Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1797

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
C/09/524029 / FA RK 16-9703
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering - Verzoek tot teruggeleiding naar Spanje - Rechtbank oordeelt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen altijd Nederland is geweest en dat er geen sprake is van kindertonvoering. Verzoek tot teruggeleiding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 16-9703

Zaaknummer: C/09/524029

Datum beschikking: 20 februari 2017

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 22 december 2016 ingekomen en op 10 januari 2017 aangevuld verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] , Spanje, thans verblijvende te [verblijfplaats] ,

advocaat: mr. J. Schoenmakers te Breda, mr. B. Mulder te Barcelona, Spanje, en mr. S.C.W. Stoffelen te Cuijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] , thans verblijvende op een geheim adres ergens in Nederland,

advocaat: mr. A.H. van Haga te ’s-Gravenhage (voorheen: mr. M.J. Stoffijn te Rosmalen).

Als informant wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

hierna: Jeugdbescherming.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift met producties;

  • -

    het verweerschrift met producties;

- een F-formulier ingekomen bij de rechtbank op 29 december 2016 met bijlagen, van de zijde van de vader;

- een F-formulier ingekomen bij de rechtbank op 9 januari 2017 met een bijlage, van de zijde van de vader;

- een faxbericht d.d. 6 januari 2017 van de zijde van de vader;

- een faxbericht d.d. 9 januari 2017 van de zijde van de moeder;

- een brief d.d. 10 januari 2017 van de zijde van de vader houdende een gewijzigd

verzoek;

- een brief van 1 februari 2017 van de zijde van de vader;

- een brief van 1 februari 2017 met bijlagen van de zijde van de vader (producties 14 tot en met 27);

- een F-formulier met brief van 3 februari 2017 en producties van de zijde van de moeder.

Op 10 januari 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mrs. J. Schoenmaker en S.C.W. Stoffelen, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Voorts waren aanwezig: [naam] en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Het betrof hier een regiezitting met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J.M. Vink.

De rechtbank heeft op 6 februari 2017, in raadkamer, met de minderjarige [de minderjarige 1] gesproken.


Op 6 februari 2017 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaten mrs. J. Schoenmaker en S.C.W. Stoffelen, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Voorts zijn verschenen: [naam] en [naam] namens de Raad, en [naam] , namens Jeugdbescherming. Namens beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarigen naar Spanje ( [adres] ) te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór 1 februari 2017 doch uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Spanje, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen – te bepalen op welke datum, doch uiterlijk op 1 februari 2017 dan wel op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Spanje, met veroordeling van de moeder in de nog te specificeren kosten die de vader in verband met de ontvoering en teruggeleiding heeft moeten maken en nog dient te maken, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige 1] ), en

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna [de minderjarige 2] ).

- Uittreksels uit het gezagsregister met betrekking tot [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vermelden dat partijen sinds 21 juli 2016 het gezamenlijk gezag over hen uitoefenen.

- De vader, de moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben vanaf 1 oktober 2015 tot eind juni 2016 onderwijs gevolgd aan de [naam school] in [plaats] (Spanje). De inschrijvingsformulieren daartoe zijn op 27 oktober 2015 ondertekend.

- De moeder is eind juni 2016 met de kinderen naar Nederland gegaan en heeft hen in juli 2016 naar Spanje gebracht voor een verblijf bij de vader voor een periode van twee weken. Vervolgens heeft de vader de kinderen op 6 augustus 2016 naar de moeder in Nederland gebracht.

- Op 14 augustus 2016 heeft de vader de kinderen zonder overleg met en toestemming van de moeder meegenomen naar [plaats] .

- De vader is op 19 augustus 2016 in Nederland aangehouden in verband met een strafrechtelijke verdenking en in voorlopig hechtenis geplaatst, welke voorlopige hechtenis vervolgens is geschorst wegens een WETS-verzoek (Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties) vanuit België.

- Bij vonnis in kort geding van 7 september 2016 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van de verzoeken van de moeder tot onder meer terugbrenging van de kinderen naar haar, verstrekking van hun paspoorten aan haar en inschrijving van de kinderen op school.

- De moeder heeft vervolgens op 14 november 2016 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zonder overleg met en toestemming van de vader opgehaald uit school in [plaats] en naar Nederland gebracht.

- Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 23 januari 2017 is de voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen uitgesproken voor de duur van drie maanden.

- De zaak is niet aangemeld bij Centrale Autoriteit.

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Spanje zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag wordt het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd beschouwd, wanneer dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht dat is toegekend aan een persoon, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging zijn gewone verblijfplaats had. Dit conflictenrechtelijk begrip ‘gewone verblijfplaats van het kind’ is een feitelijk begrip waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging maatschappelijk de nauwste bindingen heeft.

Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind in aanmerking te nemen factoren kunnen naast de fysieke aanwezigheid van het kind in de staat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een staat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Voorts kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, zoals de koop of de huur van een woning in de staat van ontvangst, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. De leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving, waarvoor de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend is of zijn.

De vader stelt dat partijen met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in elk geval sinds de zomer van 2015 definitief in [plaats] (Spanje) zijn gaan wonen. Het gezin huurde daar een huis en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn daar structureel naar school gegaan, hadden vriendjes en vriendinnetjes. Het sociale en maatschappelijke leven van partijen en de kinderen vond plaats in [plaats] , Spanje. De kinderen zijn in het afgelopen jaar uitsluitend voor vakantie in Nederland geweest, terwijl zij in juli 2016 ook nog de Summerschool in Spanje hebben bezocht om hun Engels te verbeteren. Volgens de vader heeft de moeder hem vals beschuldigd, op grond waarvan hij in hechtenis is genomen en heeft de moeder de man aldus van de kinderen geïsoleerd en met medewerking van de Nederlandse Overheid de kinderen uit [plaats] ontvoerd. De vader verwijst verder naar het vonnis van de voorzieningenrechter van 2 november 2016 waarin is vastgesteld dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Spanje is.

De moeder voert aan dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is en nooit is gewijzigd. Zij betoogt dat de man Nederland heeft moeten verlaten in verband met conflicten in het criminele circuit. De moeder verwijst naar het uittreksel in de Basisregistratie Personen (BRP) waarin is vermeld dat de vader is geëmigreerd naar China. De moeder, die op dat moment alleen met het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] was belast, heeft toen besloten om één schooljaar met de kinderen bij de vader in [plaats] te komen wonen. Omdat het slechts om een tijdelijk verblijf ging heeft de moeder haar woning in Nederland niet opgegeven en haarzelf en de kinderen niet uitgeschreven uit de BRP in Nederland. Zij heeft ontheffing van de leerplichtwet voor [de minderjarige 1] aangevraagd voor één schooljaar en heeft deze ontheffing niet verlengd. Alle vakanties bracht de moeder met de kinderen in Nederland door, op twee weken zomerschool in de zomervakantie in Spanje na. In verband met een relatiecrisis tussen partijen heeft de moeder in maart 2016 drie weken met de kinderen in Nederland verbleven. Eind juni 2016 is de moeder met de kinderen weer in Nederland gaan wonen. Zij had toen alleen het gezag over hen en kon dit zonder toestemming van de vader beslissen.

De rechtbank stelt voorop dat zij een zelfstandige beoordeling dient te maken over wat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is en hierbij niet gebonden is het aan het oordeel van de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 2 november 2016.

Anders dan de vader in de processtukken heeft betoogd, hebben partijen ter zitting beiden verklaard dat de moeder half juli 2015 met de kinderen naar Spanje is gekomen, dat de kinderen in september 2015 nog terug in Nederland zijn geweest en daar naar school zijn gegaan en dat zij vervolgens met ingang van 1 oktober 2015 in Spanje naar school zijn gegaan. Hetgeen partijen hieromtrent hebben verklaard komt overeen met hetgeen op het op 27 oktober 2015 gedateerde inschrijvingsformulier van [de minderjarige 1] op de school in [plaats] is opgenomen, namelijk dat zij in Nederland onderwijs heeft gevolgd “from: 01 sep 2014, to: now”. De rechtbank stelt dan ook vast dat de kinderen sinds oktober 2015 met hun ouders in Spanje verbleven en dat in ieder geval vóór 1 oktober 2015 hun gewone verblijfplaats in Nederland was.

De vraag die vervolgens ter beantwoording aan de rechtbank voorligt is of de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op 14 november 2016, de datum waarop de vader stelt dat de moeder de kinderen zonder zijn toestemming mee naar Nederland heeft genomen, was gewijzigd naar Spanje doordat partijen na 1 oktober 2015 met de kinderen in Spanje hebben verbleven.

De rechtbank stelt vast dat de kinderen het schooljaar 2015/2016 in Spanje hebben doorgebracht. Vast staat voorts dat de relatie tussen de ouders in maart 2016 in een crisis verkeerde en dat de kinderen toen met de moeder drie weken in Nederland zijn geweest. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder in maart 2016 al weer definitief wilde terugkeren naar Nederland, maar dat er uiteindelijk voor is gekozen de kinderen het schooljaar in Spanje af te laten maken (waar zij overigens wel van mening verschillen over hoe het daarna verder zou gaan). Vervolgens heeft de moeder de kinderen aan het einde van het schooljaar in juni 2016 naar Nederland gehaald om, aldus de moeder, daar met hen te blijven wonen. Tot het nemen van een dergelijke beslissing was zij gerechtigd omdat zij op dat moment nog alleen met het gezag over de kinderen was belast. De kinderen zijn vervolgens zonder overleg met en toestemming van de moeder door de vader op 14 augustus 2016 mee naar Spanje genomen.

De stelling van de moeder dat het niet de bedoeling was om voorgoed naar Spanje te verhuizen en te verblijven maar slechts als proef was bedoeld, vindt bevestiging in de omstandigheid dat zij noch [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit de registers van de basisadministratie personen zijn uitgeschreven en voorts slechts voor één jaar ontheffing van de leerplicht voor [de minderjarige 1] is aangevraagd, terwijl voorts niet is gebleken dat een verzoek tot verlenging van die ontheffing is gedaan voor het schooljaar 2016/2017. De rechtbank overweegt voorts dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , die nog maar zes respectievelijk vier jaar oud zijn, gedurende het merendeel van hun leven in Nederland woonachtig zijn geweest, dat zij daarnaast beide de Nederlandse nationaliteit hebben, Nederlands hun moedertaal is en hun familie grotendeels in Nederland woont.

Gelet op voormelde feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de slotsom dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen nimmer is gewijzigd van Nederland naar Spanje. Naar het oordeel van de rechtbank is op 14 november 2016 derhalve geen sprake geweest van een ongeoorloofd overbrengen van de kinderen naar Nederland zodat het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen reeds daarom afgewezen dient te worden.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien Spanje wel de gewone verblijfplaats van de kinderen zou zijn, het teruggeleidingsverzoek eveneens niet voor toewijzing vatbaar is. Ten tijde van de indiening van het verzoek alsook van de behandeling van het verzoek ter zitting bevond de vader zich in detentie in verband met de voorlopige tenuitvoerlegging van een Belgische straf voor de tenuitvoerlegging waarvan een WETS-verzoek is ingediend.

Van de moeder valt in redelijkheid niet te verlangen dat zij met de kinderen terugkeert naar Spanje gelet op de aangifte van geweld en bedreiging die zij jegens de vader heeft gedaan en gelet op de door de moeder gestelde (ernstig) verstoorde relatie tussen haar en de familie van de vader. Teruggeleiding van de kinderen naar Spanje zou dan ook betekenen dat zij aldaar moeten worden opgevangen door de huidige echtgenote van de vader, zijn familie en een nanny. Gelet op de vele wisselingen die de kinderen in het afgelopen jaar hebben meegemaakt, de omstandigheid dat zij van medio augustus 2016 tot 14 november 2016 van hun moeder gescheiden zijn geweest en vanaf eind augustus 2016 hun vader wegens zijn hechtenis niet meer hebben gezien, maakt dat er ernstig risico bestaat dat zij door een terugkeer naar wederom een situatie waarin zij gescheiden zullen zijn van hun ouders, in een ondragelijke toestand zullen worden gebracht. Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond in artikel 13 lid 1 sub b HKOV zou in die situatie dan ook slagen.

Kosten

De rechtbank ziet geen reden, zoals door de vader is verzocht, om de moeder te veroordelen in de kosten van het geding. De proceskosten zullen, nu het hier gaat om een zaak van familierechtelijke aard, tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat elk van de partijen de eigen proceskosten draagt.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

-wijst af het verzoek tot teruggeleiding van [de minderjarige 1], geboren op [geboorteplaats] te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] naar Spanje ( [plaats] );

-bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, M.P. Verloop en J.C. Sluymer, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2017.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.