Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1869

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1637
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Ethiopië

- opvolgende asielaanvraag

- authenticiteit documenten

- neg. belangstelling autoriteiten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/1637

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. H.A.C. Klein Hesselink,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. drs. S. Verdonck.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van Ethiopische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 1 juni 2014 heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft gesteld voorafgaand aan zijn vlucht uit Ethiopië lid te zijn geweest van de illegale politieke partij Ginbot 7 en vreest als gevolg van zijn activiteiten voor deze partij door de overheid vermoord te worden.
2. Bij besluit van 10 november 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 4 juni 2015 (AWB 14/27471) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 14 oktober 2015 de voornoemde uitspraak bevestigd. Verweerders besluit van 10 november 2014, waarbij eisers asielrelaas ongeloofwaardig wordt geacht, staat daarmee in rechte vast.
3. Op 19 januari 2017 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hij heeft bij zijn aanvraag de volgende documenten overgelegd: een aanhoudingsbevel van de federale rechtbank Lideta van 20 februari 2013, een brief van [naam], Ginbot 7 Movement for Justice Freedom and Democracy van 17 december 2015 alsmede het Amnesty International (AI) report Ethiopië van 25 februari 2015, artikelen van Human Rights Watch (HRW) van 1 april 2014 en 25 maart 2014, een artikel van AI van 14 november 2014, e-mailcorrespondentie tussen HRW en Vluchtelingenwerk Nederland van 11 februari 2016 en foto’s van eisers deelname aan een demonstratie in Rotterdam in 2016.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef, e onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Hij stelt zich op het standpunt dat de door eiser overgelegde documenten niet als nieuwe feiten zijn aan te merken. Uit op 11 januari 2017 door het Bureau Documenten verricht onderzoek naar de authenticiteit van de documenten blijkt dat zowel het aanhoudingsbevel als de brief van [naam] niet als authentiek aangemerkt kunnen worden, omdat referentiemateriaal ontbreekt. Tevens is eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

5. Eiser heeft daartegen aangevoerd dat verweerder ten onrechte de bewijslast voor de authenticiteit van de documenten bij hem legt. Eiser is vanwege gebrek aan financiële middelen niet in staat door middel van een contra-expertise de authenticiteit van de documenten aan te tonen. Dit is in strijd met het beginsel van equality of arms. Verder erkent eiser dat de brief van [naam] op zijn verzoek is opgesteld. De brief bevestigt dat hij nu lid is van Ginbot 7 en dat ervan uitgegaan moet worden dat eiser gesignaleerd is bij de Ethiopische autoriteiten omdat hij aan demonstraties in Nederland heeft deelgenomen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser links van video/radiofragmenten overgelegd, waar hij geïnterviewd wordt tijdens een demonstratie, waaraan hij deelneemt. Volgens eiser had de aanvraag op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moeten worden toegewezen. Ten slotte betwist eiser het hem opgelegde inreisverbod.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. Uit onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat de authenticiteit van de door eiser bij de onderhavige aanvraag overgelegde documenten wegens het ontbreken van voldoende referentiemateriaal niet kan worden vastgesteld. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1999) dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het door eiser overgelegde aanhoudingsbevel alsmede de brief van [naam] niet zijn aan te merken als nieuwe elementen of bevindingen op grond waarvan verweerder tot een andere geloofwaardigheidsbeoordeling zou moeten komen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraken van 8 oktober 2007, ECLI:NL:RVS: 2007:BB5763 en 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:664) is een door de desbetreffende vreemdeling overgelegd document geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, indien de authenticiteit daarvan niet is vastgesteld. Als, zoals in dit geval, de authenticiteit van een overgelegd document niet reeds in de bestuurlijke fase is komen vast te staan, is het aan eiser dit in beroep uit eigen beweging alsnog aan te tonen. Nu eiser dit niet heeft gedaan, zijn het aanhoudingsbevel en de brief van [naam] geen nieuwe elementen of bevindingen.

7. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder reeds in de eerdere aanvraag heeft geoordeeld dat eisers relaas ongeloofwaardig is en dat niet aannemelijk is geacht dat hij lid was van Ginbot 7. Dit staat in rechte vast. Desgevraagd heeft eiser ter zitting met een verwijzing naar zijn gronden van beroep verklaard dat hij ongeveer een jaar geleden in Nederland lid is geworden van Ginbot 7. In zijn gronden heeft eiser aangevoerd dat hij met de brief van [naam] niet beoogt te bewijzen dat hij in Ethiopië activiteiten heeft ontplooid voor Ginbot 7, maar dat de brief bevestigt dat eiser “nu” lid is van Ginbot 7. Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, de overgelegde stukken, waaronder de brief, niet authentiek zijn, heeft eiser daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij nu lid is van Ginbot 7. Daar komt bij dat eisers verklaringen over zijn lidmaatschap van Ginbot 7 in strijd zijn met zijn verklaringen in de eerdere procedure dat hij al voorafgaand aan zijn vlucht uit zijn land van herkomst lid was van Ginbot 7 en dat zijn activiteiten voor deze illegale partij hem noodzaakten te vluchten. Daarbij komt dat de brief op verzoek van eiser is geschreven, zoals eiser ook heeft erkend. Die brief is niet voorzien van onderliggende stukken, zodat de betrouwbaarheid van de inhoud niet kan worden beoordeeld. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte in het gestelde lidmaatschap van Ginbot 7 geen aanleiding hoeven zien om tot een andere geloofwaardigheidsbeoordeling te komen.

8. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten vanwege zijn deelname aan demonstraties in Nederland als lid van Ginbot 7. De rechtbank overweegt dat uit de door eiser overgelegde foto en links van beeldmateriaal blijkt dat bij het bekijken van de foto en de beelden wellicht kan worden geconcludeerd dat eiser betrokken was bij demonstraties en/of dat hij ondervraagd wordt door journalisten. Nu eiser onbetwist heeft verklaard dat die beelden op een Ethiopische televisiekanaal te zien zijn geweest is het niet uitgesloten dat de Ethiopische autoriteiten hiermee bekend zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser echter niet als refugié sur place worden beschouwd omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten hem volgen vanwege zijn activiteiten voor Ginbot 7. Evenmin blijkt dat eiser door de uitzendingen vanwege zijn deelname aan de demonstraties in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten staat. Dit oordeel geldt ook voor de door eiser overgelegde foto en het door hem genoemde hoorspel, waarin kennelijk de naam van eiser wordt genoemd. De door eiser overgelegde brief van 28 juni 2016 onderbouwt de gestelde negatieve aandacht geenszins. Nog los van de vraag of deze brief van de Ethiopische ambassade te Brussel afkomstig is, zoals eiser stelt, omdat een briefhoofd en ondertekening ontbreken, is deze brief algemeen geformuleerd en aan een groep Ethiopiërs gericht. Uit deze brief is op geen enkele wijze af te leiden dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten. Conclusie van het voorgaande is dat ook de in Nederland ontplooide activiteiten van eiser niet als relevante nieuwe elementen of bevindingen kunnen worden aangemerkt.

9. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of zich, niettegenstaande het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden of een relevante wijziging van het recht, bijzondere op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten of omstandigheden voordoen, als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw. Uit de jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2483), volgt dat daarvan sprake is, indien wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling een refoulementverbod zou schenden, als neergelegd in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat aan het vereiste van onmiskenbaarheid niet is voldaan.

10. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd. Uit artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw volgt dat verweerder kan bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond. Met toepassing van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw heeft verweerder daarom tevens op goede gronden tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd. Niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod of tot verkorting van de duur daarvan.

11. Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: