Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1721

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
AWB 16/22236
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, gezondheidstoestand eiseres, belangen jonge kinderen, beroep gegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/22236

V-nummers: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 februari 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. H.C. van Asperen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.E.J. ten Berg.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (AWB 16/22236) en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van overdracht hangende het beroep (AWB 16/22237).

Verweerder heeft op 12 oktober 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig H. Amad, tolk Koerdisch Kurmanji, [naam neef], een neef van eiseres, en [naam leerkracht], leerkracht van de kinderen van eiseres. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

De voorzieningenrechter heeft op 20 oktober 2016 het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat het onderzoek in het beroep zal worden heropend om eiseres in de gelegenheid te stellen vóór 1 december 2016 haar beroep op artikel 17, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (PbEU 2013 L180; hierna: de Dublinverordening) met medische stukken nader te onderbouwen.

Bij brief van 30 november 2016 heeft eiseres haar beroep nader onderbouwd. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 7 december 2016.

Partijen hebben de rechtbank vervolgens toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 7 maart 2016 heeft eiseres mede ten behoeve van haar kinderen [naam 1] , geboren op [geboortedatum 1] , en [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] , een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat Duitsland op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Om die reden is de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij brief van 25 april 2016 hebben de Duitse autoriteiten het verzoek tot terugname geweigerd, omdat nader onderzoek nodig was. Op 9 mei 2016 heeft verweerder een verzoek om heroverweging verzonden aan de Duitse autoriteiten. Zij hebben op 17 augustus 2016 alsnog ingestemd met het terugnameverzoek (claimakkoord). In wat eiseres heeft aangevoerd ziet verweerder geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt en verweerder op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

3. Eiseres betwist dat zij in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Nu Duitsland het terugnameverzoek aanvankelijk heeft afgewezen en in het claimakkoord bevestigd wordt dat Duitsland niet beschikt over een asielaanvraag van eiseres, had verweerder nader moeten onderzoeken of eiseres in Duitsland asiel heeft aangevraagd en daarmee valt onder de doelgroep voor eventuele overdracht aan Duitsland conform de Dublinverordening. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar een artikel uit de Volkskrant van 15 september 2016 waarin gesproken wordt over een algemeen akkoord tussen de Nederlandse en Duitse autoriteiten over de overname van 450 asielzoekers door Duitsland. Voorts verwijst eiseres naar een brief van het “Bundesamt für Migration und Flüchtlinge” van 4 juli 2016 waarin staat dat alle binnenkomende migranten onder de categorie ‘1’ (als asielzoeker) in het Eurodac-systeem zijn geregistreerd.

Verder handhaaft eiseres haar stelling dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening waardoor van overdracht aan Duitsland moet worden afgezien. Zij heeft daartoe kort gezegd betoogd dat zij ernstig getraumatiseerd is en specialistische medische behandeling behoeft. Door een huisarts is zij hiervoor doorverwezen naar Stichting Centrum ’45 te Diemen. Ook de kinderen van eiseres zijn getraumatiseerd. Eiseres en haar kinderen wonen in huis bij één van de neven van eiseres en zijn afhankelijk van de mantelzorg van hem en overige familieleden. Overdracht aan Duitsland zal ernstige terugval opleveren en zeer ernstige gevolgen hebben voor de psychische en fysieke gezondheidssituatie van eiseres en haar kinderen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

5. In artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

6. In artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening is bepaald dat de verantwoordelijke lidstaat verplicht is een onderdaan van een derde land of een staatloze wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

7. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:74 en ECLI:NL:RVS:2017:75) kan een lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk worden geacht voor terugname van een asielzoeker en behandeling van zijn asielverzoek zodra deze zijn verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, in deze lidstaat tegenover de bevoegde autoriteiten kenbaar heeft gemaakt. Daarvoor is niet vereist dat een verzoek om internationale bescherming formeel - naar nationaal recht van die lidstaat - is ingediend. Dat eiseres haar in Duitsland geuite verzoek om internationale bescherming nog niet heeft geformaliseerd, maakt dus niet dat Duitsland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek. Verweerder heeft terecht op basis van zijn verrichte onderzoek in het Eurodac-systeem een terugnameverzoek gedaan aan de Duitse autoriteiten, waarin hij heeft vermeld dat eiseres betwist dat zij in Duitsland een asielverzoek heeft ingediend. De Duitse autoriteiten hebben alsnog het terugnameverzoek op basis van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening geaccepteerd. Hierin staat expliciet vermeld dat eiseres, ondanks het ontbreken van een formele schriftelijke asielaanvraag, in Duitsland als asielzoekster is geregistreerd. Ook staat hierin dat aan eiseres een zogeheten ‘Bescheinigung über die Meldung als Asylsuchender’ (BÜMA) is uitgereikt. Uit de informatie uit het claimakkoord en de uitreiking van de BÜMA kan – anders dan eiseres betoogt – niet worden afgeleid dat zij nog geen (mondeling) verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft gedaan. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder van de resultaten van het Duitse onderzoek heeft kunnen uitgaan en geen aanleiding heeft hoeven zien een nader onderzoek uit te voeren. Van een willekeurige handelswijze zoals eiseres heeft betoogd onder verwijzing naar het krantenartikel is geen sprake. Het beroep van eiseres op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 26 juli 2016 (AWB 16/11956) en op de brief van 4 juli 2016 van het “Bundesamt für Migration und Flüchtlinge” kan niet slagen gelet op de uitspraken van de Afdeling van 18 januari 2017.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en het bepaalde in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verbinding met artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres.

8. Ten aanzien van het beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening overweegt de rechtbank als volgt.

9. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, eerste lid, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de Dublinverordening neergelegde criteria niet verplicht.

10. Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vermeldt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.

De IND gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen in ieder geval in de volgende situaties:

-er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, of

-bijzondere individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

11. Eiseres heeft in een brief van 30 november 2016 nader onderbouwd haar stelling dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Gewezen is op een verklaring van 24 november 2016 van O. de Boer, klinisch psycholoog en psychotherapeut en

N. Chavez Peperkamp, psychiater i.o., beiden behandelaars van eiseres bij Stichting Centrum ’45, waarin , voor zover van belang, staat vermeld: ‘De klachten van eiseres passen binnen een diagnose van een chronische posttraumatische stressstoornis met dissociatieve kenmerken en een depressieve stoornis (…) Eiseres is akkoord met de indicatie voor een individuele traumagerichte psychotherapie (NET-behandeling) en is hiervoor op onze wachtlijst geplaatst. Gezien haar zeer ernstige klachten, wordt zij sinds de intake regelmatig overbrugd door de intaker De Boer (…) Eiseres is door haar psychopathologie afhankelijk van enkele neven in Nederland die veel zorgtaken van de kinderen op zich nemen en eiseres intensief begeleiden (…) De praktische en emotionele steun van de neven is van essentieel belang voor het welzijn van eiseres, de kinderen en voor het kunnen plaatsvinden van passende behandeling. Het is te verwachten dat een eventuele uitzetting naar Duitsland haar psychische toestand ernstig zal doen verslechteren.’

12. Verweerder heeft zich in zijn reactie van 7 december 2016 op het standpunt gesteld dat uit de brief van de behandelaars van 24 november 2016 niet blijkt dat eiseres afhankelijk is van haar gestelde neven en dat deze zorg niet of bezwaarlijk door anderen zou kunnen worden overgenomen. Niet valt in te zien waarom eiseres niet met hulp van hulpverleners thans in Nederland of in de toekomst in Duitsland naar een behandelaar zou kunnen reizen. Verweerder acht van belang dat onbestreden is dat voor eiseres in Duitsland adequate medische behandeling aanwezig is en dat de NET-behandeling nog niet is aangevangen. De veronderstelling dat eiseres bij overdracht aan Duitsland (nog) langer op de start van die behandeling zou moeten wachten is speculatief. Opgemerkt zij dat de Duitse autoriteiten zorg zullen dragen voor een eventuele noodzakelijke tussentijdse ‘overbrugging’ net als in Nederland. De Duitse autoriteiten zullen geïnformeerd worden over de gezondheidstoestand van eiseres. Dat de medische situatie door overdracht zal verslechteren doet aan het voorgaande niet af. Immers is niet inzichtelijk waarom de behandelaar een Duitse beroepsgenoot niet in staat acht om de medische situatie van eiseres te stabiliseren. Verweerder heeft tot slot in dit kader nog verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2016 (nr. 201505706/1/V3) en van 19 oktober 2016 (nr. 201604049/1/V3).

13. De rechtbank leidt uit de door eiseres overgelegde nadere informatie af dat niet alleen eiseres, maar ook haar kinderen zowel praktisch als emotioneel afhankelijk zijn van de steun van de neven van eiseres in Nederland en dat deze steun in verschillende opzichten van essentieel belang is voor het welzijn van eiseres en dat van haar kinderen. Bij overdracht naar Duitsland zullen zij deze steun moeten ontberen. Gelet op de volgens de behandelaars zeer precaire psychische toestand van eiseres valt moeilijk in te zien hoe de steun van die neven ook door willekeurige hulpverleners in Duitsland kan worden overgenomen. Het betreft immers niet alleen de medische behandeling van eiseres, maar gelet op haar ernstige klachten ook noodzakelijke hulp en opvang van haar kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangen van de nog zeer jonge kinderen van eiseres dan ook onvoldoende bij zijn standpunt betrokken. De zaken waarnaar verweerder in zijn reactie van 7 december 2016 heeft verwezen acht de rechtbank niet vergelijkbaar. In die gevallen was immers geen sprake van vreemdelingen met jonge kinderen die voor hun welzijn en passende behandeling afhankelijk waren van de steun van familieleden in Nederland.

14. De rechtbank leidt bovendien uit de overgelegde informatie van de behandelaars van eiseres af dat het te verwachten is dat een overdracht aan Duitsland haar psychische toestand ernstig zal doen verslechteren. Uit de reactie van verweerder van 7 december 2016 blijkt niet dat verweerder enig onderzoek heeft gedaan naar de impact van de overdracht op de gezondheidstoestand van eiseres. Verweerder heeft immers volstaan met de mededeling dat de Duitse autoriteiten zullen worden geïnformeerd en dat de behandelaar van eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom een Duitse beroepsgenoot niet in staat zou zijn om haar medische situatie te stabiliseren. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder hiermee niet volstaan. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 16 februari 2017, C-578/16 PPU, C.K. ea tegen Slovenië.

15. Verweerder heeft gelet op het vorenstaande niet afdoende gemotiveerd waarom de door eiseres aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding geven gebruik te maken van de artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid, zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

16. Het beroep is derhalve gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep, ten bedrage van € 990,00 (negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: