Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1704

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1288
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Wetsverwijzingen
Wet openbare manifestaties 9, geldigheid: 1994-10-01
Wet openbare manifestaties 5, geldigheid: 1994-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/211

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/1288

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 februari 2017 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

Vereniging Amnesty International, afdeling Nederland, te Amsterdam, verzoekster,

(gemachtigde: mr. W.H. Jebbink),

tegen

de burgemeester van Den Haag, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.W.I. Alkema en J.B. Ludwig).

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2017 heeft verweerder aan de door verzoekster kennis gegeven demonstratie van 24 februari 2017 beperkingen opgelegd:

- de demonstratie dient plaats te vinden op de trottoirband aan de Koningskade, ter hoogte van de Turkse ambassade aan de Prinsessegracht;

- er mag met maximaal vijf demonstranten via de Prinsessegracht een demonstratieve route gelopen worden langs de Turkse ambassade en, indien gewenst, een petitie worden aangeboden.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht bij voorlopige voorziening te bepalen dat de demonstratie op de stoep van de Prinsessegracht voor de Turkse ambassade wordt toegestaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017.

Namens verzoekster zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2 Uit het besluit volgt dat verweerder de gewenste demonstratie beperkt, omdat deze een belemmering oplevert voor personen die het gebouw willen betreden of verlaten, dat geldt temeer als de politie tussen de ambassade en de demonstranten moet plaatsnemen. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat ten aanzien van de Turkse ambassade sprake is van een verhoogde kwetsbaarheid en dat een demonstratie voor de ingang van de ambassade de uitvoering van de bewaking en beveiliging van deze ambassade hindert.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beperking is gebaseerd op artikel 5 van de Wet openbare manifestaties (WOM) en is aangewend in het belang van de verkeersveiligheid en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden in de zin van artikel 2 van de WOM. Daarbij zijn de belangen als genoemd in artikel 9 van de WOM meegewogen, aldus verweerder.

2 Verzoekster stelt – samengevat weergegeven – dat er geen beperking mag worden opgelegd, omdat op grond van artikel 9, tweede lid, van de WOM geen beperking vooraf kan worden opgelegd. Verder voert verzoekster aan dat de demonstratie niet direct voor de ingang van de ambassade is en dat het functioneren van de ambassade niet wordt aangetast. Er is geen sprake van overlast die, naar objectieve maatstaven gemeten, ontoelaatbare vormen aanneemt. Het veroorzaken van hinder of overlast is geen reden om een beperking op te leggen. Verder stelt verzoekster dat de toegang en de bewaking en de beveiliging van de ambassade niet worden gehinderd, als dat al een criteria is om een beperking op te leggen.

3 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het recht op betoging een grondrecht is. De Wet Openbare Manifestaties biedt regels waaronder beperkingen kunnen worden opgelegd.

Anders dan verweerder ter zitting stelt, blijkt uit de inhoud van het besluit van 15 februari 2017 dat verweerder artikel 9 van de WOM aan de beperking ten grondslag heeft gelegd. Zo wordt in het besluit verwezen naar de wetsgeschiedenis van artikel 9 van de WOM en is getoetst of de demonstratie voor de ingang een belemmering oplevert voor de personen die de ambassade willen betreden of verlaten. Eerst ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat de beperking is opgelegd op grond van artikel 2 van de WOM, namelijk in het belang van de verkeersveiligheid en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De voorzieningenrechter is van oordeel, nog daargelaten of de grondslag van het besluit in de heroverweging in bezwaar kan worden hersteld, dat er daarom op dit moment kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit. Voor zover het besluit om de demonstratie te beperken is gebaseerd op grond van artikel 9 van de WOM is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat niet direct valt in te zien dat de gewenste demonstratie hinder of overlast veroorzaakt welke naar objectieve maatstaven bezien het functioneren van de ambassade aantast. Daarnaast twijfelt de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het besluit, omdat in het besluit staat dat het Haagse demonstratiebeleid geen demonstraties direct voor de ingang van ambassades toestaat, terwijl ter zitting is gebleken dat dit niet in het Haagse demonstratiebeleid is opgenomen, maar is gebaseerd op een vaste gedragslijn.

Gelet op voornoemde omstandigheden twijfelt de voorzieningenrechter op dit moment aan de rechtmatigheid van het besluit. Dat betekent dat niet op voorhand gezegd kan worden dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Bij deze stand van zaken dient er een belangenafweging plaats te vinden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van verzoekster bij het kunnen houden van de gewenste demonstratie zwaarder weegt dan de belangen van verweerder. Daartoe overweegt zij dat verzoekster reeds rekening heeft gehouden met de situatie ter plaatse door de wijze waarop zij de gewenste demonstratie vorm wil geven. Zo gaat het om een stilzwijgende, statische, demonstratie voor de duur van één uur (van 13 uur tot 14 uur) met maximaal 15 betrokken betogers, grotendeels leden van Amnesty International, bij de achteringang van de ambassade. Hoewel de borden die de manifestanten vasthouden het zicht op de ambassade kunnen belemmeren, kunnen met de nodige voorzorgsmaatregelen de risico’s die hiermee gepaard gaan worden opgevangen. Daarnaast kan verweerder indien noodzakelijk ter voorkoming van het aantasten van het functioneren van de ambassade alsnog ter plaatse aan de manifestanten conform artikel 9, tweede lid, van de WOM aanwijzingen geven die zij dienen op te volgen. Omdat verzoekster vooraf geen openbare oproep heeft gedaan voor de demonstratie, zijn er, mede gezien de korte duur van de gewenste demonstratie, op voorhand geen aanwijzingen dat er tegendemonstranten zijn te verwachten. Zoals verzoekster ter zitting nogmaals heeft bevestigd zullen de manifestanten zich tussen de paaltjes op de stoep voor de ingang van de ambassade positioneren, zodat er gezien de situatie ter plaatse op die manier voldoende ruimte is tussen de manifestanten en de achteringang van de ambassade voor bezoekers en personeel om de ambassade te betreden of te verlaten.

Nu de belangenafweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het voordeel van verzoekster uitvalt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de door verzoekster kennisgegeven demonstratie zoals verwoord in brief van 2 februari 2017 wordt toegestaan. De voorzieningenrechter schorst de door verzoekster bestreden beperkingen in het besluit van 15 februari 2017.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Voorts komen de door verzoekster opgevoerde reiskosten van een retour treinkaartje tweede klas voor het traject Amsterdam - Den Haag Centraal van € 23,- per persoon voor vergoeding in aanmerking, totaal € 69,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat de bij brief van 2 februari 2017 kennisgegeven manifestatie wordt toegestaan;

- schorst de door verzoekster bestreden beperkingen in het besluit van 15 februari 2017;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van totaal € 1059,-
(€ 990,- + € 69,- ), te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.