Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16716

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
03-01-2019
Zaaknummer
16/16521
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn zeelieden die in het bezit van een zeemansboekje Nederland zijn ingereisd op de luchthaven Schiphol met als doel werkzaamheden te verrichten aan boord van een zeeschip dat is gelegen in de haven van Rotterdam. De Zeehavenpolitie Rotterdam heeft geweigerd om uitreisstempels in de paspoorten van de zeelieden te plaatsen. Uit de Schengengrenscode en de Visumcode leidt de rechtbank af dat overschrijding van de buitengrens en uitreis plaatsvindt op het moment van aanmonstering en dat zeelieden die zich voorafgaand daaraan melden bij de grensdoorlaatpost dus een uitreisstempel in hun paspoort moeten krijgen. Anders dan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie betoogt, hoeft om van overschrijding van de buitengrens en uitreis te kunnen spreken niet vast te staan dat de zeelieden op korte termijn na aanmonstering de haven met het schip zullen verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer:AWB 16/16521

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2017 in de zaak tussen

1. [eiser 1] en 117 andere natuurlijke personen, gezamenlijk te noemen: eisers, en

2. [eiseres 1]., gevestigd te Singapore, Republiek Singapore, eiseres 1, en

3. [eiseres 2], gevestigd te Hong Kong, Volksrepubliek China, eiseres 2, en

4. [eiseres 3], gevestigd te Singapore, Republiek Singapore, eiseres 3,

gezamenlijk te noemen: eiseressen,

gemachtigde: mr. K. Boele,


en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.D. Streef.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep tegen de weigering van de Zeehavenpolitie Rotterdam (ZHP) om begin 2016 uitreisstempels in de paspoorten van eisers te plaatsen, voor zover ingediend door eisers, ongegrond verklaard en, voor zover ingediend door eiseressen, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers en eiseressen beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 14 maart 2017 - gelijktijdig met de zaken met zaaknummers AWB 16/16525, AWB 16/17721 en AWB 16/17723 - ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

De gemachtigde van eisers en eiseressen is verschenen, bijgestaan door haar kantoorgenoot

mr. J.H. van Deuren. Van eisers zijn verschenen [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 6]. Verder zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2], beide vertegenwoordigers van eiseres 2. Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, vergezeld door [persoon 3], en [persoon 4].

Overwegingen

Eisers zijn zeelieden die in het bezit van een zeemansboekje Nederland (en daarmee het Schengengebied) zijn ingereisd op de luchthaven Schiphol met als doel werkzaamheden te verrichten aan boord van het zeeschip ‘[schip]’, varend onder de Panamese vlag en gelegen in het Calandkanaal in de haven van Rotterdam. Op de dag van inreis zijn eisers doorgereisd naar Rotterdam alwaar zij zich hebben gemeld bij de ZHP om een uitreisstempel te verkrijgen als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 562/2006 (PB 2006 L 150; de Schengengrenscode). De ZHP heeft evenwel geweigerd uitreisstempels in de paspoorten van eisers te plaatsen.

Eiseressen zijn, naar eigen zeggen, de werkgevers van eisers.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het administratief beroep tegen voormelde weigering, voor zover ingediend door eisers, ongegrond verklaard. Volgens verweerder zijn de uitreisstempels terecht geweigerd, omdat niet bekend was wanneer het zeeschip zou gaan vertrekken en door eisers ook niet aannemelijk was gemaakt dat zij aan boord van het desbetreffende schip het Schengengebied zouden gaan verlaten. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van overschrijding van de buitengrens en uitreis eerst sprake is vanaf het moment waarop de kennisgeving van afvaart door de gezagvoerder van het schip is gegeven en het schip ook daadwerkelijk vertrekt. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft verweerder gewezen op artikel 4.1, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en de nota van toelichting bij dit artikel (Staatsblad 2000, 497, p. 185).

Voor zover het administratief beroep is ingediend door eiseressen heeft verweerder dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseressen volgens verweerder door de weigering van de uitreisstempels niet rechtstreeks in hun belang worden getroffen en dus niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Eiseressen betogen dat zij een eigen rechtstreeks belang hebben bij het plaatsen van uitreisstempels in de paspoorten van eisers en dus wel degelijk belanghebbende zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Volgens eiseressen is het al dan niet plaatsen van een uitreisstempel bepalend voor de wijze waarop zij hun bedrijfsvoering (zouden moeten) inrichten.

3.1.

Dit betoogt faalt. Hoewel het belang van eiseressen door de weigering van de uitreisstempels kan worden geraakt, komen de gevolgen van die weigering voor eiseressen niet rechtstreeks, maar eerst via een contractuele relatie tussen hen en eisers tot stand. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de bedrijfsvoering van eiseressen afhankelijk is van zeelieden afkomstig van buiten de Europese Unie.

4. Het beroep, voor zover ingediend door eiseressen, is gezien het voorgaande ongegrond.

5. Ten aanzien van eisers stelt de rechtbank vast dat een aantal van hen kennelijk alsnog een uitreisstempel met als datum de dag na de inreis heeft ontvangen en dat voor alle eisers geldt dat de zogenoemde 180-dagentermijn, waarbinnen ten hoogste 90 dagen in Nederland mag worden verbleven, reeds is verstreken. Ten aanzien van de vraag of eisers desalniettemin geacht moeten worden procesbelang te hebben bij de beoordeling van hun beroep overweegt de rechtbank als volgt.

5.1.

Eisers hebben verweerder in hun administratief beroepschrift verzocht om vergoeding van de door hen gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het administratief beroep. Op grond van artikel 7:28, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit (in dit geval de bestreden feitelijke handeling) wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dat geval stelt het beroepsorgaan de vergoeding vast die het bestuursorgaan verschuldigd is. Reeds hierom hebben eisers belang bij een beoordeling van het bestreden besluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:251).

6. Eisers betogen dat overschrijding van de buitengrens en uitreis plaats vindt op het moment van aanmonstering aan boord van het zeeschip en dat zeelieden die zich voorafgaand daaraan melden bij de grensdoorlaatpost dus een uitreisstempel in hun paspoort moeten krijgen. De extra voorwaarde die voor het plaatsen van een uitreisstempel is gesteld met betrekking tot het vertrek van het schip en de zeelieden is volgens eisers in strijd met de Schengengrenscode.

6.1.

Op grond van artikel 288, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft een verordening een algemene strekking, is zij verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Dit betekent dat de weigering van de uitreisstempels rechtstreeks moet worden getoetst aan de Schengengrenscode, zoals die op dat moment luidde. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van overschrijding van de buitengrens en uitreis als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Schengengrenscode komt derhalve aan de in artikel 4.1, tweede lid, van het Vb 2000 neergelegde nationale bepaling en de nota van toelichting bij dit artikel niet de doorslaggevende betekenis toe die verweerder daaraan toekent, nog daargelaten dat deze toelichting dateert van vóór de totstandkoming van de Schengengrenscode.

6.2.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder 2 en 8, van de Schengengrenscode wordt in deze verordening verstaan onder „buitengrenzen”: de landgrenzen, met inbegrip van de rivier- en meergrenzen, de zeegrenzen alsmede de lucht-, rivier-, zee- en meerhavens van de lidstaten, voorzover zij geen binnengrenzen zijn, en wordt onder “grensdoorlaatpost” verstaan: een door de bevoegde autoriteiten voor overschrijding van de buitengrenzen aangewezen doorlaatpost.

Op grond van artikel 3 van de Schengengrenscode is deze verordening van toepassing op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van de lidstaten overschrijdt.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Schengengrenscode mogen de buitengrenzen slechts via de grensdoorlaatposten worden overschreden.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel kunnen in afwijking van lid 1 op de verplichting om de buitengrenzen uitsluitend via de grensdoorlaatposten te overschrijden uitzonderingen worden toegestaan overeenkomstig de specifieke voorschriften in de artikelen 18 en 19 in samenhang met de bijlagen VI en VII.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Schengengrenscode worden de reisdocumenten van onderdanen van derde landen bij inreis en bij uitreis systematisch afgestempeld.

Op grond van het derde lid, aanhef en onder c, van dit artikel wordt er geen in- of uitreisstempel aangebracht in de reisdocumenten van zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van een lidstaat verblijven.

Op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Schengengrenscode zijn de specifieke voorschriften van bijlage VII van toepassing op zeelieden.

Die specifieke voorschriften kunnen afwijken van de bepalingen van de artikelen 4 en 5 en de artikelen 7 tot en met 13.

Bijlage VII vermeldt het volgende:

“3. Zeelieden

In afwijking van de artikelen 4 en 7 mogen de lidstaten zeelieden die in het bezit zijn van een identiteitsbewijs voor zeelieden, afgegeven overeenkomstig de Verdragen betreffende de nationale identiteitsbewijzen van zeevarenden nr. 108 (1958) of nr. 185 (2003) van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), het Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee (FAL-Verdrag) en het ter zake strekkende nationale recht, toestaan het grondgebied van de lidstaten binnen te komen door aan land te gaan om in de gemeente waar hun vaartuig heeft aangelegd of in een aangrenzende gemeente te vertoeven, of het grondgebied van de lidstaten te verlaten door terug te keren naar hun schip, zonder dat zij zich bij een grensdoorlaatpost hoeven te melden, op voorwaarde dat zij voorkomen op de bemanningslijst van het vaartuig waartoe zij behoren en dat die lijst eerder door de bevoegde autoriteiten is gecontroleerd.

Dit belet niet dat, op basis van een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of het risico van illegale immigratie, zeelieden door de grenswachters aan een controle overeenkomstig artikel 7 worden onderworpen voordat zij aan land gaan.”

6.3.

Niet is in geschil dat de haven van Rotterdam een buitengrens is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 2, van de Schengengrenscode en dat het schip aan boord waarvan eisers zich begaven uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor de vaart ter zee en dus ook voor vertrek uit Nederland. Vaststaat ook dat eisers de grensdoorlaatpost aan de Neckarweg of de St. Jobsweg te Rotterdam zijn gepasseerd. Verweerder heeft voorts niet weersproken dat eisers zich als zeelieden in het bezit van een zeemansboekje aan boord van hun schip begaven.

De rechtbank is van oordeel dat bij de aanmonstering van eisers sprake was van overschrijding van de buitengrens en uitreis als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Schengengrenscode. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In samenhang gelezen volgt uit de artikelen 4, eerste lid, en 10, eerste lid, van de Schengengrenscode dat het bij in- en uitreis afstempelen van de reisdocumenten van onderdanen van derde landen in beginsel geschiedt bij het overschrijden van de buitengrenzen via de grensdoorlaatposten. In artikel 2 van de Schengengrenscode is niet nader gedefinieerd wanneer sprake is van in- of uitreis, dan wel van het overschrijden van de buitengrenzen. Nu het in dit geval om zeelieden gaat, ligt het in de rede om hiervoor aansluiting te zoeken bij de specifieke bepalingen in de Schengengrenscode over zeelieden.
Uit de uitzondering die in artikel 10, derde lid, aanhef en onder c, en bijlage VII van de Schengengrenscode voor passagierende zeelieden wordt gemaakt voor wat betreft het afstempelen van hun reisdocumenten en de verplichting de buitengrenzen via de grensdoorlaatposten te overschrijden, leidt de rechtbank af dat de Europese wetgever het van en aan boord gaan door zeelieden van een in een zeehaven gelegen zeeschip ziet als overschrijding van de buitengrens. Immers, nu alleen bij overschrijding van de buitengrens melding bij een grensdoorlaatpost en afstempeling van de reisdocumenten is voorgeschreven, ligt het niet in de rede dat daarop een uitzondering wordt gemaakt als van overschrijding van deze grens met het van en aan boord gaan geen sprake is. Dat de Europese wetgever het van en aan boord gaan door zeelieden ziet als overschrijding van de buitengrens wordt onderstreept door de in bijlage VII gebruikte bewoordingen, waaruit volgt dat het grondgebied wordt binnengekomen door aan land te gaan en het grondgebied wordt verlaten door terug te keren naar het schip. Dat in het geval van eisers geen sprake was van terugkeer na passagieren, leidt voor de rechtbank niet tot een ander oordeel over de betekenis van de aanmonstering van eisers voor hun verblijf binnen het Schengengebied.

Steun voor haar oordeel vindt de rechtbank niet alleen in hetgeen hiervoor is overwogen over de uitzondering die in artikel 10, derde lid, aanhef en onder c, en bijlage VII van de Schengengrenscode voor passagierende zeelieden wordt gemaakt, maar ook in Verordening (EG) nr. 810/2009 (PB 2009 L 243; de Visumcode). In die verordening zijn in artikel 36 en bijlage IX voorschriften opgenomen voor de afgifte van een doorreisvisum aan de grens aan transiterende visumplichtige zeevarenden, die net als eisers via een luchthaven de lidstaat binnenkomen teneinde aan te monsteren op een schip waarop zij als zeevarende zullen werken. Op grond van bijlage IX van de Visumcode kunnen de bevoegde autoriteiten op de luchthaven van binnenkomst van de lidstaat aan de grens, met afstempeling van de reisdocumenten, overgaan tot afgifte van een visum aan deze zeevarenden, waarbij het toegestane verblijf overeenkomt met wat nodig is voor het doel van de doorreis en als eindbestemming van de reis de haven waar wordt aangemonsterd heeft te gelden. Uit het feit dat het visum aan de zeevarenden uitsluitend wordt verleend voor hun reis van de luchthaven naar de haven waar zij aanmonsteren, valt op te maken dat de aanmonstering door de Europese wetgever wordt gezien als overschrijding van de buitengrens en uitreis als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Schengengrenscode.

Voor het standpunt van verweerder dat om van overschrijding van de buitengrens en uitreis te kunnen spreken tevens vast moet staan dat de zeevarende op korte termijn na aanmonstering de haven met het schip zal verlaten, bieden de Schengengrenscode en de Visumcode geen aanknopingspunten. Integendeel, indien de Europese wetgever dit standpunt zou onderschrijven, zou het in de rede hebben gelegen dat deze voorwaarde ook zou gelden voor afgifte van het doorreisvisum aan zeevarenden. Afgifte van een visum uitsluitend voor (legale) doorreis naar de haven is immers weinig zinvol, indien de zeevarende na aanmonstering op het aldaar gelegen schip alsnog illegaal in de lidstaat verblijft als hij niet op korte termijn de haven met het schip verlaat.

6.4.

Uit het voorgaande volgt dat het betoog van eisers slaagt. Nu eisers met de aanmonstering op hun schip Nederland zijn uitgereisd had in hun grensoverschrijdingsdocument een uitreisstempel moeten worden geplaatst. Dat is hen ten onrechte geweigerd.

7. Het beroep, voor zover ingediend door eisers, is gegrond, het bestreden besluit moet worden vernietigd en de weigering uitreisstempels in de paspoorten van eisers te plaatsen moet worden herroepen. Gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5 is vastgesteld, bestaat geen aanleiding daarbij te bepalen dat verweerder alsnog uitreisstempels plaatst in de paspoorten van eisers.

8. Nu het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht vergoeden.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder op grond van artikel 7:28, tweede lid, van de Awb en artikel 8:75, eerste lid, van deze wet in de door eisers in administratief beroep en beroep gemaakte proceskosten. Nu de onderhavige zaak en de gelijktijdig behandelde zaken met zaaknummers AWB 16/16525, AWB 16/17721 en AWB 16/17723 zowel in administratief beroep als in beroep als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht moeten worden aangemerkt, stelt de rechtbank deze in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gemaakte kosten vast op € 2.970,- (1 punt voor het indienen van het administratief beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting op 21 april 2016 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van

€ 495,- en wegingsfactor 1,5 omdat het aantal samenhangende zaken vier is), welk bedrag gelijkelijk over de vier zaken moet worden verdeeld. Anders dan eisers, ziet de rechtbank geen aanleiding om het gewicht van de zaak als zwaar of zeer zwaar aan te merken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover ingediend door eiseressen, ongegrond,

- verklaart het beroep, voor zover ingediend door eisers, gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- verklaart het administratief beroep gegrond en herroept de weigering uitreisstempels in de paspoorten van eisers te plaatsen,

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

- bepaalt dat verweerder het griffierecht vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.970,-, gelijkelijk te verdelen over deze zaak en de zaken met zaaknummers AWB 16/16525, AWB 16/17721 en AWB 16/17723.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. A. Hello en

mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017.

griffier

de griffier is verhinderd te tekenen voorzitter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.