Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1699

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 618, 16_1660 & 16_5605
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. Huishoudelijke ondersteuning speciaal plus. Huishoudelijke ondersteuning basis. Maaltijdverzorging. Begeleiding individueel en persoonlijke verzorging

Bij HO speciaal plus mag worden gestuurd op het resultaat van een schoon en leefbaar huis. Verweerder heeft een ruime beleidsvrijheid, die door de rechter afstandelijk wordt getoetst. Van het toegekende pgb wordt eiser geacht 36 uur HO in te kunnen kopen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gehanteerde uurtarief niet toereikend is. Bij de toekenning van HO basis is verweerder er terecht vanuit gegaan dat eisers bij hem inwonende zus gebruikelijke hulp kan leveren. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij van het toegekende pgb niet de nodig ondersteuning heeft kunnen inkopen om een schoon en leefbaar huis te bereiken. Verweerder heeft de afwijzing van de maaltijdverzorging terecht gehandhaafd, omdat eiser aanspraak kan maken op een algemene voorziening als Tafeltje Dekje. Met betrekking tot de begeleiding individueel en persoonlijke verzorging is het beroep gegrond. Nu uit het indicatieadvies duidelijk naar voren komt dat eiser begeleiding nodig heeft, valt, zonder nadere motivering die ontbreekt in het bestreden besluit, niet te begrijpen dat en waarom verweerder in het geheel geen voorziening heeft toegekend. Uit het bestreden besluit blijkt niet op welke voorliggende voorzieningen eiser geacht wordt een beroep te kunnen doen. Daardoor berust dat besluit op het onderdeel persoonlijke verzorging eveneens op een ondeugdelijke motivering en zal het daarom ook in zoverre niet in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 16/618, 16/1660 en 16/5605

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2017 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.K. van Wijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: P. Gieske).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2015 (primair besluit I) heeft verweerder aan eiser een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal plus toegekend ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) voor de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 augustus 2015.

Bij besluit van 26 augustus 2015 (primair besluit II) heeft verweerder eisers aanvraag van een maatwerkvoorziening voor de kosten van maaltijdverzorging ingevolge de Wmo 2015 afgewezen.

Bij besluit van 14 september 2015 (primair besluit III) heeft verweerder aan eiser een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal plus toegekend ingevolge de Wmo 2015 voor de periode van 1 september 2015 tot en met 31 oktober 2015.

Bij besluit van 15 december 2015 (bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen die besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 16/618.

Bij onderscheiden besluiten van 30 oktober 2015 heeft verweerder ingevolge de Wmo 2015 voor de periode van 1 november 2015 tot en met 31 december 2015 aan eiser een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal plus (primair besluit IV) en een maatwerkvoorziening begeleiding en persoonlijke verzorging (primair besluit V) toegekend.

Bij besluit van 9 februari 2016 (bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 16/1660.

Bij besluit van 6 januari 2016 (primair besluit VI) heeft verweerder aan eiser een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning basis toegekend ingevolge de Wmo 2015 voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016.

Bij onderscheiden besluiten van 11 februari 2016 heeft verweerder eisers aanvragen van een maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel speciaal (primair besluit VII) en persoonlijke verzorging (primair besluit VIII) ingevolge de Wmo 2015 afgewezen.

Eiser heeft tegen primaire besluiten VII en VIII bezwaar gemaakt en tegen het niet tijdig beslissen op dat bezwaar beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 16/5605.

Verweerder heeft bij besluit van 19 juli 2016 (bestreden besluit III) de bezwaren van eiser tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Verweerder heeft in alle procedures een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn gevoegd ter zitting van 12 januari 2017 behandeld. Eiser is niet in persoon verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens voor hem aanwezig was [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Ten gevolge van een psychiatrische aandoening ondervindt eiser beperkingen wat betreft zijn sociale redzaamheid, huishouden en zelfverzorging. Hij woont in [woonplaats] , samen met zijn zuster [persoon 2] ( [persoon 2] ) en tot aan diens overlijden op 8 september 2015 ook met zijn broer [persoon 3] . Tot en met 24 juni 2015 heeft eiser van verweerder ingevolge de Wmo 2007 een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen voor negen uur per week huishoudelijke ondersteuning. Deze werd naar eigen zeggen ingekocht bij familieleden. [persoon 1] , een andere zuster van eiser, beheerde dat pgb en voerde de regie over de huishoudelijke werkzaamheden. Zij is tevens de bewindvoerder van eiser en inmiddels ook curator van [persoon 2] . Eiser ontving daarnaast zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Zo ontving hij een pgb voor de functies begeleiding en persoonlijke verzorging. Omdat de indicatie voor huishoudelijke ondersteuning liep tot en met 24 juni 2015 en omdat de Wmo 2015 met ingang van 1 januari 2015 in werking was getreden, heeft verweerder het expertisecentrum MO-zaak te Leiden (de MO‑zaak) gevraagd met betrekking tot de eerder verstrekte voorzieningen een herindicatieadvies uit te brengen.

2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wmo ingetrokken en de Wmo 2015 in zijn geheel in werking getreden. Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Die ondersteuning moet in de voorstelling van de wetgever erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. In de memorie van toelichting op de Wmo 2015 (TK 2013/14, 33 841, nr. 3) is uiteengezet dat het uitgangspunt is dat gemeenten burgers slechts ondersteuning bieden als dat nodig is. Mensen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie. De betrokkene moet eerst bezien in hoeverre hij zelf en zijn directe omgeving een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de eigen situatie. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bij burgers te benutten en te versterken. Indien uit onderzoek van de gemeente blijkt dat (aanvullende) ondersteuning van de gemeente nodig is, beslist de gemeente – binnen de grenzen van wat daarover in het plan en de verordening bedoeld in de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de Wmo 2015 is vastgelegd – tot verstrekking van een maatwerkvoorziening die bijdraagt aan het realiseren van een situatie waarin de burger in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen.

3.1

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015, voor zover hier van belang, wordt verstaan onder:
- maatschappelijke ondersteuning: het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving.
- maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen.

3.2

Ingevolge artikel 2.3.5, derde, onderscheidenlijk vierde lid, van de Wmo 2015, voor zover hier van belang, beslist het college van burgemeester en wethouders tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt en van problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen, voor zover de cliënt deze beperkingen of problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

3.3

De raad van de gemeente Leiden heeft in de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 (Verordening) de mogelijk te verstrekken voorzieningen nader geconcretiseerd. Daarnaast heeft verweerder ter uitvoering van de Wmo 2015 beleidsregels vastgelegd in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2015 (Beleidsregels) en in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 (Financieel besluit) bedragen opgenomen voor een pgb voor verscheidene maatwerkvoorzieningen.

3.4

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de Verordening moet onder gebruikelijke hulp worden verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, kinderen of andere huisgenoten. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in het bestreden besluit ook wordt gesproken van gebruikelijke zorg, maar dat daaronder wordt verstaan gebruikelijke hulp, als bedoeld in de Verordening.

3.5

Ingevolge artikel 8, vierde lid, van de Verordening levert de maatwerkvoorziening een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.


4.1 Ter zitting heeft eiser de beroepsgronden ingetrokken tegen bestreden besluit II, waarbij de bezwaren tegen de toekenning van de voorzieningen huishoudelijke ondersteuning speciaal plus voor de periode van 1 november 2015 tot en met 31 december 2015 en begeleiding en persoonlijke verzorging ongegrond zijn verklaard. Dat betekent dat de beroepsgronden in de zaak, geregistreerd onder nummer SGR 16/1660, geen bespreking behoeven. Het beroep in die zaak is ongegrond.

4.2

De rechtbank zal de beroepsgronden tegen de overige in het procesverloop vermelde bestreden besluiten hierna per maatwerkvoorziening beoordelen.

Huishoudelijke ondersteuning speciaal plus (registratienummer 16/618)
5. Verweerder heeft voor de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 oktober 2015 de toekenning van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal plus in de vorm van een pgb gehandhaafd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat daarmee het resultaat van een schoon en leefbaar huis kan worden bereikt. Vast staat dat de toekenning van de voorziening berust op het advies van 27 mei 2015 van de MO-zaak. Daarin is geadviseerd om deze voorziening toe te kennen aan eiser en daarnaast om [persoon 2] te ondersteunen bij het indienen van een aanvraag van een pgb ingevolge de Wet langdurige zorg, omdat de situatie complex is. Volgens het advies is geen gebruikelijke zorg voor eiser voorhanden, omdat zijn huisgenoten zelf begeleiding en ondersteuning nodig hebben. Voor zover eiser stelt dat uit het bestreden besluit niet duidelijk blijkt dat [persoon 2] door verweerder niet in staat werd geacht gebruikelijke hulp te verlenen, berust de stelling op onjuiste feitelijke grondslag.

6.1.

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met een indicatie op basis van het resultaatgebied schoon en leefbaar huis, omdat daarmee niet duidelijk is welke huishoudelijke werkzaamheden zijn geïndiceerd.

6.2

De rechtbank stelt bij de beantwoording van de vraag of verweerder in dit geval heeft mogen volstaan met het indiceren van een resultaatgebied voorop dat uit de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de Wmo 2015 voortvloeit dat het gemeentebestuur grote beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de Wmo 2015. Dit betekent dat de beleidskeuzen van de gemeenteraad en – binnen de daarvoor gestelde grenzen – het college van burgemeester en wethouders voor de bestuursrechter een gegeven zijn, die slechts met terughoudendheid kunnen worden getoetst.

6.3

Volgens artikel 11 van de Beleidsregels kent de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning drie varianten: huishoudelijke ondersteuning basis, huishoudelijke ondersteuning speciaal en huishoudelijke ondersteuning speciaal plus. Overeenkomstig artikel 1 van het Financieel besluit houdt de aan eiser toegekende voorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal plus voor een non‑professional een pgb ter grootte van € 301,50 per vier weken in. Die voorziening is gebaseerd op het resultaat schoon en leefbaar huis. Van het pgb wordt eiser geacht 36 uur huishoudelijke ondersteuning van een niet professionele hulpverlener te kunnen inkopen.

6.4

Het betoog van eiser dat dit beleid geen inzicht geeft in de activiteiten die moeten worden verricht, faalt. In bijlage 1 bij de Beleidsregels wordt duidelijk beschreven wat onder een schoon en leefbaar huis moet worden verstaan. Zo staat daar onder het kopje "standaard schoon huis":
"Het te bereiken resultaat is een standaard schoon huis. Dit betekent dat iedereen gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes, gang/trap, balkon en eventuele berging. Tot een standaard schoon huis behoort licht en zwaar huishoudelijk werk. Het gaat daarbij concreet om:
• opruimen van kamer
• stof afnemen/ragen
• bedden opmaken/verschonen
• stofzuigen van de woning
• opruimen huishoudelijk afval
• schrobben en dweilen van sanitair en keuken
• overigens schoonhouden van de hierboven genoemde ruimten.
Om het resultaat standaard schoon huis te bereiken dienen bovenstaande ruimtes met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek wordt schoongemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren."

6.5

Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de toepassing van het beleid in dit geval geen inzicht biedt in de geïndiceerde werkzaamheden. In het advies van de MO-zaak van 27 mei 2015 komt duidelijk naar voren dat eiser niet in staat is licht en zwaar huishoudelijk werk uit te voeren en dat deze taken van hem moeten worden overgenomen. Daaronder moet volgens het advies worden verstaan: stof afnemen, opruimen, afwassen, bed opmaken (licht huishoudelijk werk). Stofzuigen, dweilen, sanitair, keuken, ramen, bedden verschonen (zwaar huishoudelijk werk).

6.6

Anders dan in de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 juni 2016 (ECLI:NL:RBLIM:2016:5290), waarnaar eiser ter zitting heeft verwezen, zijn in dit geval geen nieuwe normtijden gehanteerd, laat staan dat sprake is van een situatie waarin nieuwe normtijden zijn vastgesteld zonder dat onderzoek is verricht naar de tijd die nodig is voor het verlenen van huishoudelijke hulp. Hoewel verweerder met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 nieuw beleid is gaan voeren en daarbij in tegenstelling tot voorheen op een beoogd resultaat stuurt, heeft dit beleid voor eiser niet tot gevolg gehad dat hij op minder uren huishoudelijke ondersteuning aanspraak kon maken dan voorheen. Hij kreeg vóór inwerkingtreding van de Wmo 2015 36 uur huishoudelijke ondersteuning en dat krijgt hij nog steeds. Verweerder hanteert daarbij weliswaar een lager tarief dan voorheen, maar daar staat tegenover dat artikel 3, vierde lid, van het Financieel besluit de mogelijkheid kent om het pgb tarief te verhogen, wanneer het beoogde resultaat anders niet kan worden gerealiseerd.

7.1

Eiser betoogt verder dat het toegekende pgb (met omgerekend een uurtarief van € 8,38) te laag is om 36 uur huishoudelijke ondersteuning speciaal plus te kunnen inkopen. Daartoe verwijst hij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2415. Op grond van deze uitspraak stelt hij dat een uurtarief van € 15,- redelijk is. Daarom had verweerder het Financieel besluit buiten toepassing moeten laten.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de benodigde zorg niet van het toegekende pgb heeft kunnen inkopen of dat daarmee het beoogde resultaat van een schoon en leefbaar huis niet kon worden bereikt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat eiser geen enkel inzicht heeft verschaft in de hoeveelheid zorg die hij van het pgb heeft ingekocht. Evenmin kan worden vastgesteld wie hem die zorg heeft geleverd. Voor het oordeel dat verweerder de hoogte van het pgb in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen met toepassing van artikel 1, eerste lid, van het Financieel besluit bestaat dan ook geen grond. De hoogte van het in die bepaling genoemde bedrag van € 301,50 per vier weken voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal plus (tot en met 36 uur) is, gelet op het feit dat het in dit geval gaat om niet professionele hulp, niet onredelijk.

7.3

Met betrekking tot het door eiser genoemde redelijke uurtarief van € 15,- stelt de rechtbank vast dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarnaar is verwezen, betrekking heeft op een uurtarief voor een professionele hulpverlener, terwijl eiser huishoudelijke ondersteuning van een niet professionele hulpverlener krijgt.

7.4

Eisers standpunt dat het Financieel besluit voor niet professionele hulpverleners een uurtarief kent van € 16,75, berust voorts op een onjuiste lezing van het Financieel besluit. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van het Financieel besluit is het genoemde bedrag van € 16,75 het uurtarief waarmee een pgb kan worden verhoogd ingeval meer dan 36 uur nodig is voor het behalen van het beoogde resultaat. Zoals hiervoor onder 7.2 is overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het maximum van 36 uur huishoudelijke ondersteuning speciaal plus voor een periode van vier weken niet toereikend is. Eiser heeft in zijn beroepschrift bovendien zelf aangegeven dat hij negen uur per week aan huishoudelijke ondersteuning nodig heeft, wat neerkomt op het hem toegekende aantal van 36 uur per maand. De stelling van eiser dat de hoogte van het pgb in strijd is met de compensatieplicht van de Wmo 2015, omdat de benodigde zorg daarmee niet kan worden ingekocht, treft daarom geen doel.

8. Eiser heeft ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 de vrijheid om te kiezen voor een pgb. Ingevolge artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 moet dat pgb toereikend zijn. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het pgb niet toereikend is om daarvan 36 uur huishoudelijke ondersteuning in te kopen. Reeds daarom kan het betoog van eiser dat hij door verweerder wordt beperkt in zijn keuzevrijheid tussen een pgb en zorg in natura doordat het pgb niet toereikend is om de benodigde 36 uur huishoudelijke ondersteuning in te kopen, niet slagen.

9.
Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat sprake is van een schrijnende situatie. Voor zover eiser hiermee betoogt dat hij met toepassing van de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 18 van het Financieel besluit, in aanmerking komt voor een hoger pgb, onderschrijft de rechtbank niet dat sprake is van een situatie, als bedoeld in die bepaling. Veeleer rijst de vraag of de toegekende maatwerkvoorziening geschikt is voor de mate van hulpbehoevendheid van eiser en of eiser in voldoende mate in staat kon worden geacht deze voorziening in te zetten voor het doel waarmee deze werd verstrekt.

10. Het beroep in de zaak met registratienummer 16/618 is in zoverre ongegrond.

Huishoudelijke ondersteuning basis (registratienummer 16/5605)

11. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eisers bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2016 (primair besluit VI) niet tijdig is ingediend. Met verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat die termijnoverschrijding verschoonbaar is. Verweerder heeft pas op 16 februari 2016 eisers gemachtigde een afschrift van primair besluit VI toegestuurd. Zij heeft daartegen op 22 februari 2016 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht ontvankelijk verklaard.

12.1

Verweerder heeft voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 de toekenning aan eiser van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning basis gehandhaafd. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [persoon 2] bij eiser inwoont en dat zij gebruikelijke zorg aan hem kan verlenen. Eiser betoogt dat zij daartoe vanwege haar medische situatie niet in staat was.

12.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [persoon 2] in bedoelde periode in staat was om gebruikelijke hulp te bieden. Weliswaar volgt uit het advies van 2 oktober 2015 van de MO‑zaak dat op basis van de beschikbare gegevens niet duidelijk was in hoeverre [persoon 2] daartoe in staat moest worden geacht, maar die omstandigheid kan niet aan verweerder worden tegengeworpen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder meermalen heeft getracht toestemming te krijgen om onderzoek te laten doen naar de geestesgesteldheid van [persoon 2] om antwoord te krijgen op de vraag in hoeverre haar medische situatie in de weg stond aan het bieden van gebruikelijke hulp aan eiser. Verweerder heeft de vereiste toestemming echter niet gekregen. Dat eerst in juli 2016 alsnog toestemming is gegeven om medische gegevens op te vragen, maakt niet dat verweerder er niet van heeft mogen uitgaan dat [persoon 2] gebruikelijke hulp kon bieden. Nu aanvankelijk alle medewerking aan een onderzoek door verweerder was geweigerd, had het op de weg van eiser gelegen om zijn standpunt aan de hand van (medische) gegevens te onderbouwen. De gegevens die eiser heeft overgelegd, zijn daartoe onvoldoende. Daaruit blijkt niet dat [persoon 2] vanwege haar psychische problemen niet in staat was tot het bieden van gebruikelijke hulp.

12.3

Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij van het verstrekte pgb van € 2.928,- niet de nodige ondersteuning heeft kunnen inkopen om het beoogde resultaat van een schoon en leefbaar huis te bereiken. De beroepsgrond met betrekking tot het indiceren van een resultaatgebied, treft evenmin doel. Voor de motivering van dat oordeel verwijst de rechtbank naar wat hiervoor onder "Huishoudelijke ondersteuning speciaal plus" is overwogen. Voor zover eiser betoogt dat hij door verweerder in zijn keuzevrijheid wordt beperkt, verwijst de rechtbank naar wat hiervoor onder 8 is overwogen.

13. Het beroep in de zaak met registratienummer 16/5605 is, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, niet-ontvankelijk. Voor zover het beroep betrekking heeft op de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning basis, is het ongegrond.

Maaltijdverzorging (registratienummer 16/618)

14. Verweerder heeft de weigering gehandhaafd om eiser een maatwerkvoorziening in de vorm van maaltijdverzorging toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze aanvraag terecht heeft afgewezen. Ingevolge artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de Wmo 2015 wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt, wanneer een belanghebbende zijn beperkingen met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet in staat is om zelf zijn warme maaltijden te bereiden. Eiser kan hiervoor echter gebruik maken van een algemeen gebruikelijke voorziening als Tafeltje Dekje. Voor zover dat voor hem financieel bezwaarlijk is, bestaat voor hem de mogelijkheid om voor die kosten bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet aan te vragen.

15. Het beroep in de zaak met registratienummer 16/618 is in zoverre ongegrond.

Begeleiding individueel en persoonlijke verzorging (registratienummer 16/5605)

16. De rechtbank stelt vast dat het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de voorzieningen begeleiding individueel en persoonlijke verzorging, aanvankelijk was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar tegen primaire besluiten VII en VIII. Bij bestreden besluit III heeft verweerder alsnog inhoudelijk op de bezwaren beslist. Het beroep heeft ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege mede betrekking op dat besluit. Gelet hierop en nu uit de beroepsgronden niet volgt dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

17.1

Ten aanzien van de handhaving van de weigering om eiser met ingang van 1 januari 2016 een maatwerkvoorziening begeleiding individueel toe te kennen, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het recht van eiser op die voorziening niet kan worden vastgesteld. Volgens verweerder is aan eiser de vraag voorgelegd of hij in aanmerking wil komen voor begeleiding speciaal in de vorm van zorg in natura of begeleiding speciaal door een ingehuurde professional. Doordat van eiser geen reactie op die vraag is ontvangen, heeft verweerder niet kunnen vaststellen op welke voorziening eiser aanspraak wil maken. Eiser betwist dat hij niet heeft gereageerd op de vraag van verweerder. Hij stelt in bezwaar al te hebben aangegeven dat begeleiding door een professional geen optie is, omdat hij niet kan omgaan met mensen die hij niet kent.

17.2

De rechtbank stelt vast dat uit eerder genoemd advies van de MO-zaak van 2 oktober 2015 blijkt dat eiser in aanmerking komt voor tien en een half uur per week individuele begeleiding in de vorm van een pgb, wanneer geen rekening wordt gehouden met de gebruikelijke hulp van [persoon 2] . Omdat [persoon 2] echter in staat wordt geacht deze hulp te verlenen, is de indicatie gehalveerd naar vijf uur en een kwartier per week. Nu uit het indicatieadvies duidelijk naar voren komt dat eiser begeleiding nodig heeft, valt, zonder nadere motivering die ontbreekt in het bestreden besluit, niet te begrijpen dat en waarom verweerder in het geheel geen voorziening heeft toegekend. Dat klemt te meer, nu uit het advies van de commissie bezwaarschriften, dat aan dat besluit ten grondslag ligt, volgt dat verweerder in de bezwaarfase de noodzaak van deze maatwerkvoorziening niet heeft bestreden. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit op het onderdeel begeleiding individueel berust op een ondeugdelijke motivering. Het bestreden besluit kan daarom op dit onderdeel niet in stand blijven.

18.1

Ten aanzien van de handhaving van de weigering om eiser een maatwerkvoorziening persoonlijke verzorging toe te kennen, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers beperkingen op het gebied van persoonlijke verzorging kunnen worden gecompenseerd met voorliggende voorzieningen. Verweerder heeft er daarnaast rekening mee gehouden dat [persoon 2] bij eiser inwoont en in staat wordt geacht gebruikelijke hulp te leveren.

18.2

De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt op welke voorliggende voorzieningen eiser geacht wordt een beroep te kunnen doen. Daardoor berust dat besluit op het onderdeel persoonlijke verzorging eveneens op een ondeugdelijke motivering en zal het daarom ook in zoverre niet in stand kunnen blijven.

19. Het beroep in de zaak met registratienummer 16/5605, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de weigering eiser een maatwerkvoorziening begeleiding individueel en persoonlijke verzorging toe te kennen, is gegrond.

20. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. In dat verband is van belang dat verweerder eerst bij de aanvulling van de beroepsgronden ervan op de hoogte is geraakt dat [persoon 2] bij beschikking van 6 juli 2016 onder curatele is gesteld, waardoor hij deze omstandigheid niet in de besluitvorming heeft kunnen betrekken. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de ondercuratelestelling bij toekomstige besluitvorming een rol zal spelen. Daarnaast ligt het in de rede dat verweerder bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar gegevens omtrent de medische situatie van [persoon 2] zal willen betrekken. Onder die omstandigheden zou het toepassen van een bestuurlijke lus geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden. Verweerder zal daarom met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

21. In de zaak met registratienummer 16/5605 is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 990,-, te weten € 495,- voor het indienen van het beroepschrift en € 495,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- het beroep in de zaken met registratienummers 16/618 en 16/1660 ongegrond;
- het beroep in de zaak met registratienummer 16/5605, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar, niet-ontvankelijk;
- het beroep in de zaak met registratienummer 16/5605, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de toekenning van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning basis, ongegrond;
- het beroep in de zaak met registratienummer 16/5605, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de weigering van een maatwerkvoorziening begeleiding individueel en persoonlijke verzorging, gegrond;
- vernietigt in zoverre het besluit van 19 juli 2016, kenmerk 270055; 270097, en draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 46,-, vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 990,-, welke kosten verweerder aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L. Frenkel, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. M. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.