Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1802

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 556
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) volgt dat verweerder de aanspraak op een kindgebonden budget vaststelt en daarbij het oordeel van de SVB inzake de toekenning en betaling van kinderbijslag dient te volgen.

De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt dat verweerder een eigen afweging dient te maken op dit punt, omdat er sprake zou zijn van een eigen bevoegdheid en plicht om te toetsen of een aanvrager mogelijk voor kindgebonden budget in aanmerking komt. In de Wkb, noch in de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet valt een aanknopingspunt hiervoor te vinden. Van strijd met het EU-recht is de rechtbank niet gebleken, nu een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat tegen de beslissing van de SVB en de toetsing aan diverse bepalingen van het internationale recht daar plaats kan vinden. Het enkele feit dat verweerder zich op dit punt ingevolge de wettelijke bepaling aan de uitkomst van de procedure in de SVB zaak dient te conformeren, levert geen situatie op die in strijd is met de door eiseres ter zitting aangehaalde jurisprudentie.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 18, geldigheid: 2015-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/556

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 2 te noemen besluit bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 14 december 2015 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen op 22 januari 2016 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2016.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.S.M. Groeneveld en dr. R.E. van Huisstede.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en meegedeeld dat uiterlijk na 6 weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan. Bij brief van 25 juli 2016 heeft eiseres een nadere grond ingestuurd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en verweerder om een reactie gevraagd. Verweerder heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt bij brief van 7 september 2016. Nadat beide partijen toestemming hebben gegeven om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 28 augustus 2015 aanvragen kindgebonden budget voor de berekeningsjaren 2014 en 2015 gedaan, op grond van het feit dat eiseres vanaf eind 2013 rechtmatig verblijf heeft bij haar kind in Nederland.

2. Bij besluit van 22 september 2015 heeft verweerder de aanvragen afgewezen, omdat eiseres geen kinderbijslag voor haar kind ontvangt volgens mededeling van de uitkeringsinstantie Sociale Verzekeringsbank (SVB).

3. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat verweerder een eigen afweging moet maken en niet mag afgaan op informatie van de SVB, aldus eiseres.

4. Door de SVB is bij beslissing van 22 juli 2016 kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2014 aan eiseres toegekend.

Geschil
5.In geschil is of verweerder terecht de aanvragen kindgebonden budget heeft afgewezen. Ook is in geschil of eiseres ten onrechte niet is gehoord.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep

6. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of het bezwaar van eiseres tijdig is ingediend. Anders dan in het verweerschrift heeft verweerder ter zitting verklaard dat het beroepschrift schriftelijk is ontvangen op 12 november 2015, maar dat hij het bezwaarschrift reeds per fax heeft ontvangen op 2 november 2015. Zijn standpunt dat het bezwaarschrift ten onrechte ontvankelijk is verklaard, heeft hij daarom ingetrokken. De rechtbank acht het bezwaar ontvankelijk.

Kindgebonden budget 2014 en 2015

7. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Wkb) heeft de ouder aanspraak op een kindgebonden budget (voor zover hier van belang) voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) kinderbijslag wordt betaald.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) volgt dat verweerder de aanspraak op een kindgebonden budget vaststelt en daarbij het oordeel van de SVB inzake de toekenning en betaling van kinderbijslag dient te volgen (o.a. 1 juli 2015, ECLI:NL: RVS:2015:2048).

8. Nu de SVB heeft beslist dat eiseres vanaf het vierde kwartaal van 2014 recht heeft op kinderbijslag, kan eiseres met ingang van 1 oktober 2014 eveneens aanspraak maken op het kindgebonden budget vanaf genoemde datum.

9. Ten tijde van het bestreden besluit was evenwel deze informatie nog niet beschikbaar. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op dat moment met een beroep op artikel 2 van de Wkb terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiseres niet in aanmerking kon komen voor een kindgebonden budget over de jaren 2014 en 2015. Het bestreden besluit kan dan ook in stand blijven. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt dat verweerder een eigen afweging dient te maken op dit punt, omdat er sprake zou zijn van een eigen bevoegdheid en plicht om te toetsen of een aanvrager mogelijk voor kindgebonden budget in aanmerking komt. In de Wkb, noch in de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet valt een aanknopingspunt hiervoor te vinden. Van strijd met het EU-recht is de rechtbank niet gebleken, nu een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat tegen de beslissing van de SVB en de toetsing aan diverse bepalingen van het internationale recht daar plaats kan vinden. Het enkele feit dat verweerder zich op dit punt ingevolge de wettelijke bepaling aan de uitkomst van de procedure in de SVB zaak dient te conformeren, levert geen situatie op die in strijd is met de door eiseres ter zitting aangehaalde jurisprudentie.

Horen

10. Ter zake van het standpunt van eiseres dat de hoorplicht is geschonden, overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuursorgaan de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord voordat het op een bezwaar beslist. Daarvan kan op grond van artikel 7:3, aanhef, onder b, van de Awb worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarvan is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze zaak ten tijde hier van belang terecht het standpunt ingenomen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en om die reden van het horen kunnen afzien.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)