Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1921

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 15497
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Uganda

Beroep gegrond.

Overgangsrecht.

Produrerichtlijn.

Beoordeling volgens wetgeving van voor 20 juli 2015.

Rechtsgevolgen vernietigde besluit in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/15497

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 februari 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. M.J. Paffen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 7 oktober 2016 een reactie op het beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2016 te Breda.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.B. Rutagengwa, tolk in de Luganda taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is van Ugandese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 6 februari 2009 een asielaanvraag in gediend. Deze aanvraag is bij besluit van 24 november 2009 afgewezen. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 2 februari 2010 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, niet-ontvankelijk verklaard. Op 29 oktober 2010 heeft eiser een herhaalde asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 4 november 2010 met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Bij uitspraak van 26 november 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Niet in geschil is dat eiser in april 2012 naar Uganda is teruggegaan.

2. Eiser heeft na terugkeer uit Uganda op 24 december 2014 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 25 februari 2015 niet in behandeling genomen omdat op grond van Verordening EU 604/2013 (Dublinverordening) Hongarije verantwoordelijk werd geacht voor de inhoudelijke behandeling daarvan. Op 8 december 2015 heeft verweerder het besluit van 25 februari 2015 ingetrokken. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat de aanvraag alsnog inhoudelijk zal worden beoordeeld. Vervolgens is de aanvraag bij het bestreden besluit afgewezen.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit en nationaliteit van eiser en

- eiser heeft verklaard dat hij na zijn terugkeer op 4 april 214 in Uganda op 23 april 2014 is gearresteerd. In de gevangenis is hij voor de keus gesteld om samen te werken met de regering of te worden gedood. Eiser heeft er voor gekozen om samen te werken waar hij ook voor betaald kreeg. Eiser heeft verklaard dat hij alles heeft gedaan wat er gevraagd werd, te weten het propaganderen voor de overheid en de regerende NRM partij. Eiser heeft verklaard dat hij samen met twee andere mensen bij mevrouw [naam 1] moest komen. Er werd hun gevraagd om zes mensen van de oppositie te doden. Eiser heeft verklaard dat hij is vertrokken uit Uganda omdat hij hieraan niet wilde meewerken.

4. Verweerder heeft eisers identiteit en nationaliteit geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser over zijn arrestatie in Uganda en het daaraan verbonden relaas heeft verweerder niet geloofwaardig geacht.

5. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Voorts is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

6. Eiser heeft aangevoerd dat hij geloofwaardig heeft verklaard over het propaganderen voor de NRM, de uitvoering van de dodenlijst, de gesprekken bij mevrouw Nalweyiso, die als brigadegeneraal werkzaam was voor de president, en zijn arrestatie. Zijn relaas voldoet aan het bepaalde in artikel 4 van de Definitierichtlijn. Volgens eiser dient, ondanks het ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van verklaringen, hem het voordeel van de twijfel te worden gegund. Het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ten onrechte wordt eiser een asielvergunning onthouden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

7. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 18 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:510) over de toepassing van het overgangsrecht met betrekking tot de wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de Procedurerichtlijn en Richtlijn 2013/33/EU, diende verweerder de onderhavige aanvraag te beoordelen op grond van de Vw 2000 (Vw (oud), zoals die luidde tot 20 juli 2015.

8. Nu verweerder de aanvraag van eiser diende te beoordelen op grond van de Vw (oud), zoals onder 7. is geoordeeld, heeft verweerder deze ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Voorts heeft verweerder ten onrechte bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en ten onrechte een inreisverbod opgelegd. Verweerder heeft het voorgaande in het verweerschrift en ter zitting erkend.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

9. De rechtbank zal hieronder bezien in hoeverre de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden.

10. Op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw (oud), wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig moet worden geacht omdat het onvoldoende wordt onderbouwd met de documenten waar eiser op heeft gewezen. Dit betreft de filmpjes onder “Eliso Show”, die zien op zijn propagandawerkzaamheden voor de NRM op YouTube, het emailbericht gericht aan de ambassade en het zelf geschreven briefje waarin de mensen worden vermeld die gedood moesten worden, kopieën van foto’s van eiser zelf en van twee andere personen en kopieën van foto’s van mensen die op dodenlijst stonden die eiser met twee anderen moest uitvoeren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser ongerijmde, tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen heeft afgelegd over zijn relaas.

12. Zo heeft eiser met betrekking tot zijn propagandawerkzaamheden verklaard dat het niet vreemd was dat hij als sympathisant van Forum for Democratic Change (FDC), een politieke partij waar hij vroeger voor werkte, propagandeerde voor de NRM. Dat zou anders zijn als de meeste mensen wisten dat hij van de FDC was. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat in de vorige asielprocedure is gebleken dat van eiser in zijn lokale omgeving bekend was dat hij van de FDC was. Opvallend is dan dat eiser tijdens het nader gehoor in de onderhavige procedure heeft verklaard dat hij onder meer in zijn woonomgeving voor de NRM propageerde. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de NRM voor hem koos omdat hij goed kon praten en overtuigen. In de correcties en aanvullingen van 16 maart 2016 heeft eiser verklaard dat het gissen is wat de motieven zijn geweest om hem te vragen. Nu ook uit de filmpjes op YouTube niet blijkt dat eiser in opdracht propagandeerde voor de NRM heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht dat juist eiser gedwongen werd te propaganderen en dat die partij daarvoor geen andere personen zou kunnen inzetten, te meer omdat eiser voor dat werk werd betaald en hij dat ongeveer twee jaar heeft gedaan.

13. In het licht hiervan heeft verweerder ook terecht niet geloofwaardig en bevreemdingwekkend geacht dat juist eiser gevraagd is om in opdracht van Proscovio Nalweyiso een dodenlijst uit te voeren. In dit verband heeft verweerder er niet ten onrechte op gewezen dat eiser gedwongen werd voor haar te werken terwijl eiser sympathisant van de oppositiepartij FDC was en de mensen die op de dodenlijst stonden onder andere van deze partij waren. Daarmee zou de opdrachtgever een groot risico van verraad nemen. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard niet te weten waarom hij werd gevraagd. Niet ten onrechte heeft verweerder geconstateerd dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de gesprekken met Proscovio Nalweyiso over het voorbereiden van de uitvoering van de dodenlijst. Verweerder heeft het terecht bevreemdend geacht dat eiser bij een dergelijk gesprek zo maar weg kon gaan. Eiser heeft de bevindingen van verweerder niet afdoende weerlegd. Over de overgelegde documenten met betrekking tot dat deel van het relaas heeft verweerder niet ten onrechte vastgesteld dat het emailbericht aan het regionale emailadres van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken en het briefje met de namen van de dodenlijst door hem zelf zijn opgesteld en dat aan deze stukken geen relevante betekenis kan worden toegekend. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk met [naam 2] en [naam 3] , met wie hij de dodenlijst zou moeten uitvoeren, op de overgelegde kopieën van foto’s staat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de betrokkenheid van eiser bij de uitvoering van de dodenlijst ongeloofwaardig heeft geacht.

Verweerder heeft ten slotte ten aanzien van het artikel dat eiser heeft overgelegd over de moord op een van de mannen van de dodenlijst terecht, onder verwijzing naar openbare bronnen (www.worldbulletin.net en www.news24.com), niet uitgesloten geacht dat de rebellengroep Allied Democratic Forces achter de moorden van december 2014 zit. In dit verband heeft verweerder niet ten onrechte aangegeven dat in de openbare bronnen geen link wordt gelegd met wat eiser daarover heeft verklaard. Eiser heeft dit niet bestreden.

14. Gezien het hiervoor overwogene heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank met de beoordeling van eisers asielrelaas niet in strijd gehandeld met artikel 4 van de Definitierichtlijn en met zijn werkinstructie 2014/10. Het beroep van eiser faalt.

15. De slotsom is dat verweerder eiser terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een asielvergunning.

16. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten, met uitzondering van de beslissing dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en de oplegging van een inreisverbod.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, met uitzondering van de beslissing van verweerder dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en de oplegging van een inreisverbod;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,- (negenhonderdnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: