Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16748

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
18-05-2020
Zaaknummer
09/730102-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag veroordeelt een 30-jarige man tot 6 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging voor een poging moord, waarbij een vrouw op klaarlichte avond in een park meerdere malen met een scherp voorwerp is gestoken en haar keel meerdere malen is dicht geknepen en dichtgeknepen is gehouden. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario is niet aannemelijk geworden.

Tevens ontvangt de vrouw een schadevergoeding van bijna 7000,- euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/730102-17

Datum uitspraak: 1 december 2017

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in detentiecentrum Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 30 augustus 2017 (pro forma) en

17 november 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van der Harg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.G. Cantarella, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 mei 2017 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- met een scherp voorwerp meermalen, althans eenmaal, in de rug, in elk geval het bovenlichaam, van die [naam slachtoffer] heeft gestoken en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een of meer hand(en) met kracht de hals/keel van die [naam slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, althans samendrukkend geweld heeft gebruikt op de hals/keel van die [naam slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Aan het begin van de avond van 22 mei 2017 is [naam slachtoffer] in het [naam park] te Zoetermeer uit het niets door een man aangevallen en in haar rug gestoken. Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord dan wel poging tot doodslag van [naam slachtoffer] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, zoals verwoord in haar op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft getracht [naam slachtoffer] van het leven te beroven. De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte opzet had op het plegen van het feit en dat hij het feit heeft gepleegd met voorbedachte raad, zodat het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot moord.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitaantekeningen integrale vrijspraak bepleit van hetgeen verdachte is ten laste gelegd, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte een geloofwaardig alternatief scenario schetst en stelt dat hij [naam slachtoffer] heeft proberen te helpen. Voor zover een bewezenverklaring kan volgen levert het bewezenverklaarde een zware mishandeling op, hetgeen niet aan verdachte is ten laste gelegd zodat ook om die reden vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verklaringen [naam slachtoffer]

heeft verklaard dat zij op de bewuste avond om 19:20 uur haar woning aan de [adres] te Zoetermeer heeft verlaten voor een wandeling in het park. Vanaf haar woning liep zij in enkele minuten naar het [naam park] , stak zij de [straatnaam] over en bij het pad langs het aldaar gelegen water, fietste een man haar voorbij. De man fietste op een damesfiets met kinderzitje. [naam slachtoffer] liep verder en bij het [naam park] werd zij wederom gepasseerd door dezelfde man op de fiets. Enkele minuten later fietste hij opnieuw langs [naam slachtoffer] . De man passeerde haar telkens van achteren op de fiets. Ongeveer twee minuten later liep dezelfde man haar tegemoet. Toen de man vlakbij [naam slachtoffer] was keek hij haar aan, stopte heel even met lopen en keek om zich heen. Tijdens het passeren sloeg de man plots zijn arm om de voorzijde van haar nek en op dat moment voelde [naam slachtoffer] klappen op haar rug, die aanvoelden alsof zij stroomstoten kreeg. De man gaf [naam slachtoffer] een harde duw, waardoor zij op haar rug op de grond viel. Vervolgens greep de man met beide handen naar haar keel en zette daarbij kracht, waardoor hij haar keel dichtdrukte. [naam slachtoffer] probeerde de man van zich af te trappen. Hoewel de man hierdoor enige afstand nam, bleef hij met beide handen haar keel dichtknijpen. Omdat [naam slachtoffer] geen zuurstof kreeg en benauwd werd, probeerde zij zich om te draaien. Toen zij iets op haar linkerzij lag probeerde zij haar mobiele telefoon te bedienen, waarop de man met één hand haar telefoon pakte en weggooide. Vervolgens kneep hij weer met beide handen in de keel van [naam slachtoffer] . Zij zag toen dat hij in zijn hand een langwerpige glasscherf van ongeveer acht centimeter had en dacht dat hij haar keel zou doorsnijden. Ze zag dat hij met het glas op haar afkwam. [naam slachtoffer] voelde dat zij nauwelijks kon bewegen en voelde dat ze wegtrok. Zij voelde zich duizelig en dacht dat zij dood zou gaan. Het lukte [naam slachtoffer] om haar lichaam te draaien, waardoor zij op haar knieën terecht kwam. Hoewel de man haar hals bleef vasthouden, verzwakte zijn greep en kon [naam slachtoffer] een aantal malen adem halen. De man sleurde haar toen, met zijn handen om haar keel, mee. [naam slachtoffer] bewoog mee en voelde dat de greep van de man weer verzwakte. Daardoor kon zij ademen en heeft zij zich uiteindelijk weten los te rukken. Als gevolg van de aanval had [naam slachtoffer] een steekwond in haar rug, schrammen en krassen op haar rug en schouders, krassen en wonden op haar linker onderbeen, een blauw linkeroog, wonden bij haar wenkbrauw, schrammen op haar onderbuik, een wond in haar rechterzij naast haar borst en pijn over haar hele lichaam.2 Tot slot heeft [naam slachtoffer] verklaard dat zij, vanaf het moment dat zij haar woning verliet, de app ‘Sports tracker’ op haar mobiele telefoon had geactiveerd. Uit onderzoek middels deze app is de looproute van [naam slachtoffer] in kaart gebracht. Daaruit blijkt dat [naam slachtoffer] vanaf het moment dat zij haar huis verliet tot aan de melding, ongeveer dertig minuten heeft gewandeld.3

Op 30 mei 2017 heeft [naam slachtoffer] aanvullend verklaard dat de man haar aan haar linkerkant passeerde en haar met zijn linkerarm bij haar nek greep. Hij draaide zich toen half achter haar en gaf direct - ter hoogte van haar bh-bandje - twee klappen op haar rug. Na iedere klap voelde [naam slachtoffer] een tintelend gevoel in haar rug. Ook heeft [naam slachtoffer] verklaard dat na het incident het gebied rondom haar borstkas heel gevoelig was.4

De bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [naam slachtoffer] bevestigt haar verklaringen bij de politie. Aanvullend heeft zij bij de rechter-commissaris verklaard dat

zij geen persoon heeft gezien die in het zwart gekleed was en evenmin iemand die een sjaal voor zijn gezicht had. Voorts heeft zij verklaard dat de persoon die haar passeerde op de fiets, degene is geweest die haar heeft aangevallen.5

Het letsel van [naam slachtoffer]

Uit een door de trauma-arts opgemaakte geneeskundige verklaring blijkt dat bij [naam slachtoffer] onder andere sprake is van een rafelige scheurwond/steekwond in de rug (6-7 centimeter), een kneuzing met wondje aan de linker oogkas/wenkbrauw. Voorts staat in de geneeskundige verklaring vermeld dat de wond is gehecht, dat de geschatte duur van de genezing enkele weken is en dat op de rug een blijvend litteken resteert.6 had verder meerdere schaafwonden verspreid over haar lichaam en roodkleurige striemen in haar hals, zo hebben twee verbalisanten geconstateerd.7 Op foto’s van [naam slachtoffer] genomen in het ziekenhuis heeft de rechtbank die verwondingen aan de rug, het oog, de schaafwonden en de striemen in haar hals ook waargenomen.8 Zelf heeft [naam slachtoffer] nog verklaard een wond in haar rechterzij naast haar borst en pijn over haar hele lichaam te hebben opgelopen tijdens de aanval.9 Tot slot heeft zij verklaard dat na het incident het gebied rondom haar borstkas heel gevoelig was.10

De verklaringen van de getuigen

[getuige 1] heeft verklaard dat zij op de bewuste dag samen met haar verloofde [getuige 2] door het park liep en dat zij een man en een vrouw op de grond zag liggen. Toen [getuige 1] dichterbij kwam zag zij dat de man op de vrouw zat met zijn benen aan weerszijden van haar lichaam en dat het leek alsof zij met elkaar worstelden. De vrouw lag afwisselend op haar buik en haar zij. De man probeerde de vrouw aan haar armen, benen en haren vast te pakken, waarbij het leek alsof hij haar in de richting van de bosjes wilde trekken. Nadat zij over de brug waren gelopen zag [getuige 1] dat de man en vrouw nog steeds worstelden, dat de man haar overal probeerde vast te pakken en haar probeerde te verplaatsen. Plots keek de man twee keer om, in de richting van [getuige 1] , terwijl hij nog steeds op de vrouw zat en met haar worstelde. [getuige 1] zag dat de man met zijn knieën op de rug van de vrouw zat en dat hij tweemaal zijn arm ophief en daarmee in de richting van de vrouw bewoog. Nadat de man nogmaals had omgekeken, stond hij snel op en rende weg. Vervolgens stond de vrouw op. Terwijl de vrouw om hulp riep, rende zij in paniek op [getuige 1] en haar verloofde af. Haar haren, hoofd, rug en nek zaten onder het bloed. Op de rug van de vrouw zat, tussen haar schouderbladen ter hoogte van het bh-bandje, een steekwond die hevig bloedde.11 [getuige 1] heeft verder bij de politie verklaard dat zij in de tijd dat ze naar de man en vrouw keek, alleen een vrouw en een kind heeft gezien. Zij heeft geen persoon gezien die in het zwart gekleed was.12 Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] haar bij de politie afgelegde verklaringen bevestigd.13 Onderzoek naar de looproute van [getuige 1] heeft uitgewezen dat zij gedurende 1 minuut en 27 seconden de man en de vrouw in het zicht heeft gehad.14

[getuige 2] heeft verklaard dat hij een man en vrouw op de grond zag liggen, dat hij dacht dat ze met elkaar stoeiden en dat het leek alsof het been van het meisje werd vastgehouden. Plots gingen zij uit elkaar. Toen het meisje hen zag, rende zij op hen af en riep om hulp. [getuige 2] zag dat de zijkant van haar gezicht bebloed was. De man keek hen toen heel verbaasd aan en rende de andere kant uit. [getuige 2] heeft verder verklaard dat hij in de omgeving alleen een vrouw met een kind heeft gezien.15 Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] aanvullend verklaard dat hij in het park geen persoon heeft gezien die in het zwart gekleed was.16

Het forensisch onderzoek

De politie heeft direct na het incident forensisch-technisch sporenonderzoek verricht in de nabije omgeving van de plaats delict. Daarbij zijn diverse delen van een gebroken glazen bierfles (bruin van kleur) veilig gesteld, bemonsterd en voorzien van SIN nummer [(--)] . Ook zijn de fiets en de op het kinderzitje van die fiets aangetroffen glasdeeltjes veilig gesteld, bemonsterd en voorzien van respectievelijk SIN nummers [(--)] en [(--)] . Voorts is een lange striem in de hals van [naam slachtoffer] bemonsterd voor DNA-onderzoek en voorzien van SIN nummer [(--)] .17 Tevens is onder de verdachte een spijkerbroek in beslag genomen, bemonsterd en voorzien van SIN nummer [(--)] .18

Uit onderzoek door het NFI aan de bemonstering van SIN [(--)] (de drinkopening van een kapotte bierfles) is een enkelvoudig DNA-profiel verkregen dat afkomstig kan zijn van de [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1986. De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard.19 Dat betekent dat de kans dat het DNA profiel niet van de verdachte afkomstig is, kleiner is dan 1 op 1 miljard.

Op 25 september 2017 heeft het NFI aanvullend onderzoek verricht aan de gebroken glazen bierfles. Op de breukranden van drie glasscherven zijn meerdere bloedsporen aangetroffen, veiliggesteld en bemonsterd als [(--)] tot en met [(--)] . Op grond van dit onderzoek heeft het NFI geconcludeerd dat het aangetroffen DNA-profiel in die bloedsporen van [naam slachtoffer] afkomstig kan zijn, met een matchkans die kleiner is dan één op één miljard. Dat betekent dat de kans dat het DNA profiel niet van [naam slachtoffer] afkomstig is, kleiner is dan 1 op 1 miljard.20

Ook volgt uit dit rapport dat in de bemonstering [(--)] en [(--)] (afkomstig van de striem in de halsstreek van [naam slachtoffer] ) een DNA‑mengprofiel van twee personen is aangetroffen, met celmateriaal dat afkomstig zou kunnen zijn van [naam slachtoffer] en verdachte. Het NFI heeft hieromtrent vervolgens twee hypothesen geformuleerd, te weten:

hypothese 1: de bemonsteringen [(--)] en [(--)] bevatten celmateriaal van de verdachte en [naam slachtoffer] ;

hypothese 2: de bemonsteringen [(--)] en [(--)] bevatten celmateriaal van [naam slachtoffer] en één willekeurige onbekende persoon.

Uit het rapport volgt dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek ten minste 1 miljard keer waarschijnlijker zijn als hypothese 1 juist is, dan als hypothese 2 juist is.21

Vergelijkend glasonderzoek aan de onderzochte glasdeeltjes, afkomstig van het stuur van de fiets en het kinderzitje van de fiets, heeft uitgewezen dat de resultaten van het vergelijkend onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer die glasdeeltjes afkomstig zijn van de gebroken bierfles met SIN nummer [(--)] , dan wanneer die glasdeeltjes afkomstig zijn van een willekeurig ander glazen fles of object. Ook blijkt hieruit dat de resultaten van het vergelijkend onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de glasdeeltjes, aangetroffen in de zak van de broek van verdachte met SIN nummer [(--)] , afkomstig zijn van de gebroken bierfles met SIN nummer [(--)] , dan wanneer die glasdeeltjes afkomstig zijn van een willekeurig ander glazen fles of object. Wat betreft het onderzochte glasdeel uit de zak van de broek van verdachte (SIN nummer [(--)] ) geldt dat de resultaten van het vergelijkend soucheonderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer het glasdeel uit een zak van de broek van de verdachte oorspronkelijk één geheel heeft gevormd met het glas van het referentieglas (SIN [(--)] ), dan wanneer het glasdeel uit een zak van de broek oorspronkelijk één geheel heeft gevormd met een willekeurig ander bruin glazen object.22

Het forensisch geneeskundig onderzoek heeft uitgewezen dat de wond op de rug van [naam slachtoffer] , vanwege de onregelmatige wondranden, veel meer past bij de onregelmatige randen van het op het bijgevoegde fotomateriaal afgebeelde glas dan bij een enkelvoudige beweging met een mes met een glad lemmet. Het aantreffen van deze verwonding is veel waarschijnlijker onder de hypothese dat deze is veroorzaakt door het onregelmatige glas van het afgebroken flesje of een ander onregelmatig scherprandig voorwerp of uitsteeksel, dan de hypothese dat deze is ontstaan door een mes met een glad lemmet. Voorts volgt hieruit dat deze wond zich op een huidgebied bevindt waar een gezond persoon met een normaal bewustzijn doorgaans niet op of tegenaan valt, waardoor het aantreffen van de verwonding aan de rug veel waarschijnlijker is onder de hypothese dat deze is opgelopen door actief steken met een scherprandig voorwerp dan onder een hypothese dat deze is opgelopen door vallen in een scherp voorwerp. De wond is achteraf gezien niet levensbedreigend geweest maar indien een diepere verwonding was opgelopen op die plek, hadden levensbedreigende gevolgen kunnen optreden.23

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft tijdens zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij via het park naar huis fietste en onderweg was gestopt omdat hij moest plassen. Hij hoorde geruis achter zich en zag toen een vrouw op de grond liggen. Ook zag hij bloedsporen op de grond. Omdat hij haar overeind probeerde te helpen heeft hij haar bij de armen en de nek vastgepakt, maar zij werkte niet mee en duwde hem weg. Verdachte is toen in paniek geraakt, is weggerend en heeft zijn fiets laten liggen. Zijn handen zaten onder het bloed en op zijn broek zaten bloedspetters. Onderweg naar huis heeft verdachte zijn t-shirt, waaraan hij zijn handen had afgeveegd, en zijn zwarte rugtas met daarin drie lege bierflesjes weggegooid.24

Ter terechtzitting van 17 november 2017 heeft de verdachte verklaard dat hij enige tijd heeft rond gefietst in het park, omdat hij nodig moest plassen en daarvoor een geschikte plek zocht. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij uit boosheid zijn tasje met daarin lege bierflesjes van het merk Hertog Jan tegen het stuur van zijn fiets had geslagen. Verdachte was boos omdat hij, zoals hij ook voor het eerst tijdens zijn tweede verhoor bij de politie heeft verklaard, vlak daarvoor zelf het slachtoffer was geworden van een poging tot diefstal van zijn mobiele telefoon door een man, gekleed in het zwart en met een sjaal om zijn gezicht. Hij zag toen een vrouw met een bebloed gezicht op de grond liggen en zij leek in paniek. Omdat hij haar wilde helpen om overeind te komen, heeft hij haar armen en nek aangeraakt. Hoewel verdachte zelf ook in paniek was geraakt, nadat hij het slachtoffer was geworden van een poging tot diefstal en hij als hij in paniek is normaal gesproken geen hulp biedt en juist wegloopt, kwam dat voorval niet zo heftig op hem over dat hij daardoor niet in staat was om de vrouw te helpen. Pas bij het zien van zoveel bloed bij de vrouw raakte hij écht in paniek en is hij weg gerend, aldus verdachte25

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer op 22 mei 2017 met een scherp voorwerp heeft gestoken en vervolgens met zijn handen haar keel heeft dichtgeknepen en dicht geknepen heeft gehouden.

Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario vindt geen enkele ondersteuning in het dossier. Zo hebben [naam slachtoffer] en ook geen van de (in het park aanwezige) getuigen over een in het zwart geklede man met een sjaal om zijn gezicht verklaard en heeft het uitvoerige (forensische) onderzoek ook geen aanwijzingen voor de betrokkenheid van een (derde) onbekend gebleven persoon opgeleverd. De rechtbank schuift het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.

Opzet en voorbedachte raad

De vragen die thans nog ter beantwoording aan de rechtbank voorliggen zijn of verdachte opzet had op het plegen van dit feit en, zo ja, of verdachte dit feit al dan niet heeft gepleegd met voorbedachte raad.

Opzet

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot moord dan wel doodslag vast moet komen te staan dat het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, van de verdachte gericht was op de dood van het slachtoffer. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

In het onderhavige geval heeft verdachte het slachtoffer eerst gestoken, daarna geduwd en nadat zij op de grond was gevallen heeft hij met beide handen meermalen (bij voortduring en met kracht) de keel van het slachtoffer vastgepakt en dichtgeknepen. Ook heeft verdachte, nadat hij met één hand haar keel had los gelaten om de telefoon van [naam slachtoffer] weg te gooien, wederom haar keel vastgepakt en dichtgeknepen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zowel het steken als het dichtknijpen van de keel ieder voor zich naar hun aard reeds geschikt om de dood van een slachtoffer teweeg te brengen. De verwonding in de borstkas ter hoogte van de wervelkolom had bij een diepere perforatie levensbedreigend kunnen zijn. Verder heeft de verdachte [naam slachtoffer] met kracht proberen te wurgen, waardoor zij zuurstoftekort heeft ervaren, omdat zij zich benauwd voelde en zich onwel voelde worden. Bij een dergelijke handelwijze kan het, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bij [naam slachtoffer] heeft aanvaard.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad (en dus moord) moet vast komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven en hij dus niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het

besluit ontstaat.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte ongeveer twintig minuten door het [naam park] heeft gefietst. Verdachte moest nodig plassen en hoewel zijn huis vlakbij dit park is gelegen, zocht hij – naar zijn zeggen – een geschikte plek daarvoor in de bosjes. In een tijdsbestek van iets minder dan twintig minuten is de verdachte [naam slachtoffer] driemaal op de fiets (telkens van achteren) gepasseerd. Vervolgens heeft de verdachte zijn fiets in de bosjes gelegd en een leeg bierflesje, dat in zijn rugtas zat, op het stuur van de fiets kapot geslagen. Daarna is hij [naam slachtoffer] tegemoet gelopen, heeft haar vastgegrepen en in de rug gestoken met een stuk glas, en heeft hij haar geduwd waardoor zij op de grond viel. Vervolgens heeft de verdachte [naam slachtoffer] , terwijl hij zijn handen om haar keel had, in de richting van de bosjes gesleurd. Daar heeft de verdachte meermalen zijn handen naar de keel van [naam slachtoffer] (terug) gebracht en haar keel dicht geknepen en dicht geknepen gehouden. . Gelet op die omstandigheden, waarin verdachte op verschillende plekken en momenten in het park meerdere op het te plegen delict gerichte handelingen heeft verricht, zoals het uitkiezen van het slachtoffer, het verstoppen van de fiets en het kapot slaan van het bierflesje, gedurende een tijdspanne van ongeveer twintig minuten, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorbedachte raad. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de besluitvorming van verdachte en de uitvoering daarvan in een plotselinge hevige ogenblikkelijke gemoedsopwelling hebben plaatsgevonden.

Het eindoordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde, te weten poging tot moord, heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 22 mei 2017 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en met voorbedachten rade, [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een scherp voorwerp meermalen, in de rug, van die [naam slachtoffer] heeft gestoken en

- met een of meer hand(en) met kracht de hals van die [naam slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar omdat, mede gelet op de conclusies van de hieronder te bespreken rapportages, geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De op te leggen straf en/of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en dat de maatregel van terbeschikkingstelling (verder ook te noemen: TBS) met dwangverpleging wordt opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, in geval van bewezenverklaring, te volstaan met oplegging van een (deels voorwaardelijke) straf. In dit verband heeft hij verwezen naar de LOVS-oriëntatiepunten, voor zover die voor een zware mishandeling zijn vastgesteld. Voorts is de TBS-maatregel met dwang niet aan de orde, nu dit als uiterste middel moet worden ingezet en thans nog niet alle beschikbare - minder vergaande - mogelijkheden van hulpverlening zijn geprobeerd. In het licht van het voorgaande heeft de raadsman met klem verzocht om de vordering tot oplegging van de TBS-maatregel af te wijzen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich op 22 mei 2017 schuldig gemaakt aan een poging tot moord door uit het niets het slachtoffer met een stuk glas in de rug te steken. Vervolgens heeft hij geprobeerd om het slachtoffer te wurgen door met zijn beide handen meermalen haar keel dicht te knijpen en dichtgeknepen te houden. Dat het fysieke letsel beperkt is gebleven en het incident geen dodelijke afloop heeft gekend, is niet te danken aan het handelen van verdachte. Met zijn handelen heeft verdachte op grove wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat [naam slachtoffer] na een half jaar nog steeds ernstige psychische gevolgen (er is een posttraumatische stressstoornis gediagnosticeerd) ondervindt van de aanval en dat zij zich buitenshuis, maar ook thuis niet meer veilig voelt. Omdat de aanval zich in een park heeft afgespeeld en anderen daarmee ongewild zijn geconfronteerd, zal dit ook bij hen gevoelens van angst en onveiligheid hebben opgeroepen. Door een alternatief scenario te schetsen en daarin te volharden, hetgeen overigens het recht van de verdachte is, heeft de verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de grote gevolgen daarvan voor [naam slachtoffer] . De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, gedateerd 24 mei 2017. Hieruit volgt dat verdachte eerder, en relatief recent, onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling en huiselijk geweld en dat hij ten tijde van het bewezenverklaarde in een proeftijd liep voor een geweldsdelict. De rechtbank weegt dat ten nadele van de verdachte mee.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport psychiatrisch onderzoek van 27 augustus 2017, opgesteld door drs. L.H.W.M. Kaiser (psychiater) alsmede van het Pro Justitia-rapport psychologisch onderzoek van 15 september 2017, opgesteld door drs. T. ’t Hoen (GZ-psycholoog).

De psychiater heeft gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken die aanwezig was in de periode van het ten laste gelegde. Daarnaast is er sprake van een stoornis in alcoholgebruik, gedeeltelijk in remissie, en van zwakbegaafdheid. Verdachte komt berekenend over en heeft een manipulatieve houding. Daarnaast externaliseert verdachte, toont hij weinig schuld- en schaamtegevoel en is zijn empathie minimaal. Volgens de psychiater komt daarin een lacunaire gewetensfunctie naar voren. Vanwege de ontkenning van verdachte, heeft de psychiater zich niet kunnen uitlaten over de toerekeningsvatbaarheid. Evenwel heeft de verdachte tegenover rapporteur te kennen gegeven dat hij ‘overmatig agressief was naar degene die zijn telefoon wilde stelen’. Hoewel vanwege die ontkenning eveneens geen uitlating kan worden gedaan over de kans op recidive zijn er ten aanzien van het gebruik van agressie veel belastende factoren, aldus de psychiater. Zo heeft verdachte eerder agressieve delicten begaan, veel alcohol gebruikt, een forse verlaagde agressiedrempel in geval van drankgebruik, een antisociale leefwijze en onvoldoende inzicht in zijn problematiek. Daarmee is de kans groot dat de verdachte in herhaling zal vervallen van een agressieve reactie. Tot slot heeft de psychiater gerapporteerd dat behandeling zinloos is als verdachte geen intrinsieke motivatie heeft en hij geen probleembewustzijn heeft.

De GZ-psycholoog heeft gerapporteerd dat verdachte naar voren komt als een persoon met een kwetsbare en onrijpe persoonlijkheidsstructuur die functioneert op een zwakbegaafd intellectueel niveau. Bij oplopende druk komen de impulscontrole en frustratietolerantie al snel onder druk te staan, waardoor bij te hoog oplopende stress (agressieve) impulsdoorbraken snel de oppervlakte bereiken. Daarnaast zijn de copingvaardigheden van verdachte onvoldoende om moeilijke situaties te hanteren. Vanwege zijn zwakbegaafdheid is verdachte voorts onvoldoende in staat om complexe(re) situaties in voldoende mate te doorzien en de gevolgen van zijn eigen gedrag te overzien. Opvallend is dat verdachte de neiging heeft om de verantwoordelijkheid voor problemen buiten zichzelf te leggen en zijn eigen probleemgedrag te bagatelliseren. Volgens de GZ-psycholoog voldoet verdachte aan voldoende criteria om te kunnen spreken van een persoonlijkheidsstoornis waarbij antisociale en narcistische trekken een rol spelen. De stoornissen van verdachte (zwakbegaafdheid, persoonlijkheidsstoornis en stoornis in het middelengebruik, waaronder alcohol), hebben elkaar lange tijd in stand gehouden en versterkt. Ook de GZ-psycholoog heeft, vanwege de ontkenning van verdachte, zich niet kunnen uitlaten over de mate van toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico. Tot slot heeft de GZ-psycholoog gerapporteerd dat – in overleg met de psychiater – de mogelijkheid van een milieuonderzoek of een klinische observatie in het Pieter Baan Centrum is overwogen, maar dat hiervan is afgezien. Hoewel dit de diagnostiek nader zal verfijnen, levert dit naar verwachting geen verschuiving van de diagnostiek op.

Uit het rapport van Palier forensische & intensieve zorg van 25 september 2017 blijkt dat de reclassering het recidiverisico als hoog inschat, alsook de kans dat daarbij letselschade ontstaat. Volgens de reclassering is sprake van een delictpatroon wat betreft het plegen van geweldsdelicten in samenhang met alcoholgebruik door verdachte. Verdachte heeft een forse afhankelijkheid van alcohol gehad en na een recente behandeling bij Brijder verslavingszorg is zijn alcoholgebruik weliswaar verminderd, maar niet beëindigd. In gesprekken met de reclassering maakt verdachte een sociaal wenselijke indruk. Hoewel de toerekeningsvatbaarheid door de gedragsdeskundigen niet kon worden vastgesteld, is het volgens de reclassering aannemelijk dat bij verdachte sprake was van de geconstateerde problematiek ten tijde van het laste gelegde feit. In geval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal verdachte in het kader van detentiefasering of voorwaardelijke invrijheidstelling op enig moment weer in beeld komen bij de reclassering en dat is onwenselijk, aldus de reclassering. Tot slot blijkt uit dit rapport dat, vanwege de tenlastelegging, de houding van verdachte en de geconstateerde problematiek en recidiverisico, de reclassering een langdurig traject in een hoog beveiligde setting geïndiceerd acht.

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank maakt deze bevindingen en de daaruit getrokken conclusies dan ook tot de hare. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan de verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd, of dat er aanleiding is om verdachte (eventueel daarnaast) een strafrechtelijke maatregel, zoals terbeschikkingstelling, al dan niet met dwangverpleging, op te leggen.

De strafrechtelijke afdoening

Omtrent de vraag welke straf en/of maatregel passend en geboden is, overweegt de rechtbank, tegen de achtergrond van het voorgaande en alle feiten en omstandigheden afwegende, als volgt.

Om de maatregel van TBS te kunnen opleggen dient, ingevolge het eerste lid van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr), onder meer de vraag te worden beantwoord of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Voorts is krachtens de wet voor een last tot TBS een advies van twee gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, die betrokkene hebben onderzocht, vereist. Daarbij is niet vereist dat door twee gedragsdeskundigen een TBS-advies moet zijn uitgebracht. Artikel 37, tweede lid, WvSr schrijft slechts voor dat door twee gedragsdeskundigen een advies wordt uitgebracht; de wet stelt geen eisen aan de inhoud van dit advies. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van de raadsman om aanvullende rapportage(s) toe te wijzen.

Gelet op de bevindingen van de gedragsdeskundigen dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, zwakbegaafdheid en alcoholgerelateerde problematiek, stelt de rechtbank vast dat de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens heeft en dat deze ook ten tijde van het begaan van het ten laste gelegde feit aanwezig was. Hoewel de deskundigen met betrekking tot de toerekenbaarheid van het ten laste gelegde feit geen standpunt in hebben kunnen nemen, acht de rechtbank het aannemelijk dat het bewezenverklaarde feit verdachte, gelet op de bij hem aanwezige stoornis, in verminderde mate moet worden toegerekend. Ook omtrent de kans op recidive hebben de gedragsdeskundigen geen standpunten kunnen innemen. Evenwel schat de rechtbank, met de reclassering, de kans op recidive hoog in. Daarbij betrekt de rechtbank de zorgwekkende ontwikkeling dat bij verdachte sprake is van toenemend agressief gedrag met een toenemende ernst van de delicten. Voorts neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat - ondanks dat verdachte naar zijn zeggen kan terugvallen op zijn moeder en oma - inmiddels alle eerder aanwezige beschermende factoren om heen zijn weggevallen, hij weinig (intrinsiek) gemotiveerd is voor behandeling en geen enkele blijk heeft gegeven van enig probleembesef. Daarnaast is er nog steeds sprake van alcoholgebruik, wellicht misbruik, hetgeen uit oogpunt van recidive beperking, negatief uitpakt. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan de terbeschikkingstelling van verdachte te gelasten en daarbij te bepalen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Hieraan heeft eveneens bijgedragen dat verdachte onderhavig feit zonder enige aanleiding heeft gepleegd en dat hij ter zitting heeft volhard in zijn ontkenning, waarmee hij blijk heeft gegeven geen verantwoordelijkheid te willen nemen jegens het slachtoffer.

De rechtbank overweegt voorts dat het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van deze maatregel eist. Nu de TBS-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, is sprake van een ongemaximeerde TBS als bedoeld in artikel 38e WvSr en kan de totale duur van de op te leggen maatregel om die reden een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank is verder van oordeel dat naast de maatregel van TBS met dwangverpleging een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Op het plegen van het onderhavige bewezenverklaarde feit, waarmee groot (psychisch) leed is toegebracht aan het slachtoffer en haar directe omgeving en waarvan anderen ongewild getuigen van zijn geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur zoals deze door de officier van justitie is gevorderd.

Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de duur van de op te leggen gevangenisstraf en maatregel zal de rechtbank het (impliciete) verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[naam slachtoffer] , bijgestaan door mr. A.J. Korff, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de (aanvullende) vordering tot schadevergoeding, groot € 10.148,67, bestaande uit hierna op te noemen posten. Tevens vordert zij de wettelijke rente, de kosten tenuitvoerlegging, de veroordeling van de verdachte in de proceskosten en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte.

1. Immateriële schade € 7.250,00

2. Materiële schade € 1.088,33

bestaande uit:

Kleding, zonnebril, oordopjes € 200,00

Herstel ketting € 8,50

Eigen risico 2017 en 2018 € 770,00

Littekencrème € 22,94

Niet vergoede kosten apotheek € 10,83

Kosten medicatie/verband € 21,98

Extra gereden kilometers € 54,08

3. Huishoudelijke hulp € 1.679,00

4. Kosten Medische informatie € 131,34

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de gevorderde materiële schade gedeeltelijk dient te worden afgewezen. Met betrekking tot de post ‘eigen risico 2017 en 2018’, is immers niet met zekerheid te zeggen dat de benadeelde partij ten gevolge van het incident in 2018 medische hulp zal aanwenden. Omdat de post ‘huishoudelijke hulp’ onvoldoende (concreet) is onderbouwd, is onduidelijk of deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt zodat ook die post dient te worden afgewezen. Meer subsidiair dient de gevorderde immateriële schadevergoeding te worden gematigd, aldus de raadsman.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

De rechtbank acht de vordering tot een bedrag van € 5.000,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De hoogte van het schadebedrag is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd met de verwijzing naar de aangifte, de toelichtende stukken en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring betreffende de gevolgen die het aan de verdachte verweten feit voor [naam slachtoffer] heeft gehad en nog steeds heeft. Daaruit volgt dat [naam slachtoffer] kampt met diverse psychische klachten en is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, waarvoor zij een geschikte behandeling zal ondergaan. Het is de rechtbank voorts gebleken dat [naam slachtoffer] buitenshuis, maar ook in haar eigen woning, zeer angstig is. De omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit werd gepleegd hebben aldus voor de benadeelde partij nog steeds een grote impact.

Materiële schade

Huishoudelijke kosten

De vordering is, voor zover deze betrekking heeft op deze post voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht de vordering wat betreft deze post, gelet op de onderbouwing daarvan, naar redelijkheid toewijsbaar tot een bedrag van € 750,- en wijst de vordering voor het overige af.

Eigen risico

De vordering is, voor zover deze betrekking heeft op voornoemde schadepost voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden en ook nog zal lijden voor wat betreft de psychische hulp als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 770,- derhalve toewijzen.

De rechtbank acht de vordering, voor wat de overige materiële schadeposten betreft, toewijsbaar, nu de omvang daarvan niet (inhoudelijk) is betwist en is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

Conclusie

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 6.969,67.

(€ 5.000,- + € 1.088,33 + € 750,- + € 131,34 = € 6.969,67)

De rechtbank zal voorts de door de benadeelde partij gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 22 mei 2017 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht en verdachte hiervoor zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan hem de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het thans toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 37a, 37b, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding impliciet primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot moord;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [naam slachtoffer] , een bedrag van € 6.969,67 vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 mei 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 6.969,67, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 mei 2017, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 69 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.A.C. Koster, voorzitter,

mr. M.P.M. Loos, rechter,

mr. W.I.N. Wallet, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. D.L. van Lijf en W. Braaksma, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2017.

Bijlagen:

1. requisitoir

2. pleitaantekeningen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL 1500-2017140673 ( [onderzoeksnaam] ), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 309) en het forensisch dossier (genummerd blz. 1 t/m 184), hierna: FD.

2 Proces-verbaal van aangifte door [naam slachtoffer] d.d. 23 mei 2017, met bijlagen, blz. 94 t/m 107; proces-verbaal van bevindingen.

3 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, blz. 252 t/m 255.

4 Proces-verbaal van verhoor [naam slachtoffer] d.d. 30 mei 2017, blz. 175 t/m 178.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam slachtoffer] , op 9 november 2017 opgemaakt en ondertekend door de rechter‑commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier (o.m. punten 5 en 15).

6 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 1 juni 2017 opgemaakt en ondertekend door een arts van het Haaglanden Medisch Centrum Westeinde, blz. 236.

7 FD, proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 30 mei 2017, blz. 18, onder verwijzing naar foto’s in bijlage A4 fotomap blz 27 t/m 37;

8 FD, bijlage A4 fotomap blz 27 t/m 37;

9 Proces-verbaal van aangifte door [naam slachtoffer] d.d. 23 mei 2017, met bijlagen, blz. 94 t/m 107;

10 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [naam slachtoffer] d.d. 30 mei 2017, blz. 175 t/m 178.

11 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , blz. 118 en 119.

12 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , blz. 263 t/m 264.

13 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , op 9 november 2017 opgemaakt en ondertekend door de rechter‑commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.

14 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 248 en 249.

15 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , blz. 125.

16 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , op 9 november 2017 opgemaakt en ondertekend door de rechter‑commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier (punt 6).

17 FD, proces-verbaal sporenonderzoek, blz. 16 t/m 24.

18 FD. proces-verbaal sporenonderzoek, blz. 86 en 87.

19 FD, een geschrift, te weten een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in Zoetermeer op 22 mei 2017, d.d. 24 mei 2017, opgemaakt en ondertekend door ing. [naam] , blz. 82-84.

20 FD, een geschrift, te weten een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in Zoetermeer op 22 mei 2017, d.d. 25 september 2017, opgemaakt en ondertekend door ing. [naam] , blz. 153-156.

21 FD, een geschrift, te weten een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in Zoetermeer op 22 mei 2017, d.d. 25 september 2017, opgemaakt en ondertekend door ing. [naam] , blz. 153-156.

22 FD, een geschrift, te weten een rapport vergelijkend glasonderzoek naar aanleiding van een steekincident in Zoetermeer op 22 mei 2017, d.d. 16 oktober 2017, opgemaakt en ondertekend door ing. [naam] , blz. 157-169.

23 FD, een geschrift, te weten een rapport forensisch geneeskundig onderzoek, d.d. 28 september 2017, opgemaakt en ondertekend door [naam] (forensisch arts KNMG), blz. 175-184.

24 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 84 t/m 90.

25 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 november 2017.