiser terecht een vestigingsalternatief in de stad Bagdad tegengeworpen.

18. Het beroep is ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: