Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1909

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
09/808643-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft een 84-jarige vrouw veroordeeld voor het beschadigen met een scherp voorwerp van verschillende banken en stoelen in een woonwinkel tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk. Voor feit 2, het eveneens beschadigen van banken in een woonwinkel, heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/808643-16

Datum uitspraak: 27 februari 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 februari 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. drs. H. Warendorp Torringa, advocaat te Alphen aan den Rijn, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 03 september 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, opzettelijk en wederrechtelijk een groot aantal banken en/of stoelen (in totaal 35 banken en/of stoelen), in elk geval enig goed of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1 ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met een scherp voorwerp te snijden in voornoemde goederen;

2.

zij op of omstreeks 24 september 2016 te Zutphen, opzettelijk en wederrechtelijk een groot aantal banken (in totaal 11 banken), in elk geval enig goed of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2 ] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en

wederrechtelijk met een scherp voorwerp te snijden in voornoemde goederen.

3. Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat verdachte zich op 3 september 2016 in de woonwinkel [aangever 2 ] te Ter Aar en op 24 september 2016 in de woonwinkel [aangever 1 ] te Zutphen schuldig heeft gemaakt aan vernieling van meerdere banken en/of stoelen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de aan haar onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat – zelfs al zou het verdachte zijn die op de camerabeelden is te zien – niet is vast komen te staan dat het verdachte is die de goederen in de winkel daadwerkelijk heeft beschadigd. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat. Het dossier bevat in belastende zin enkel een verklaring van [getuige] die verdachte na het tonen van een foto heeft herkend als de vrouw die door de winkel heeft gelopen en heeft plaatsgenomen op banken, die later beschadigd bleken te zijn.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend de persoon te zijn die op de camerabeelden is te zien. De vrouw op de camerabeelden is volgens verdachte dikker dan zij, heeft een ander loopje en ook de kleren die deze vrouw draagt herkent verdachte niet als de hare. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat zij haar OV-chipkaart enkel gebruikt om naar haar kinderen te reizen, dat deze niet in Ter Aar wonen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van feit 1:

Aangifte [aangever 1 ]

Op 8 september 2016 heeft [aangever 1 ] , gevestigd aan de [adres] , aangifte gedaan van vernieling van meerdere banken en stoelen. Aangever heeft verklaard dat hij op 6 september 2016 zag dat bij meerdere banken een scheur in de bekleding zat, mogelijk veroorzaakt door een scherp voorwerp. Bij de aangifte zijn foto’s gevoegd van de vernielde banken. Naar aanleiding van de aangetroffen vernielingen heeft aangever de camerabeelden van de dagen vóór 6 september 2016 bekeken. Op deze camerabeelden heeft aangever gezien dat er op 3 september 2016 tussen 13:30 uur en 14:00 uur een oudere vrouw langs verschillende banken is gelopen en dat zij daarbij telkens een beweging heeft gemaakt met haar hand. De banken waar de vrouw langs is gelopen zijn vernield.2

Ter terechtzitting heeft [aangever 2 ] verklaard dat er in totaal 29 banken en stoelen zijn vernield.3

Camerabeelden [aangever 1 ] . 4

In de winkel hangen op verschillende plekken camera’s. Op de camerabeelden met beschrijving IMG 0738. jpg is zien dat er een oudere vrouw, die een waggelende manier van lopen heeft, de winkel binnen komt. In haar linkerhand heeft de vrouw een handtas vast.

Op de camerabeelden met beschrijving IMG 0737. jpg zijn verschillende meubelopstellingen in de winkel te zien. Op deze camerabeelden is dezelfde vrouw te zien. De vrouw staat op dat moment voor een lange lichtkleurige bank voorover gebukt. De vrouw beweegt haar bovenlichaam, draait naar rechts en beweegt met haar rechterarm vanuit de richting van de bank naar zich toe. Hierna vervolgt de vrouw haar weg in de richting van een andere lichtgekleurde bank waar – vanuit de camerapositie gezien – een dressoir voor staat. De vrouw buigt haar bovenlichaam naar voren en strekt haar rechterarm uit in de richting van de bank, waarna zij haar arm weer terughaalt in de richting van haar lichaam. De vrouw blijft vervolgens bij de bank staan en kijkt wat om zich heen. Verschillende personen passeren hierna de vrouw. Net nadat een jonge vrouw de bank is gepasseerd stapt de vrouw in de richting van de bank en maakt met haar rechterarm een beweging aan de achterzijde van de bank van rechts naar links. De vrouw raakt hierbij de achterzijde van een kussen van de bank. Op de camerabeelden is te zien dat het kussen met rukken heen en weer gaat. Aangever heeft verklaard dat onder meer deze bank kapot is gesneden.

Op camerabeelden met beschrijving 0739. jpg is te zien dat deze vrouw samen met een aantal andere personen rechtsboven in beeld komt. De vrouw loopt vervolgens in de richting van een donkerkleurig bankstel en maakt met haar rechterarm een beweging, waarna zij haar arm weer terughaalt langs haar lichaam. Aangever heeft verklaard dat ook deze bank beschadigd is.

Tot slot is op de camerabeelden met beschrijving 0740.jpg te zien dat deze vrouw langs een donkerkleurige fauteuil loopt, waarbij zij in de richting van de camera kijkt.

Identiteit verdachte

Aangever heeft de politie geattendeerd op een artikel geplaatst in het vakblad Meubel over een vrouw die ook wel ‘de meubelripper’ werd genoemd en die soortgelijke vernielingen heeft aangericht in verschillende woonwinkels. Hierop heeft [verbalisant 4 ] via internet gezocht op de naam ‘meubelripper’, waarna hij uitkwam bij een destijds 72-jarige vrouw die werd aangeduid met de naam [verdachte] Nader onderzoek in de politiesystemen wees uit dat met [verdachte] verdachte werd bedoeld.5

Herkenning verdachte

[verbalisant 1 ] heeft verklaard dat hij verdachte, die zich op dat moment in de ophoudcel bevond, herkende als de vrouw die op de beelden van [aangever 1 ] te zien is. Hij heeft haar herkend aan haar houding, haar lengte, haar gezette bouw, haar neus en haar waggelende manier van lopen.6

[verbalisant 2 ] heeft verklaard dat hij verdachte heeft opgehaald bij het politiebureau in Eindhoven en haar heeft overgebracht naar het bureau in Gouda. [verbalisant 2 ] heeft verklaard dat hij de vrouw die is te zien op de camerabeelden van [aangever 1 ] herkende als verdachte. Hij herkende haar aan haar gedrongen postuur, haar hoge kalende voorhoofd, haar dunne haar en haar trage manier van lopen.7

[verbalisant 3 ] heeft verklaard dat hij, nadat hij verdachte heeft gezien bij de ophoudcellen, haar herkende als de vrouw die hij op de camerabeelden van [aangever 1 ] heeft gezien. Hij herkende haar aan de wijze waarop zij liep: de voeten naar buiten gekeerd, moeizaam en waggelend. Daarnaast herkende [verbalisant 3 ] verdachte aan haar postuur en haar dunne grijzende haren.8

Onderzoek OV-chipkaart

Uit onderzoek is gebleken dat op naam van verdachte een OV-chipkaart geregistreerd staat met het [OV nummer] . Deze OV-chipkaart is tijdens de insluitingsfouillering ook bij verdachte aangetroffen. Uit de OV-chipkaartgegevens is gebleken dat er op 3 september 2016 om 09:42 uur is ingecheckt op de [adres] in Eindhoven. Deze halte ligt op loopafstand van de woning van verdachte. Om 09:52 uur is er uitgecheckt bij station Eindhoven. Om 20:39 uur die dag is er weer ingecheckt bij station Eindhoven waarna er tenslotte om 20:47 uur werd uitgecheckt op de [adres] in Eindhoven. In de tussenliggende periode is met Arriva gereisd tussen Alphen aan den Rijn en Ter Aar. Om 12:29 uur is er ingecheckt bij het treinstation Alphen aan den Rijn en om 12:57 uur is er uitgecheckt bij de halte aan de Aardamseweg in Ter Aar. Om 16:16 uur werd er vervolgens weer ingecheckt en om 16:37 uur weer uitgecheckt bij treinstation Alphen aan den Rijn.9

Door [verbalisant 4 ] is onderzocht wat de afstand is tussen de halte Aardamseweg te Ter Aar en de [aangever 1 ] aan [adres] . De afstand tussen de bushalte en de [aangever 1 ] . is ongeveer 1,1 kilometer.10

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die bij de [aangever 1 ] in Ter Aar op 3 september 2016 aanwezig is geweest. Uit de OV-chipkaartgegevens van verdachte blijkt dat zij op die dag van Eindhoven naar Ter Aar gereisd en dat zij vlakbij de woonwinkel is uitgestapt. Het tijdstip waarop zij is uitgestapt komt daarbij overeen met het tijdstip dat aangever verdachte heeft gezien in de woonwinkel. Daarnaast heeft de rechtbank ter zitting de camerabeelden bekeken en heeft de rechtbank de persoon op de beelden herkend als verdachte. Op deze camerabeelden is te zien dat verdachte meermalen een beweging maakt in de richting van verschillende banken, waaronder twee banken die later beschadigd zijn aangetroffen.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

Op 30 september 2016 heeft [aangever 2 ] ., gevestigd aan de [adres] aangifte gedaan van vernieling van elf leren banken.

[getuige] , werkzaam bij woonwinkel [aangever 2 ] , heeft op 4 oktober 2016 verklaard dat zij op 24 september 2016 aan het werk was op de afdeling modern. Zij zag die ochtend een vrouw de winkel binnenlopen. Deze vrouw volgde niet de logische route in de winkel, maar wurmde zich tussen de verschillende opstellingen door. [getuige] heeft verklaard dat de vrouw verschillende keren kort op een bank is gaan zitten. Daarbij heeft zij niet gezien dat de vrouw stekende bewegingen richting de bank heeft gemaakt. Wel heeft zij gezien dat de vrouw langs alle vernielde banken is gelopen. [getuige] heeft de vrouw omschreven als 70 jaar oud met kort grijs/wit haar, een vol gezicht, een gezet postuur en een kobalt blauw jack.

Op 1 november 2016 heeft [getuige] verklaard, nadat haar een foto is getoond van verdachte, dat de vrouw op de foto de vrouw is die zij op 24 september 2016 in de winkel heeft gezien.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier daarmee onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat het verdachte is geweest die de vernielingen in woonwinkel [aangever 2 ] heeft aangebracht. Het feit dat verdachte door een winkelmedewerkster, op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie is herkend, is daartoe niet voldoende. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit feit.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij op 3 september 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, opzettelijk en wederrechtelijk een groot aantal banken en stoelen, toebehorende aan [aangever 1 ] , heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met een scherp voorwerp te snijden in voornoemde goederen.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 115 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Reclassering Eindhoven, voortzetting van de huidige behandeling bij [GGZ psycholoog] en begeleiding van het FACT-team.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in geval van bewezenverklaring verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft op zeer geraffineerde wijze in een meubelgroothandel een groot aantal meubelstukken beschadigd. Een dergelijk feit is hinderlijk voor de eigenaar die moet zorgen voor vervanging of reparatie van de beschadigde goederen en veelal opdraait voor de kosten.

De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 november 2016 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat zij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op een Pro Justitia-rapportage d.d. 12 januari 2017, opgemaakt door [psychiater] , en een Pro Justitia-rapportage d.d. 23 januari 2017, opgemaakt door [GZ-psycholoog] .

Uit het rapport van de psychiater komt naar voren dat in relatie tot en ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken en een posttraumatische stresstoornis (hierna: PTSS), zodat verdachte haar wil verminderd kon bepalen. Geadviseerd wordt om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidive schat de psychiater in als hoog gezien de psychiatrische voorgeschiedenis, traumatische ervaringen in haar jeugd, haar gewelddadige opvatting en haar persoonlijkheidsstoornis. Verdachte heeft weliswaar enig inzicht in haar problematiek, maar zij heeft onvoldoende vermogen om haar gedrag bij te sturen. Hoewel verdachte zich aan haar behandelafspraken houdt, vraagt zij zelf geen hulp wanneer zij dit nodig heeft. Verder woont verdachte zelfstandig en heeft zij een netwerk om zich heen, maar er is vanuit dit netwerk onvoldoende toezicht aanwezig. Eenzaamheid en verveling spelen bij verdachte een grote rol. De psychiater acht het wenselijk dat verdachte doorgaat met haar huidige behandeling bij [GGZ psycholoog] . Daarnaast kan worden gedacht aan begeleiding door een forensisch FACT-team. De psychiater adviseert om voornoemde behandeling plaats te laten vinden binnen het kader van een voorwaardelijk strafdeel en onder toezicht van de reclassering.

Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat bij verdachte sprake is van een chronische en complexe PTSS. Daarnaast is er bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een cluster B andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met zowel antisociale als borderline kenmerken en performale zwakbegaafdheid. Nu verdachte heeft ontkend kan de psycholoog geen uitspraak doen over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. De psycholoog heeft daarbij opgemerkt dat wanneer het ten laste gelegde bewezen kan worden geacht, de cluster B andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en de chronische en complexe PTSS hier mogelijk in heeft doorgewerkt. De psycholoog acht, gelet op de ernstige en complexe problematiek, het ontbreken van ziekte besef/-inzicht, het beperkte steunsysteem en het justitiële verleden van verdachte, de kans op herhaling hoog. De psycholoog acht intensieve behandeling/begeleiding voor langere tijd, zo niet levenslang, van verdachte aangewezen waarbij kan worden gedacht aan de zorg van het FACT-team. Geadviseerd wordt om de hiervoor genoemde behandeling plaats te laten vinden in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht.

[reclasseringswerker] , is ter terechtzitting als deskundige gehoord. Hij heeft desgevraagd aangegeven zich te scharen achter de adviezen van de psycholoog en de psychiater. In eerste instantie is begeleiding door het FACT-team en behandeling door [GGZ psycholoog] voldoende. Onderwijl kan worden gezocht naar een geschikte woonvorm. Lommers heeft verklaard dat verdachte op dit moment verblijft – nadat zij zelf hulp heeft gezocht omdat de spanning te hoog opliep – in een kliniek voor intensieve behandeling. Deze kliniek is voor de langere termijn niet geschikt voor oudere personen, maar is op dit moment wel de beste oplossing.

De rechtbank is van oordeel dat het rapport en advies van de psychiater en psycholoog op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de bevindingen van de deskundigen deugdelijk gemotiveerd zijn. Op grond daarvan concludeert de rechtbank dat het feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

In de persoon van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen, zowel om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, als om behandeling en begeleiding mogelijk te maken. De rechtbank zal daarbij, gelet op de omstandigheid dat verdachte nu meermalen voor soortgelijke (en uitzonderlijke) feiten met justitie in aanraking is gekomen, een proeftijd vaststellen voor de duur van drie jaar.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur met de navolgende bijzondere voorwaarden passend en geboden is.

7 De vordering van de benadeelde partij

[aangever 1 ] . heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 24.406,00.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering door de benadeelde partij onvoldoende is gemotiveerd, met name op het punt dat de beschadigde meubelen niet kunnen worden gerepareerd. Nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aldus de raadsman.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering thans onvoldoende is onderbouwd, nu niet voldoende is gebleken of en, zo ja, welke restwaarde de banken en/of stoelen hebben en of reparatie hiervan mogelijk was. Nadere onderbouwing van de vordering (voor zover mogelijk) zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

beschadiging, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 2 (TWEE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland [adres] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd haar behandeling zal voortzetten bij [GGZ psycholoog] Eindhoven, op de tijden en plaatsen als door of namens GGZ Eindhoven, of een soortgelijke instelling aan te geven, zolang de voortzetting van de behandeling door de behandelaar noodzakelijk wordt geacht, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar worden gegeven;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling/begeleiding stelt van het FACT-team van Reclassering Nederland, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij dit de vordering zoverre bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rootring, voorzitter,

mr. S.M. Krans, rechter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Peet , griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2017.

Mrs. S.M. Krans en K.C.J. Vriend zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016304232 Z, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn- Gouda, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 145).

2 Proces-verbaal van aangifte [aangever 1 ] . blz. 12 tot en met 30.

3 Verklaring [aangever 2 ] ter terechtzitting d.d. 13 februari 2017.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 33 tot en met 35.

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 62 en 63.

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 44.

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 45.

8 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 46.

9 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 86.

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 82.