Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1854

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
C/09/516169 / FA RK 16-6085
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

omgang en alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 16-6085

Zaaknummer: C/09/516169

Datum beschikking: 1 februari 2017 (bij vervroeging)

Omgang en alimentatie

Beschikking op het op 8 augustus 2016 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.J.N. Koek te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de brief d.d. 6 januari 2017 van de zijde van de man, met bijlagen.

Op 16 januari 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en als tolk, mw. [naam] ,

alsmede de man bijgestaan door mr. Z. Taspinar namens zijn advocaat.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt ertoe:

  • -

    een omgangsregeling vast te leggen in die zin dat de minderjarige bij de man verblijft een weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur, de helft van de vakanties en feestdagen en Vaderdag, waarbij geldt dat de man de minderjarige bij de vrouw ophaalt en terugbrengt;

  • -

    te bepalen dat de man, met ingang van heden (4 augustus 2016), aan de vrouw een kinderalimentatie van € 300,00 per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten waarvan de rechtbank op grond van de stellingen en overgelegde stukken uitgaat:

  • -

    Uit de vrouw is geboren het thans nog minderjarige kind: [de minderjarige] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank van 16 juni 2014 is over [de minderjarige] het vaderschap van de man vastgesteld.

  • -

    De man is verder de (biologische) vader van de volgende thans nog minderjarige kinderen uit een voorbije relatie:

  • -

    [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    De man woont thans samen en uit die relatie is [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast.

  • -

    De minderjarige verblijft bij de vrouw.

Beoordeling

Kinderalimentatie

Nu de vrouw het verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie ter terechtzitting heeft ingetrokken, behoeft hierop niet meer te worden beslist.

Omgang

De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij eraan hecht dat er omgang zal zijn tussen de man en [de minderjarige] en dat [de minderjarige] daar ook behoefte aan heeft, maar dat de man heeft aangegeven geen contact met [de minderjarige] te wensen. De vrouw meent dat het belangrijk is voor [de minderjarige] om te weten wie haar vader is en om een (beperkt) contact met haar vader op te gaan bouwen.

De man betwist dat partijen een affectieve relatie hebben gehad van twee jaar en dat hij drie maanden na de geboorte van [de minderjarige] de vrouw heeft verlaten. Hij stelt dat partijen een zeer kortstondige verhouding hebben gehad, waaruit zonder zijn instemming een kind is geboren. De man voelde zich destijds bedrogen door de vrouw toen zij zwanger bleek van [de minderjarige] .

Er bestaat geen ouderlijke band tussen hem en [de minderjarige] en de man wenst die ook niet (op te bouwen). De man acht het gezien zijn huidige gezins- en werksituatie en de reisafstand niet mogelijk om contact met [de minderjarige] te hebben.

Een kind heeft recht op omgang met de niet met het gezag belaste ouder en die ouder heeft de plicht tot omgang met het kind. Dit is bepaald in artikel 1:377a , eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Vastgesteld kan worden dat de man kan worden aangemerkt als de niet met het gezag belaste ouder. In het derde lid van dat artikel is voor zover hier van belang bepaald dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De rechtbank is van oordeel dat bij de beslissing over een omgangsregeling alle omstandigheden van het geval in acht dienen te worden genomen. De belangen van het kind zijn – ingevolge artikel 3 van het internationaal Verdrag voor de rechten van het kind – zeer zwaarwegend en vormen bij een geschil als dit de eerste overweging en kunnen vóór de belangen van de ouders gaan. In het algemeen is het in het belang van een kind dat het contact heeft met de ouder bij wie het niet zijn gewone verblijfplaats heeft en de rechter dient niet te makkelijk mee te gaan in de weigering van een ouder om contact met het kind te hebben als daarvoor – zo als hier aan de orde - onvoldoende gronden zijn aangevoerd.

De man heeft voornamelijk praktische bezwaren aangevoerd die een omgangsregeling voor de man mee zullen brengen. Echter het zwaarwegende belang van de minderjarige heeft in deze te prevaleren. De rechtbank is van oordeel dat het in het algemeen voor een evenwichtige ontwikkeling van het kind van belang moet worden geacht om zijn/haar vader te leren kennen.

De rechtbank acht zich onvoldoende geïnformeerd om nu reeds een beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de vrouw en zal de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek verzoeken.

Het onderzoek dient de vraag te betreffen of gelet op voormelde uitzonderingsgronden voor het vaststellen van een omgangsregeling het in het belang van [de minderjarige] is dat er geen omgangsregeling met haar vader wordt vastgesteld en zo die uitzonderingsgronden er niet zijn, in welke vorm het contact tussen de man en minderjarige voor [de minderjarige] prettig kan verlopen.

De rechtbank overweegt daarbij dat [de minderjarige] wel een foto van haar vader heeft gezien maar dat zij hem nog niet bewust fysiek heeft ontmoet.

Voor zover op grond van het onderzoek een omgangsregeling in het belang van [de minderjarige] wordt geacht, is het verzoek voorts aan de raad om begeleide proefcontacten te entameren zodat [de minderjarige] en de man aan elkaar kunnen wennen.

In afwachting van het advies van de raad zal de rechtbank een beslissing op het verzoek van de vrouw aanhouden als na te melden. De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen hun medewerking aan het raadsonderzoek zullen verlenen.

Beslissing

De rechtbank:

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

indien de raad van mening is dat een omgang niet in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige terwijl er nog geen omgang is tussen de man en de minderjarige, verzoekt de rechtbank de raad een vervolgonderzoek te doen naar de wijze waarop omgang gerealiseerd kan worden en hierbij proefcontacten te entameren;

de raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: 020 620 0015 (mr. M.J.N. Koek, advocaat man) en 079 303 0379 ( mr. T. Kocabas, advocaat vrouw);

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 augustus 2017 pro forma; uiterlijk twee weken vóór die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zich uit te laten omtrent de voortgang van de procedure;

bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter terechtzitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter terechtzitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Vink, kinderrechter, bijgestaan door

mr. E.A. de Gier-Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

1 februari 2017.