Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1920

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
AWB 16/30136 en AWB 16/30137
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 17, eerste lid, Dublinverordening. Overdracht Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/30136 (beroep) AWB 16/30137 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 19 januari 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1963, van Algerijnse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde mr. E. Stap),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. W.A. Kleingeld).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 niet in behandeling genomen.

Op 22 december 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen en een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig A. Fauzi tolk in de Algerijnse taal.

Overwegingen

De aanvraag en het besluit

1. Op 23 oktober 2016 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser in diverse Europese landen eerder asiel heeft aangevraagd. In Zwitserland op 3 mei 2010, in Engeland op 14 juni 2010, in Noorwegen op 7 oktober 2013, in Zweden op 20 november 2013 en laatstelijk in Duitsland op 14 januari 2014 en op 12 maart 2015.

2. Verweerder heeft Duitsland op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening 604/2013 (Dublinverordening) verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 23 november 2016 geaccepteerd.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt.

Artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 niet in behandeling wordt genomen, wanneer op grond van de Dublinverordening een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Dat is in dit geval Duitsland.

De gronden

4. Ter zitting is gebleken dat eiser vele bezwaren heeft tegen terugkeer naar Duitsland. Eiser vreest voor (indirect) refoulement bij overdracht aan Duitsland. Hij vreest voor de politie in Algerije. Ook wordt er volgens hem in Duitsland veel geweld gebruikt tegen asielzoekers en krijgt hij daar geen eerlijke behandeling. Hij heeft twee keer in een heel slecht asielzoekerscentrum gezeten. Verder bemoeit de Duitse overheid zich teveel met het gezinsleven, zo mag je daar geen corrigerende tik uitdelen.

Beoordeling door de rechtbank

5.1

Gelet op wat is aangevoerd is in geschil is of in Duitsland op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De rechtbank zal zich beperken tot dit punt van geschil.

5.2

In principe kan Nederland erop vertrouwen dat als een mede-lidstaat van de Europese Unie, in dit geval Duitsland, ermee heeft ingestemd om iemand op grond van de Dublinverordening terug te nemen, deze lidstaat de internationale verplichtingen zal nakomen. Het is aan de vreemdeling om het tegendeel aannemelijk te maken.

5.3

De door eiser aangevoerde vrees voor refoulement door Duitsland is (echter) niet onderbouwd. Er is ook overigens geen enkele reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de asielbeoordeling in Duitsland. De rechtbank verwerpt dit argument dan ook.

5.4

Ter zitting is verder vastgesteld dat er misschien in Duitsland mindere asielcentra zijn, maar ook goede. Dat eiser slechte ervaringen heeft staat alleen al om die reden niet op voorhand in de weg aan een overdracht aan Duitsland.

Ter zitting is verder nog gesproken over het door eiser gestelde verharde klimaat ten opzichte van de komst en opvang van asielzoekers. In dit opzicht is echter niet gebleken van een wezenlijk verschil tussen Duitsland en Nederland. Ook is niet gebleken dat eiser ooit het slachtoffer is geweest van geweld en hij tevergeefs daartegen bescherming heeft gevraagd bij de autoriteiten.

5.5

De overige klachten van eiser zijn niet te relateren aan het systeem van de asielprocedure.

5.6

Eiser heeft dus in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat er in de procedure in Duitsland sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers, zodanig dat verweerder de behandeling van eisers asielverzoek aan zich zou moeten trekken.

Conclusie

6. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eisers beroepsgronden niet slagen en verweerder eiser kan overdragen aan Duitsland.

7. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 16/30136,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 16/30137,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2017.

griffier

(voorzieningen)rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.


Coll: EK