Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1716

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
AWB16.20946
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Afghanistan, afvalligheid, behoren tot religieuze minderheid,risico op ernstige schade, verklaringen in aanvullend nader gehoor, kritische opstelling ten aanzien van islam,onvoldoende motivering

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/156 met annotatie van prof. mr. H. Battjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/20946

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 februari 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. A.W.J. van der Meer,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 augustus 2016 (het bestreden besluit) waarbij zijn asielaanvraag ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig T. Wasseghi, tolk in de Dari taal. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit.

Op 29 juli 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft hij tijdens het nader gehoor van 21 november 2015 het volgende aangevoerd. Eisers vader is arts. Hij werd bedreigd door de Taliban omdat zij wilden dat hij voor hen kwam werken. Drie oudere broers van eiser hebben daarop Afghanistan verlaten en hebben inmiddels een verblijfsvergunning asiel in Nederland gekregen. Na een weigering van eisers vader om een Talibanlid te behandelen, is de Taliban naar zijn huis gekomen. Eiser en zijn familie hebben daarna met de hulp van een vriend het huis verlaten en zijn gevlucht naar diens familie in een ander dorp. Eisers vader is de volgende ochtend met de vriend naar huis teruggekeerd om nog wat juwelen van de moeder op te halen. Toen hij het huis verliet werd hij door de Taliban aangevallen en ontvoerd. Daarop zijn eiser, zijn moeder en zijn zus naar Kabul gevlucht. Kort daarop heeft eiser Afghanistan verlaten, omdat hij vreest te worden ontvoerd door de Taliban, die op deze manier zijn vader onder druk willen zetten mee te werken. In het aanvullend gehoor van 12 april 2016 heeft eiser aangevoerd dat ook zijn geloofsovertuiging een reden was voor vertrek. Eiser was sjiiet in een overwegend soennitische omgeving, dat leverde beperkingen op. Ook had eiser grote moeite met de islam, hij was zoekende naar een andere religie of levensovertuiging. Eiser hoefde thuis van zijn vader niet te bidden of te vasten en hij ging ook niet naar de moskee. Wel moest hij daarom binnenshuis blijven. Eiser ging niet naar school, maar kreeg thuis les van zijn vader. Eiser vreest bij terugkeer naar Afghanistan te worden vervolgd omdat hij als afvallige zal worden gezien.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarbij heeft verweerder overwogen dat eisers identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit geloofwaardig worden geacht. Ook de problemen van eisers vader worden geloofwaardig geacht, evenals eisers afwending van de islam. Eiser komt echter niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw.

3. Eiser kan zich daarmee niet verenigen en heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet aannemelijk acht dat hij risico loopt te worden ontvoerd door de Taliban. Er is in dit opzicht sprake van een motiveringsgebrek omdat verweerder verwijst naar de nadere gehoren van zijn broers, waarover eiser niet beschikt. Eiser zal zich in Afghanistan openlijk niet voegen naar wat de islamitische samenleving van hem verlangt en heeft duidelijk verklaard het gesprek aan te willen gaan over de islam. Eiser zal in Afghanistan daarom als afvallige worden beschouwd en behoort tot een religieuze minderheid. Bij terugkeer staat hem de dood of een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te wachten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de gestelde problemen vanwege de vader van eiser

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de vader van eiser problemen met de Taliban heeft ondervonden. Verweerder acht echter niet aannemelijk dat eiser door de Taliban ontvoerd zal worden. In het bestreden besluit en het voornemen, waarnaar dit besluit verwijst, wordt daarvoor het volgende redengevend geacht. Eiser heeft verklaard zelf nooit problemen met de Taliban te hebben ondervonden of door hen te zijn benaderd. De interesse van de Taliban voor eisers vader was erin gelegen dat hij arts was. Om hem te bewegen met hen mee te werken hebben zij hem eerst bedreigd en daarna ontvoerd. Daarmee hebben zij controle over eisers vader en is hun doel wat dat betreft bereikt. Ontvoering van eiser ligt dan niet voor de hand en wordt dan ook onaannemelijk geacht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat uit het relaas van eiser niet aannemelijk is geworden dat hij vanwege de problemen van zijn vader, die inmiddels in de macht van de Taliban is, persoonlijk en voorzienbaar risico loopt op vervolging of ernstige schade.
Verweerders verwijzing naar de nadere gehoren van eisers broers betreft, zoals in het verweerschrift is gesteld en ter zitting door eiser is erkend, een overweging ten overvloede en behoeft geen inhoudelijke beoordeling.

Ten aanzien van eisers gestelde afvalligheid van de islam/ behoren tot religieuze minderheid

5. Met betrekking tot eisers beroep op bescherming vanwege zijn afvalligheid wordt het volgende overwogen. Niet in geschil is dat Afghaanse vreemdelingen die een andere religie dan de islam aanhangen, door verweerder zijn aangewezen als kwetsbare minderheidsgroep. Echter, het behoren tot een dergelijke groep is op zichzelf nog niet voldoende om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, respectievelijk artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Daarvoor moet met geringe of beperkte indicaties aannemelijk worden gemaakt dat de gestelde problemen verband houden met vervolging of een reëel risico op ernstige schade.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet behoort tot een religieuze minderheidsgroep en evenmin met geringe of beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij risico loopt op vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft in Afghanistan persoonlijk geen problemen ondervonden in het kader van zijn geloof of religie. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zich zal onderscheiden van andere niet-praktiserende moslims. Eiser wordt niet aangemerkt als afvallige omdat het enkel niet actief moslim zijn hiervoor onvoldoende is. Voor zover wel afvalligheid zou moeten worden aangenomen, is dat onvoldoende om aan te nemen dat eiser een persoonlijk en voorzienbaar risico op vervolging of ernstige schade loopt. Eiser heeft wisselende verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij aan zijn levensbeschouwing vorm wil geven in Afghanistan. Eiser heeft, anders dan in de zienswijze, in het aanvullend nader gehoor (ANG) verklaard dat hij er geen behoefte aan heeft anderen duidelijk te maken dat hij geen geloof heeft (p. 10) en ook dat hij niet de bedoeling heeft om de strijd aan te gaan met andere religies (p.12). Deze verklaringen zijn zo specifiek en duidelijk dat daaraan meer waarde wordt gehecht dan aan de verklaring dat hij vrijelijk wil discussiëren over de rol en inhoud van religie en de algemene verklaring dat hij zijn mond niet zou kunnen houden. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij zich als actief afvallige zal opstellen, aldus verweerder.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn besluit niet voldoende gemotiveerd voor zover dit ziet op eisers afvalligheid van de islam en het gevaar dat hij daarom bij terugkeer naar Afghanistan loopt. Uit de gehoren van eiser komt het beeld naar voren dat eiser zich al lange tijd niet meer aan islamitische verplichtingen houdt en zich kritisch opstelt ten opzichte van de islam zoals die in Afghanistan beleden wordt. Eiser heeft in zijn gehoren herhaaldelijk verklaard dat het in Afghanistan niet mogelijk is in het openbaar de islam te bekritiseren (ANG, pp. 9, 13; NG p.7) . Eiser moest daarom zijn vragen voor zichzelf houden en kon zich daarover niet uiten (ANG, p. 9; NG, p. 7). In het nader gehoor heeft eiser ook verklaard: “Je bent alleen veilig daar als je meeloopt en laat zien dat je erbij hoort. Dat wilde ik niet” (p. 8). Eiser heeft op de vraag in het aanvullend nader gehoor of hij in Afghanistan problemen zou krijgen nu hij geen religie aanhangt, geantwoord dat hij daar niet zijn gevoelens en gedachten zou kunnen uiten en dat als hij dat wel zou doen hij daardoor problemen zou krijgen (ANG, pp. 12 en 13). Eiser verklaart: “Wellicht dat er een strijd ontstaat door wat ik denk en zij van mij verwachten. Daarnaast komt er een ander feit, ik weet nu zeker wat daar fout en verkeerd gaat. Ik kan daar niet mijn mond over houden, nu ik zie wat daar allemaal fout en verkeerd is (…)”, (ANG, pp. 12, 13). Gevraagd naar de te verwachten problemen met betrekking tot het geloof bij terugkeer naar Afghanistan heeft eiser onder andere geantwoord: “Hoe kan ik in zo’n samenleving wonen en me staande houden terwijl alles wat ik doe en zeg van hen afwijkt en als afvalligheid wordt gezien. (…)”, (ANG, p. 13). De alinea daaronder antwoordt eiser dat hij problemen wegens zijn geloof verwacht met de Afghaanse bevolking: “Dat zal dan door mijn uitlatingen zijn, door mijn eigen gedrag”.

Ook in de zienswijze en de aanvullingen en correcties heeft eiser naar voren gebracht dat het nadenken over en het in vrijheid kunnen discussiëren over religie een deel is van zijn geloofsopvatting.

8. Niet valt in te zien waarom aan twee van eisers verklaringen in het aanvullend nader gehoor meer gewicht zou moeten toekomen dan aan andere door hem in datzelfde gehoor afgelegde verklaringen (NAG, pp. 8, 12, 13) die wijzen in de richting van een actieve opstelling. Dit geldt evenzeer ten aanzien van hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in de aanvullingen en correcties en in de zienswijze.

Het door verweerder aangebrachte onderscheid tussen specifieke en duidelijke verklaringen enerzijds en een algemene verklaring anderzijds volgt de rechtbank niet. Ten eerste is niet inzichtelijk waarom de verklaring “dat doe je niet, er is geen behoefte om zoiets te doen” (NAG, p. 10), als antwoord op de vraag “Uw ouders weten ook niet dat u op dit moment geen geloof aanhangt?,” als specifiek wordt aangemerkt en de verklaring ”Ik weet nu zeker wat daar fout en verkeerd gaat. Ik kan daar niet mijn mond over houden, nu ik zie wat daar allemaal fout en verkeerd is” (NAG, p. 13), als antwoord op de vraag wat voor problemen eiser zou ondervinden nu hij geen religie aanhangt, als algemeen wordt bestempeld. Daar komt bij dat eiser bij herhaling heeft verklaard geen blad voor de mond te nemen waar het zijn geloofs/levensovertuiging betreft. Er is daarom niet slechts sprake van één “algemene” verklaring.

9. Uit het feit dat eiser heeft verklaard destijds geen problemen te hebben ondervonden in het kader van zijn religie (NG, p. 7) volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat eiser bij terugkeer geen problemen zal ondervinden die verband houden met vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft deze verklaring immers genuanceerd en uitgelegd dat hij geen noemenswaardige problemen heeft ondervonden omdat hij door zijn vader, een man met aanzien, uit de wind kon worden gehouden. Eiser kan bij terugkeer geen bescherming meer van zijn vader krijgen.

10. De slotsom is dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder zich, gelet op de wijze waarop eiser stelt zijn leven in Afghanistan te willen voortzetten, afgezet tegen diens achtergrond - verweerder heeft erkend dat eisers vader en zijn gezin in de negatieve belangstelling stonden van de Taliban - onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade op grond van zijn geloofs/levensovertuiging. Op grond van het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.

11. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,- (negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van der Hell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.