Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1769

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
17/1558
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Irak

- opvolgende aanvraag

- homoseksuele gerichtheid

- bekering

- afvalligheid

- tatoeage

- inreisverbod

- kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/1558 (asiel ), 17/1554 (inreisverbod)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. J.J.J. Jansen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Schut.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 januari 2017 waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond (het bestreden besluit). Daarbij is aan eiser tevens een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiser heeft afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bij het bestreden besluit opgelegde inreisverbod.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak AWB 17/1556, plaatsgevonden op 3 februari 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig S. Gus, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Iraakse nationaliteit te bezitten. Op 21 maart 2012 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De afwijzing daarvan staat in rechte vast met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 30 september 2015. Op 12 mei 2015 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend, die hij vervolgens heeft ingetrokken waarna aan eiser een terugkeerbesluit is uitgevaardigd.

Op 11 januari 2017 heeft eiser de huidige asielaanvraag ingediend. Eiser heeft daarbij ter onderbouwing van zijn identiteit een origineel Iraaks paspoort overgelegd. Verder heeft eiser gesteld dat hij homoseksueel is en dat hij zich in 2014 heeft bekeerd tot het christendom.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet (Vw) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d, e en g, van de Vw. Verweerder heeft de gestelde homoseksualiteit van eiser en zijn gestelde bekering tot het christendom niet geloofwaardig geacht.

3. Op hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd wordt in het navolgende ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. In het bestreden besluit is ten onrechte vermeld dat eiser afzonderlijk beroep in diende te stellen tegen het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod. Uit het oogpunt van concentratie van rechtsbescherming wordt het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag geacht mede te zijn gericht tegen het inreisverbod. Hetgeen door eiser is aangevoerd onder nummer AWB 17/1554 dient daarom te worden beschouwd als een aanvulling van de beroepsgronden in het beroep, onder AWB 17/1558.

Ten aanzien van de gestelde homoseksuele gerichtheid

5. Anders dan eiser in de gronden van beroep heeft betoogd, heeft verweerder terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat eiser in de eerdere asielprocedure een onjuiste geboortedatum en valse identiteitsgegevens heeft verstrekt, afbreuk doet aan eisers geloofwaardigheid. Verweerder heeft dit dan ook mede ten grondslag kunnen leggen aan de conclusie dat eisers verklaringen ongeloofwaardig zijn.

6. De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder zijn onderzoek naar eisers gestelde homoseksuele gerichtheid heeft verricht overeenkomstig Werkinstructie (WI) 2015/9. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van dat asielmotief wordt rekening gehouden met het feit dat seksuele gerichtheid niet met sluitend bewijs aannemelijk kan worden gemaakt, terwijl anderzijds als uitgangspunt geldt dat het louter stellen ervan niet voldoende is. De vreemdeling krijgt in het gehoor de kans om zijn relaas te doen en aan hem worden vragen gesteld over thema’s die in de WI staan beschreven. Het hangt af van de specifieke zaak welk gewicht toekomt aan de antwoorden op deze vragen, maar in zijn algemeenheid ligt het zwaartepunt op antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (o.a. bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is. In de uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat verweerder aan de hand van deze vaste onderzoeksmethode op een zorgvuldige manier onderzoek verricht naar een gestelde seksuele gerichtheid als asielmotief.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser met zijn verklaringen geen blijk heeft gegeven van een proces van bewustwording en zelfacceptatie. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser daarover niet-overtuigende, vage en summiere verklaringen heeft afgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij zich bewust werd van zijn homoseksuele gevoelens nadat hij ‘gedwongen’ seks had gehad met [naam], terwijl hij daarvoor nooit enige gevoelens voor mannen, danwel vrouwen heeft gehad. Ook heeft eiser verklaard dat hij geen enkele twijfel had en zijn homoseksuele gevoelens meteen accepteerde. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat ook van een 17-jarige verwacht mag worden dat hij zich enige vragen stelt over wat zijn gerichtheid voor hem en zijn omgeving betekent. Dit temeer, nu eiser afkomstig is uit een religieus gezin in Irak, waar homoseksualiteit maatschappelijk niet wordt geaccepteerd en voor eiser ernstige gevolgen kan hebben. Eisers reactie op deze tegenwerping, dat zijn verklaring dat hij zich vóór de ervaring met [naam] al meisjesachtig gedroeg, is onvoldoende om te spreken van een proces van bewustwording. Eiser heeft immers verklaard vóór [naam] nooit enige gevoelens voor mannen te hebben gehad. Het verbod van stereotypering laat onverlet dat van een vreemdeling die stelt homoseksueel te zijn wordt verlangd dat hij met zijn verklaringen inzicht geeft in enig proces van bewustwording en zelfacceptatie. De in beroep overgelegde brief van COC Nederland van 15 juli 2016, waarin in algemene zin kanttekeningen worden geplaatst bij dit uitgangspunt, wordt bekritiseerd, leidt niet tot een ander oordeel.

8. Verweerder heeft daarnaast terecht tegengeworpen dat eiser op verschillende punten tegenstrijdig heeft verklaard over gebeurtenissen vóór eisers vertrek uit Irak. Eisers reactie dat dit hem niet toe te rekenen valt, gelet op het tijdsverloop sinds zijn eerste asielprocedure, wordt niet gevolgd, nu de tegenstrijdigheden (ook) zien op de hoofdlijnen van het asielrelaas. Zo heeft eiser in het gehoor opvolgende aanvraag onder andere verklaard dat hij betrekkelijk kort nadat hij was betrapt is gevlucht uit Irak, terwijl eiser in 2012 heeft verklaard dat hij na het incident anderhalf jaar in een appartement in Bagdad heeft doorgebracht.

9.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de in het bestreden besluit opgenomen tegenwerpingen, terecht de gestelde homoseksuele gerichtheid en de daarmee verband houdende problemen ongeloofwaardig geacht. Dat verweerder daarnaast niet nader heeft gemotiveerd welke van eisers verklaringen op zich beschouwd wel geloofwaardig zouden kunnen zijn, maakt niet dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling zou hebben uitgevoerd. Ook de ter ondersteuning van de aanvraag overgelegde brief van Veilige Haven leidt niet tot een ander oordeel, nu eiser de gestelde gerichtheid allereerst met zijn eigen verklaringen aannemelijk moet maken.

Ten aanzien van de gestelde bekering tot het christendom

10. Voor zover het de gestelde bekering tot het christendom betreft, heeft verweerder terecht overwogen dat de omstandigheid dat eiser hiervan niet al ten tijde van zijn tweede (ingetrokken) aanvraag, maar pas in 2017 melding heeft gemaakt, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de thans afgelegde verklaringen. Dat die tweede aanvraag is ingetrokken doet hieraan niet af.

11. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888) volgt dat het verweerder vrijstaat bij de toepassing van zijn gedragslijn voor het onderzoek naar de geloofwaardigheid van een bekering aan de motieven voor en het proces van bekering een doorslaggevend gewicht toe te kennen. Aan bekering gaat - anders dan wanneer iemand een gestelde geloofsovertuiging van zijn ouders heeft meegekregen - een weloverwogen en bewuste keuze van de vreemdeling vooraf. Dat geldt temeer indien iemand afkomstig is uit een land waar het zich bekeren tot het gestelde geloof strafbaar of maatschappelijk onacceptabel is. Eiser dient voldoende inzicht te geven in zijn motieven voor en het proces van bekering en verweerder dient hem voldoende in de gelegenheid te stellen daarover te verklaren.

12. Niet in geschil is dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over zijn motieven voor en het proces van bekering. Verweerder heeft vragen gesteld over het christendom, wat hem daarin aantrekt, wat de kern is van het christendom, wanneer hij daadwerkelijk geïnteresseerd raakte in het christendom, wat maakte dat hij christen werd, wat maakte dat hij koos voor het protestantisme en wat hem uit de bijbel het meeste aansprak. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser met de gegeven antwoorden – die er in de kern op neerkomen dat eiser met het geloof vrede en rust in zijn leven kreeg – onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor en het proces van bekering. Verweerder heeft in dit verband naar voren gebracht dat eiser over het innerlijk proces dat aan de gestelde bekering vooraf is gegaan en de aanleiding om zich tot het christendom – een in Irak verboden religie – te bekeren vaag, summier dan wel te algemeen heeft verklaard. Zo heeft eiser verklaard zich binnen een tijdsbestek van één tot twee maanden nadat hij in aanraking kwam met het christendom te hebben bekeerd en zich niet te hebben verdiept in het christendom voor zijn bekering, terwijl hij al twee maanden na zijn bekering is gedoopt. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het bevreemdt dat eiser bij een andere kerk is gedoopt dan de kerk waarbij hij was aangesloten en welke hij bezocht. Eiser spreekt slechts in algemene bewoordingen over zijn bekering. Dat eiser stelt te hebben verklaard, zoals hij het heeft ervaren, neemt niet weg dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser daarmee geen inzicht geeft in zijn innerlijke beweegredenen om zich te bekeren. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij geen twijfels heeft gehad aangaande zijn bekering en voorafgaand daaraan evenmin te hebben nagedacht over de mogelijke nadelen die een bekering voor hem zou kunnen hebben, terwijl dit wel voor de hand had gelegen nu eiser afkomstig is uit Irak, waar bekering tot het christendom strafbaar en niet maatschappelijk aanvaard is. Eiser heeft gesteld dat het voor hem als niet praktiserend moslim een minder grote stap was om christen te worden dan voor iemand die uit een streng conservatief moslimgezin komt, maar dat neemt niet weg dat aan een bekering een weloverwogen en bewuste keuze voorafgaat en dat het aan eiser is inzicht te verschaffen in motieven voor en het proces van bekering. Tenslotte heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser basale kennis over het christendom niet weet te benoemen.

13. Nu eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is bekeerd tot het christendom, kan de overgelegde doopakte op zich niet leiden tot de conclusie dat zijn bekering wel aannemelijk moet worden geacht. Daarbij komt dat verweerder in het bestreden besluit heeft gemotiveerd waarom ook eisers verklaringen over de doop niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers relaas.

14. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij eerst in beroep stelt, alleen al vanwege een duidelijk zichtbare tatoeage van een kruis in zijn hals in Irak zal worden beschouwd als afvallige. Allereerst is niet aannemelijk dat hij heeft te gelden als een bekeerling, terwijl hij in de gehoren geen andere redenen heeft opgegeven waarom hij zou moeten worden beschouwd als een afvallige. Niet aannemelijk is geworden dat het hebben van een tatoeage reeds een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM oplevert. Eiser heeft een e-mail overgelegd van mevrouw S. Laizer, volgens bijgevoegde informatie schrijfster en journaliste en midden-oostendeskundige. Zij verklaart desgevraagd weliswaar dat extremistische milities eiser vanwege diens tatoeage zullen beschouwen als een afvallige, waardoor hij bloot zal komen te staan aan grote risico’s, maar zij onderbouwt deze enkele conclusie verder op geen enkele wijze met verifieerbare informatie.

Nu eisers bekering niet aannemelijk is geworden, heeft verweerder overigens terecht gesteld dat van eiser verlangd mag worden dat hij de tatoeage in zijn nek in Irak bedekt.

Conclusie

15. Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

16. Voor zover eiser zich met een verwijzing naar zijn gestelde relatie met [naam 1] heeft willen beroepen op artikel 8 van het EVRM, heeft verweerder terecht overwogen dat eiser hierover niet geloofwaardig heeft verklaard. De in beroep overgelegde e-mail van [naam 1] kan hieraan niet afdoen, nu het aan eiser zelf is om aannemelijk te verklaren.

Ten aanzien van de kennelijke ongegrondheid

17. Nu verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser inhoudelijk heeft beoordeeld, is de aanvraag van eiser in elk geval op goede gronden als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid, onderdeel g, Vw afgewezen. De beroepsgronden gericht tegen de overige gronden voor de kennelijke ongegrondheid behoeven hierom geen bespreking.

Ten aanzien van het beroep tegen het inreisverbod

18. Aangezien de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, slaagt het beroep dat verweerder ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd niet. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten zijn voor verweerder om van het uitvaardigen van een inreisverbod af te zien.

19. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep (AWB 17/1558 en AWB 17/1554) ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.