Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1906

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 14034
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Mvv verblijf als gezinslid

- Echtheid huwelijksakte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/14034

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 februari 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. C.F.M. van den Ekart,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [referent] (hierna: referent) voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres afgewezen.

Eiseres en referent hebben hiertegen een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 10 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres en referent ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2016. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Tevens was de referent aanwezig. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te bezitten. Op 2 september 2015 heeft referent een aanvraag tot het verlenen van een mvv aan eiseres met als doel ‘verblijf als familie- gezinslid’ ingediend. Ter onderbouwing van haar huwelijk met referent heeft eiseres een kopie van een huwelijksakte overgelegd met nummer 798 en datum 10 november 2014. De Somalische ambassadeur te Djibouti heeft deze akte op 20 juni 2015 voorzien van een handtekening. Voor het doen van onderzoek heeft verweerder de originele akte bij eiseres opgevraagd.

2. In de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 10 december 2015 over de huwelijksakte is vastgesteld dat de variabele gegevens met machineschrift zijn aangebracht en dat de opmaak en afgifte van het document afwijken. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het document niet echt is.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij op de juistheid van de conclusie van Bureau Documenten over de huwelijksakte uit mag gaan. Verweerder merkt op dat eiseres geen contra-expertise heeft laten verrichten. Dat het niet mogelijk is om een legalisatie van de huwelijksakte te verkrijgen van de Nederlandse ambassade kan volgens verweerder hier niet aan af doen, omdat de ambassade geen onderzoek doet naar de echtheid van het brondocument. Een legalisatie zegt dan ook niets over de echtheid van zo’n document. Aan de overgelegde verklaring van de Somalische ambassade te Brussel van 19 januari 2016 hecht verweerder geen waarde omdat in die verklaring geen sprake is van een bevestiging van het huwelijk door de ambassade.

4. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat de weigering om eiseres verblijf toe te staan geen schending betekent van artikel 8 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM), dat ziet op eerbiediging van het recht op familie- en gezinsleven.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat de conclusie van Bureau Documenten over de huwelijksakte onvoldoende is onderbouwd en gemotiveerd. Bovendien kan die conclusie niet als een deskundigenadvies worden beschouwd omdat Bureau Documenten niet onafhankelijk is en onderdeel is van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Verweerder miskent de verklaring van de Somalische ambassade te Brussel waarin bevestigd wordt dat eiseres en referent op 10 november 2014 te Djibouti zijn gehuwd. Miskend is voorts dat referent naar Ethiopië is gereisd waar het huwelijk door de rechtbank is bevestigd en gewettigd door middel van de Decision van de rechtbank te Addis Abeba van 16 maart 2016.

De afwijzing van de aanvraag maakt het voor eiseres onmogelijk om het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM met referent in Nederland uit te oefenen en er zijn objectieve belemmeringen voor referent om het gezinsleven in Somalië uit te oefenen. Eiseres stelt dat verweerder om tot de vereiste belangenafweging te komen een hoorzitting had moeten houden om alle feiten en omstandigheden met eiseres te bespreken. Verweerder heeft geen rekening gehouden met het feit dat referent regelmatig geld stuurt naar eiseres om haar te onderhouden, wat niet meer mogelijk zal zijn als referent naar Ethiopië moet om daar te gaan samenwonen met eiseres.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Verweerder heeft het door eiseres overgelegde huwelijksakte laten onderzoeken. Zoals uit overweging 2. blijkt is de conclusie van Bureau Documenten dat deze huwelijksakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is.

7. De rechtbank stelt voorop dat, zoals uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraken van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1768 en 9 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1695) volgt, dat een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies is aan verweerder ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden, waarvan hij in beginsel mag uitgaan. Indien verweerder een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient hij zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van te vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Indien dit het geval is, kan de uitkomst van het advies slechts met succes worden bestreden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen onderbouwing voor haar stelling dat de rapportage over de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten niet onafhankelijk, niet inzichtelijk en niet concludent is. Het standpunt dat Bureau Documenten niet onafhankelijk is, omdat het een onderdeel is van het ministerie van Veiligheid en Justitie is in dit verband niet voldoende. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat hij zich er van heeft vergewist dat de rapportage - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Eiseres heeft nagelaten een contra-expertise te laten verrichten. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van de juistheid van die rapportage uit heeft kunnen gaan.

9. Ook anderszins heeft eiseres de echtheid van de huwelijksakte niet aangetoond. De stelling dat eiseres in bewijsnood verkeert omdat documenten afkomstig uit Somalië door de Nederlandse overheid niet kunnen worden gelegaliseerd, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat een eventuele legalisatie geen betekenis heeft voor de vraag of de huwelijksakte echt is. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de verklaring van de ambassade van Somalië te Brussel van 10 januari 2016 niet kan worden aangemerkt als een bevestiging van het huwelijk, omdat die verklaring alleen de melding betreft van een verklaring van twee in Nederland verblijvende personen van Somalische afkomst die op de ambassade onder ede hebben verklaard dat eiseres en referent op 10 november 2014 met elkaar in Djibouti zijn gehuwd. Niet gebleken is immers hoe deze personen hun wetenschap van het huwelijk hebben verkregen. Verweerder wordt gevolgd in zijn stelling dat niet uitgesloten moet worden geacht dat deze personen in voornoemde zin hebben verklaard na kennisname van de huwelijksakte.

10. Met betrekking tot de verklaring van de rechtbank te Addis Abeba van 16 maart 2016 over het huwelijk is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan deze verklaring terecht niet de betekenis heeft toegekend die eiseres zou wensen. Uit de verklaring blijkt immers dat die betrekking heeft op een huwelijk op 16 maart 2016. Hieruit blijkt geen bevestiging van het door eiseres gestelde huwelijk, reeds omdat in die verklaring geen sprake is van een verwijzing naar een huwelijk tussen betrokkenen op 10 november 2014.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gezien het voorgaande, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet gebleken is dat tussen eiseres en referent op 10 november 2014 een huwelijk is gesloten. Uitgaande hiervan heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een gezins- of familieleven tussen eiseres en referent als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Aan de in beroep overgelegde bewijzen over de overschrijvingen van geld door referent aan eiseres komt naar het oordeel van de rechtbank geen betekenis toe, reeds omdat die betrekking hebben op perioden gelegen na het bestreden besluit.

12. Het beroep op schending van de hoorplicht slaagt het naar het oordeel van de rechtbank niet. Van horen kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake wanneer reeds aanstonds blijkt dat het bezwaar ongegrond is en er geen twijfel over die conclusie mogelijk is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren en van het horen van eiseres in bezwaar kunnen afzien.

13. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komen voor de gevraagde mvv. Het beroep is daarom ongegrond.

14. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: