Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1832

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
C/09/525312/ KG ZA 17/61
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

“Kort geding. Vordering tot overplaatsing naar penitentiaire inrichting binnen straal van 50 km van woonplaats vrouw en kinderen. Eiser niet-ontvankelijk. De RSJ is voor een dergelijke geschil de aangewezen instantie. Geen strijd met EVRM.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/525312/ KG ZA 17/61

Vonnis in kort geding van 24 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [naam] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A. Quak te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van de Staat van 13 februari 2017, met producties;

- de op 16 februari 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is bij onherroepelijke uitspraak van 6 mei 2011 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 jaar wegens moord op zijn zwager en poging tot doodslag op zijn vrouw en neef. De (fictieve) einddatum van zijn detentie is vastgesteld op 4 februari 2033.

2.2.

Met ingang van 20 maart 2012 verbleef [eiser] , die 'ongewenst vreemdeling' is, in verband met de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde straf in de penitentiaire inrichting ('PI') te [plaats 1] , een inrichting voor strafrechtelijke gedetineerde vreemdelingen (een zogenaamde "VRIS-instelling").

2.3.

De vrouw en (inmiddels meerderjarige) kinderen van [eiser] wonen in [plaats 2] .

2.4.

Op 8 augustus 2012 is [eiser] - naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van zijn kant - overgeplaatst naar de PI te [plaats 3] , alwaar zijn familie hem gemiddeld éénmaal per twee weken bezocht.

2.5.

Op 7 juli 2015 is [eiser] , in verband met het feit dat hij een medegedetineerde tot tweemaal toe bij de keel had gegrepen, op zijn hoofd had geslagen en bedreigd en omdat er een aangeslepen mes in zijn cel was aangetroffen, over- c.q. teruggeplaatst naar de PI te [plaats 1] . Daar verblijft hij tot op heden.

2.6.

[eiser] heeft op 9 oktober 2015 een verzoek ingediend om overplaatsing naar een PI op redelijke reisafstand van zijn vrouw en kinderen, die hem per openbaar vervoer vanuit [plaats 2] moeten (kunnen) bereiken. Dit verzoek is op 4 december 2015 afgewezen door de selectiefunctionaris. [eiser] is tegen dit besluit in beroep gegaan bij de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (hierna 'RSJ'). De RSJ heeft dat beroep op 12 februari 2016 ongegrond verklaard, omdat de eerdere overplaatsing van [eiser] naar de PI te [plaats 3] is teruggedraaid na een ernstig incident waarbij [eiser] was betrokken en bezoekproblemen inherent zijn aan het ondergaan van detentie. Op grond hiervan kwam de RSJ tot het oordeel dat de door [eiser] aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende zwaarwegend zijn om af te wijken van de standaardplaatsing in de PI te [plaats 1] .

2.7.

Op 20 juni 2016 heeft de selectiefunctionaris een nieuw verzoek van [eiser] tot overplaatsing afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep van [eiser] is ongegrond verklaard door de RSJ op 29 augustus 2016. Voor zover hier van belang overweegt de RSJ:

"4.1. Namens klager is verzocht de zaak mondeling te behandelen. De beroepscommissie wijst dit verzoek af. Zij acht zich op basis van de stukken voldoende ingelicht om op het beroep te beslissen. Van een schending van artikel 6 van het EVRM (voorzieningenrechter: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden) door de wijze waarop het beroep wordt behandeld, is geen sprake, daar aan de eisen die artikel 6 van het EVRM aan een procedure verbindt, mede in het licht van artikel 73, vierde lid onder a, van de Pbw (voorzieningenrechter: de Penitentiaire beginselenwet), is voldaan."

2.8.

Sinds zijn terugplaatsing in de PI te [plaats 1] op 7 juli 2015 heeft [eiser] geen bezoek meer gehad van zijn vrouw en/of kinderen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - dat hij in afwachting van de door hem tegen de Staat aanhangig te maken bodemprocedure wordt overgeplaatst naar een PI binnen een straal van 50 kilometer van [plaats 2] . Daarnaast vordert hij dat hem een termijn wordt gegund waarbinnen hij de bodemzaak aanhangig dient te maken en veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

De door de RSJ gevoerde procedure levert strijd op met artikel 6 EVRM omdat [eiser] - ondanks uitdrukkelijk verzoek - niet de gelegenheid is geboden om de tweede beroepszaak mondeling toe te lichten. Voorts wordt door de weigering om [eiser] over te plaatsen inbreuk gemaakt op de artikelen 3 en 8 EVRM. Kortom, de procedure bij de RSJ kan in de situatie waarin [eiser] verkeert niet worden aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, mede waar de RSJ de tweede beroepszaak min of meer als een hamerstuk heeft afgehandeld. Er is thans sprake van een schrijnende, uitzichtloze en inhumane situatie, nu voor [eiser] als gevolg van de plaatsing in [plaats 1] en de duur van zijn detentie een effectieve omgang met zijn familie onmogelijk is geworden. Zijn familie beschikt namelijk over onvoldoende financiële middelen om hem in [eiser] te bezoeken. Een en ander brengt mee dat - bij wijze van uitzondering - moet worden ingegrepen door de civiele rechter.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] grondt zijn vorderingen op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven.

4.2.

Zoals hiervoor onder 3.2. aangegeven, stelt [eiser] dat de beroepsprocedure bij de RSJ niet kan worden aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, nu de RSJ heeft geweigerd hem te horen in de tweede beroepszaak en deze procedure min of meer als een hamerstuk heeft afgedaan. De voorzieningenrechter volgt [eiser] daarin niet.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat moet worden aangenomen dat de RSJ bij zijn beslissingen in beroepszaken acht slaat op de bepalingen uit het EVRM. De Staat heeft dat ook onweersproken gesteld. In dergelijke procedures kunnen klagers dus een beroep doen op een (of meer) vermeende schending(en) van het EVRM.

4.4.

Verder is van belang dat - ingevolge vaste jurisprudentie - een beroepsprocedure bij de RSJ moet worden aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die op grond van het stelsel van gesloten rechtsmiddelen de weg naar de burgerlijke rechter uitsluit. Daar komt bij dat een klager in zo'n procedure de mogelijkheid heeft om tussentijds een voorlopige voorziening te verkrijgen, in die zin dat hij aan de voorzitter van de beroepscommissie kan verzoeken om, hangende de procedure, de tenuitvoerlegging van de beslissing van de selectiefunctionaris te schorsen (artikel 73, juncto 66 Pbw).

4.5.

De omstandigheid dat [eiser] - ondanks zijn daartoe strekkende verzoek - niet door de RSJ is gehoord, levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen schending op van het beginsel van hoor en wederhoor. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat [eiser] - zij het schriftelijk - wel degelijk de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt toe te lichten. Daarnaast is van belang dat - zoals de Staat terecht heeft aangevoerd - artikel 73, vierde lid, onder a, Pbw de RSJ de bevoegdheid geeft te bepalen dat de betrokkenen uitsluitend de mogelijkheid hebben het beroepschrift schriftelijk toe te lichten. Gelet hierop lag het op de weg van [eiser] om gemotiveerd kenbaar te maken waarom hij desalniettemin een mondelinge behandeling wenste. Dat heeft hij echter nagelaten. De Staat heeft immers - onbetwist - aangevoerd dat [eiser] met het oog op zijn verzoek om een mondelinge behandeling enkel heeft verwezen naar het uitgangspunt van artikel 6 EVRM dat strafzaken en aan strafrecht gerelateerde zaken mondeling worden behandeld. Bezien in het licht van het voorgaande kan dat echter niet als een voldoende motivering worden aangemerkt. De RSJ heeft in zijn beslissing van 29 augustus 2016 gemotiveerd aangegeven van de bevoegdheid ex artikel 73, lid 4 onder a Pbw gebruik te maken, waarmee - volgens de RSJ - artikel 6 EVRM niet wordt geschonden. Dit laatste vormt een bevestiging van hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen. Aangenomen moet worden dat de RSJ van oordeel is dat ook geen sprake is van schending van artikel 3 en/of 8 EVRM. Overigens is gesteld noch gebleken dat [eiser] zich daarop heeft beroepen bij de RSJ.

4.6.

Voorts kan de beslissing van de RSJ van 29 augustus 2016 niet worden beschouwd als een 'hamerstuk'. Daarin is immers gemotiveerd aangegeven waarom - volgens de RSJ - het beroep van [eiser] ongegrond is. Weliswaar heeft de RSJ de overwegingen kort en bondig gehouden, maar daartoe was hij gerechtigd. Te meer nu [eiser] zijn tweede beroep grondde op nagenoeg dezelfde feiten en/of omstandigheden als zijn eerste beroep, dat de RSJ op 12 februari 2016 ongegrond had verklaard. Gelet hierop kon de RSJ in zijn beslissing van 29 augustus - onder verwijzing naar de beslissing van 12 februari 2016 - volstaan met de overweging "Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die thans tot een ander oordeel kunnen leiden." Daaraan voegt de RSJ nog toe dat [eiser] de gelegenheid is geboden te skypen met familieleden die niet in staat zijn hem te bezoeken.

4.7.

Op grond van het voorgaande is in de onderhavige situatie geen plaats voor ingrijpen door de burgerlijke rechter. [eiser] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

4.8.

Voor de goede orde wordt - ten overvloede - nog overwogen dat niet kan worden aangenomen dat de afstand tussen [plaats 2] en [plaats 1] en de financiële situatie van zijn gezin er aan in de weg staan dat [eiser] wordt bezocht door zijn vrouw en kinderen en dat daarmee sprake is van schending van artikel 3 en/of 8 EVRM. Die afstand kan in ieder geval niet als zodanig extreem worden aangemerkt dat sprake is van schending van een fundamenteel mensenrecht. Verder is van belang dat [eiser] tijdens zijn detentie in de PI te [plaats 3] gemiddeld éénmaal per twee weken werd bezocht door zijn familie, ondanks de slechte financiële situatie van zijn vrouw. Zonder (deugdelijke) nadere toelichting, die niet wordt gegeven, valt niet in te zien waarom de familie [eiser] ook niet zou kunnen bezoeken in de PI te [plaats 1] , zij het met een mindere frequentie. De stelling van [eiser] dat zijn vrouw en kinderen lichamelijk en/of geestelijk niet in staat zijn hem te bezoeken heeft hij niet voldoende onderbouwd en kan dus niet voor juist worden aangenomen.

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.

jvl