Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16711

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
C-09-511676-HA ZA 16-612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

erfenis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/511676 / HA ZA 16-612

Vonnis van 2 augustus 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. G.H.J. Spee te Nijmegen,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. T.R. Dicke te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats 3] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd, gedaagde sub 1 zal [gedaagde sub 1] genoemd worden en gedaagde sub 2 [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 mei 2016, die hersteld is bij exploot van 20 juni 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde sub 1] van 21 september 2016;

  • -

    het tussenvonnis van 2 november 2016 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 12 januari 2017 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de nadere akte van de zijde van [gedaagde sub 1] van 8 februari 2017;

  • -

    de antwoordakte tevens wijziging van eis van de zijde van [eiseres] ;

  • -

    de antwoordakte inzake wijziging eis van de zijde van [gedaagde sub 1] ;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 15 juni 2017 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Tegen [gedaagde sub 2] is verstek verleend.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn zussen en broer. Zij zijn de enige erfgenamen in de nalatenschappen van hun vader, de heer [vader] (verder: vader) die op 28 juli 2012

te [plaats 1] (Duitsland) is overleden en hun moeder, die op 4 januari 2006 is overleden te Leiden (verder: moeder).

2.2.

Zowel vader als moeder hebben bij testament over hun nalatenschap gelijkluidend beschikt. Moeder is vooroverleden en haar testament heeft daardoor geen gevolg. Het laatste testament van vader dateert van 20 december 1985; bij handgeschreven codicil van 11 augustus 1994 heeft vader [gedaagde sub 1] als executeur aangewezen. [gedaagde sub 1] heeft de executele aanvaard, hetgeen blijkt uit de verklaring van executele, opgemaakt op 11 oktober 2012 door notaris [de notaris 1] te [plaats 4] . De verklaring van executele vermeldt dat [gedaagde sub 1] heeft verklaard dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen.

2.3.

Vader heeft tot eind 2010 zelfstandig gewoond, laatstelijk in [plaats 5] . Nadien heeft hij een half jaar bij [gedaagde sub 1] ingewoond en in april 2011 is hij in een Nederlands verzorgingshuis geplaatst. Vervolgens heeft [eiseres] vader daar op enig moment opgehaald en meegenomen naar Duitsland, waar zij zelf al sinds 2009 woont. Sinds april 2011 stond vader onder bewind. Aanvankelijk trad [gedaagde sub 1] als bewindvoerder op, maar in verband met tussen [gedaagde sub 1] en [eiseres] gerezen problemen is door de kantonrechter een professioneel bewindvoerder, de Stichting Rotonde, aangesteld. Met het vertrek van vader naar Duitsland kwam een einde aan het Nederlandse bewind. De Duitse rechter heeft vervolgens een nieuwe bewindvoerder aangesteld, de heer Wachholz, die na het overlijden van vader rekening en verantwoording heeft afgelegd van het gevoerde bewind en een vermogensoverzicht heeft gemaakt.

2.4.

Na het overlijden van vader is tussen partijen discussie ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap. [eiseres] heeft de kantonrechter verzocht [gedaagde sub 1] te ontslaan uit de functie van executeur. Hangende die procedure heeft [gedaagde sub 1] op 4 december 2014 een notariële boedelbeschrijving laten opmaken door notaris [de notaris 1] te [plaats 6] . Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 6 juli 2015 is [gedaagde sub 1] ontslagen als executeur en is een boedelbeschrijving bevolen door mr [de notaris 2] , notaris te [plaats 7] . · · ·

2.5.

Bij brief van 29 januari 2016 aan [eiseres] is namens notaris [de notaris 2] te kennen gegeven dat voor de notaris de zaak is geëindigd, nu hij niet is benoemd als wettelijk vereffenaar en overigens geen bevoegdheid heeft om zelfstandig gegevens op te vragen en dus geen onderzoek kan verrichten naar de samenstelling van de nalatenschap van vader.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert- samengevat- na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

-voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] als executeur onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor schadeplichtig is geworden jegens de nalatenschap en [eiseres] ;

-voor recht verklaart dat de door [gedaagde sub 1] opgemaakte boedelbeschrijving niet juist en of niet volledig is;

- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beveelt medewerking te verlenen aan het opvragen van banksaldi en polissen levensverzekering op straffe van een dwangsom en hen beveelt tot het tekenen van een machtiging voor de verzekeraar;

- [gedaagde sub 1] veroordeelt tot betaling aan de nalatenschap van € 53.500 schadevergoeding met rente;

- [gedaagde sub 1] veroordeelt tot betaling van € 10.000 aan [eiseres] met rente;

-voor recht verklaart dat de als productie 20 door [eiseres] overgelegde boedelbeschrijving juist is, althans dat de boedelbeschrijving op een door de rechtbank te bepalen wijze zal worden opgesteld;

-bepaalt dat aan de drie erfgenamen elk een derde deel van de nalatenschap toekomt en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun schulden aan de nalatenschap dienen te voldoen en dat [eiseres] haar aandeel krijgt uitgekeerd uit de saldi van Duitse bankrekeningen;

-althans, dat de rechtbank in goede justitie zal beslissen over de verdeling van de nalatenschap;

-met veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten.·

3.2.

[eiseres] voert daartoe aan dat [gedaagde sub 1] haar plicht als executeur heeft verzaakt en er nog steeds geen goede boedelbeschrijving is, waardoor de nalatenschap niet kan worden afgewikkeld.

3.3.

[gedaagde sub 1] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde sub 1] is verschenen en derhalve ingevolge artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit vonnis ook jegens [gedaagde sub 2] , als niet verschenen gedaagde, als vonnis gewezen op tegenspraak heeft te gelden. Anders dan [eiseres] betoogt, betekent het enkele niet verschijnen van [gedaagde sub 2] echter niet dat de vorderingen van [eiseres] jegens hem zonder meer moeten worden toegewezen. De rechtbank zal immers moeten beoordelen of die vorderingen haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. In dat kader is van belang dat het hier een geschil over de verdeling van een nalatenschap betreft, waarbij [eiseres] en [gedaagde sub 1] in rechte diverse tegenstrijdige stellingen hebben .ingenomen en de rechtbank feitelijk dient te beslissen over de omvang en de verdeling van de nalatenschapsboedel, waarin ook [gedaagde sub 2] deelgenoot is. Immers, vast staat dat [eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de nalatenschap van vader gaaf en onvoorwaardelijk hebben aanvaard en dat zij op grond van het testament van vader ieder gerechtigd zijn tot een derde deel daarvan. Partijen twisten slechts over de vraag wat de boedel precies omvat en hoe die feitelijk moet worden verdeeld. Daarnaast is de vraag of, en zo ja in hoeverre, [gedaagde sub 1] , als voormalig executeur, in die hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor schadeplichtig is geworden, maar dat betreft slechts haar persoonlijke aansprakelijkheid en niet die van [gedaagde sub 2] .

De omvang van de boedel

4.2.

In haar hoedanigheid van executeur heeft [gedaagde sub 1] een onderhandse boedelbeschrijving gemaakt waarvan een kopie als productie 10 bij dagvaarding is overgelegd. Voorts is bij notariële akte van 4 december 2014 een boedelbeschrijving gemaakt, waaraan een bijlage is gehecht waarin [gedaagde sub 1] opgave doet van al hetgeen volgens haar op het moment van het overlijden van vader behoort tot diens nalatenschap. Zij heeft die boedelbeschrijving onder ede aan de notaris bevestigd.

4.3.

Nu partijen van mening verschillen over de omvang van de boedel ziet de rechtbank aanleiding zelf de boedelbestanddelen te inventariseren, een boedelopstelling te maken en vervolgens zelf de verdeling vast te stellen.

(Spaar)geld

4.4.

Niet in geschil is dat vader ten tijde van zijn overlijden over (spaar)geld beschikte. Partijen verschillen van mening over de hoogte daarvan. Blijkens de door [gedaagde sub 1] gedane aangifte erfbelasting 2012 is een bedrag aan bank- en spaartegoeden en contant geld opgegeven van € 65.383. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op een overzicht van Duitse bankrekeningen zoals haar is verstrekt door de Duitse bewindvoerder in het kader van diens rekening en verantwoording over het door hem gevoerde bewind vanaf 15 augustus 2011. Zijn overzicht (bijlage bij prod 11 dv) vermeldt een bedrag van € 65.383,54, hetgeen strookt met de aangifte. De rechtbank heeft dan ook geen reden aan de juistheid van die opgave te twijfelen en zal daar bij de verdere beoordeling van uitgaan. Daarnaast is niet in geschil dat een bankrekening die eindigt op nummer [nummer 1] niet is meegeteld in het overzicht van de Duitse bewindvoerder. Het saldo op die rekening ad € 333,30 wordt derhalve ook in de boedelopstelling meegenomen. Voor zover [eiseres] zich op het standpunt stelt dat er meer of andere rekeningen zijn waarvan het saldo in de boedel valt, gaat de rechtbank daaraan als onvoldoende onderbouwd voorbij.

Leningen

4.5.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat leningen die zij mogelijk in privé bij vader zouden hebben gesloten, en die als lening/vordering staan vermeld in de door [gedaagde sub 1] opgestelde boedeloverzichten, bij de verdere verdeling van de nalatenschap buiten beschouwing zullen blijven, zonder verdere verrekening. Een en ander is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. De rechtbank zal daar dan ook verder geen rekening mee houden.

Kosten lijkbezorging

4.6.

De rechtbank stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat van de Duitse rekening van vader voor de begrafenis aan de firma [de firma 1] een bedrag van € 4.744,30 is betaald en aan de firma [de firma 2] een bedrag van € 4.820,78. Een bijkomend bedrag van € 91,37 aan aanmaningskosten van [de firma 1] is naar de rechtbank begrijpt tot op heden onbetaald gebleven. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat die kosten voor rekening dienen te blijven van [gedaagde sub 1] , die als executeur kennelijk te laat heeft betaald. [gedaagde sub 1] heeft nog naar voren gebracht dat zij een bedrag van € 348,75 en een bedrag van € 180 heeft betaald voor de begraafplaats. De rechtbank stelt vast dat van de ervenrekening ABN AMRO (die eindigt op [nummer 2] ) op 16 april 2014 inderdaad een bedrag van € 348,75 is afgeschreven onder vermelding van Stichting Rooms-katholieke Begraafplaatsen en zal daarmee als schuld van de nalatenschap rekening houden. Het genoemde bedrag van € 180 is echter op die rekening niet als betaald traceerbaar en bovendien blijkens de overgelegde overboekingsakte bedoeld om het gebruiksrecht van het graf over te zetten op naam van [gedaagde sub 1] . Derhalve zal de rechtbank slechts uitgaan van een totaal bedrag aan kosten van lijkbezorging van € 9.913,83. De rechtbank acht het redelijk dat [gedaagde sub 1] de openstaande aanmaningskosten ad € 91,37 in privé voor haar rekening neemt, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als executeur niet tijdig kon betalen.

Overige ontvangsten/kosten

4.7.

[gedaagde sub 1] heeft naar haar zeggen in verband met de afwikkeling van de nalatenschap noodzakelijke kosten gemaakt voor notaris [de notaris 1] en voor [accountantskantoor] , een accountantskantoor. Volgens haar dienen de gemaakte kosten ten laste te worden gebracht van de nalatenschap. [eiseres] betwist dat die kosten in aftrek mogen worden gebracht en meent dat [gedaagde sub 1] die voor eigen rekening dient te nemen, nu toestemming voor het maken van die kosten ontbrak en voor het maken van de kosten volgens haar in redelijkheid geen aanleiding bestond.

4.8.

Naar oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde sub 1] voldoende onderbouwd dat door notaris [de notaris 1] werkzaamheden verricht zijn ten behoeve van de boedel. Immers, blijkens de overgelegde dagafschriften is van de ervenrekening aan hem een bedrag van € 457 betaald voor de boedelbeschrijving en een bedrag van € 468,48 voor de afgifte van verklaring van executele. Voormeld accountantskantoor heeft eveneens werkzaamheden verricht in het kader van de boedelafwikkeling. Het betreft twee rekeningen van 19 juni 2012 ter hoogte van € 303 en 14 november 2012 ter hoogte van € 298. Deze kosten mogen in redelijkheid ten laste van de boedel worden gebracht, nu [gedaagde sub 1] als executeur gerechtigd was tot boedelafwikkeling. Dat geldt niet voor de overige gestelde kosten van de accountant en de kosten voor juridisch advies, nu in het licht van het verweer van [eiseres] onvoldoende is onderbouwd dat die kosten noodzakelijk waren voor de boedelafwikkeling en niet valt uit te sluiten dat die zien op werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] privé, zoals door [eiseres] is aangevoerd. Dat betekent dat een bedrag van € 1.526,48 ten laste zal komen van de boedel. De overige rekening(en) zal/zullen door [gedaagde sub 1] in privé moeten worden betaald.

4.9.

Wel zal de rechtbank daarnaast bij de bepaling van de omvang van de nalatenschap nog rekening houden met een nagekomen schuld van € 434,56 voor eigen bijdrage zorgverzekeringswet van vader, waarvan de afrekening pas in november 2014 is ontvangen. Datzelfde geldt voor door een Duitse kliniek in rekening gebrachte "heimkosten" van

€ 146,07. Daarmee komen deze schulden in totaal op € 580,63.

4.10.

Blijkens het dagafschrift betreffende de overboeking door de Duitse bewindvoerder van het resterende Duitse saldo naar de Nederlandse ervenrekening, is op 18 maart 2013 een bedrag van € 54.606,85 overgeboekt naar de ervenrekening eindigend op nummer [nummer 3] . Het verschil tussen het saldo op de Duitse rekening bij overlijden en het overgeboekte saldo wordt goeddeels verklaard door de van die rekening na overlijden betaalde begrafeniskosten, waarna nog € 55.818,46 resteert. De rechtbank gaat er vanuit dat het dan nog resterende verschil van € 1.211,61 ziet op de resultante van ontvangsten en kosten, die nadien nog zijn ontvangen dan wel betaald door de bewindvoerder. Daarbij gaat de rechtbank er tevens vanuit dat de nagekomen AOW op de Duitse rekening is gestort en dus reeds is verdisconteerd in de uiteindelijke overboeking naar Nederland in 2013.

4.11.

Na ontvangst van het resterende Duitse saldo op de ervenrekening hebben nog mutaties plaatsgevonden. Er blijkt nog een bedrag van € 412,29 aan ontvangen rente uit de overgelegde dagafschriften, dat ten gunste dient te komen van de erfgenamen. De overige mutaties zien op transacties die niet ten nadele dienen te strekken van de boedel.

Polissen

4.12.

Ter zitting is de afspraak gemaakt dat verzekeringspolissen te gelde zullen worden gemaakt en dat de uitkeringen daarvan op de derdenrekening van de advocaat van [eiseres] zullen worden gestort, in afwachting van de uitkomsten van de onderhavige procedure. Partijen hebben zich ter zitting allen bereid verklaard de noodzakelijke machtigingen te tekenen. Dat zal blijkens bericht van Nationale-Nederlanden van 21 februari 2017 leiden tot een totale uitkering van € 454.

Sieraden

4.13.

Ter zitting van 15 juni 2017 zijn partijen overeengekomen de sieraden te verdelen conform de aan het proces-verbaal aangehechte vaststellingsovereenkomst, zonder verdere verrekening. De rechtbank behoeft op dat punt dan ook niet meer te beslissen.

Inboedel

4.14.

[eiseres] heeft in het kader van de boedelbeschrijving van [gedaagde sub 1] opgave van ten tijde van het overlijden nog aanwezige inboedel gevorderd. Volgens haar bezat vader een waardevolle in boedel, die in de woning in [plaats 5] is achtergebleven. [gedaagde sub 1] heeft van haar kant naar voren gebracht dat vader bij zijn verhuizing naar zijn laatste [plaats 5] woning reeds veel inboedel had weggedaan en dat het merendeel van de resterende inboedel tijdens het verblijf van vader in Duitsland na opzegging van de huur van de [plaats 5] woning is opgeslagen in een loods. In die loods is vervolgens brand uitgebroken, waardoor die inboedelzaken verloren zijn gegaan, terwijl achteraf is gebleken dat de loods niet verzekerd was. [gedaagde sub 1] erkent nog wat kleine inboedelzaken van vader onder zich te hebben en acht de waarde ervan gering. Zij stelt op haar beurt dat [eiseres] al voor het overlijden van vader drie waardevolle schilderijen van hem heeft gestolen uit de [plaats 5] woning en die mogelijk nadien te gelde heeft gemaakt. De waarde van die drie schilderijen wordt door [gedaagde sub 1] geschat op € 16.000 en die waarde moet bij de boedel in aanmerking worden genomen, aldus [gedaagde sub 1] .

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat door [gedaagde sub 1] in het licht van het door [eiseres] gevoerde verweer onvoldoende is onderbouwd dat de schilderijen ten tijde van het overlijden van vader nog tot zijn nalatenschap behoorden. Ten aanzien van de door [gedaagde sub 1] gestelde diefstal van de schilderijen door [eiseres] heeft te gelden dat de enkele aangifte van de gestelde diefstal in maart 2011 daartoe niet volstaat, nu niet is gebleken dat die aangifte op enigerlei wijze tot vervolging heeft geleid. Het feit dat een van de drie schilderijen kennelijk in november 2013 op een veiling is aangeboden is evenmin voldoende, nu gesteld noch gebleken is dat [eiseres] toen de bezitter/aanbieder van dat schilderij was. Bovendien staat vast dat vader aan het eind van zijn leven enkele malen is verhuisd. Dat laat de mogelijkheid open dat hij op enig moment zelf de schilderijen heeft verkocht, dan wel heeft weggegeven. De rechtbank stelt dan ook vast dat de waarde van de betreffende schilderijen niet in de verdeling zal worden betrokken. Indien na wijzen van dit vonnis mocht blijken dat een der partijen op het moment van overlijden van vader toch de beschikking had over (een of meer van) de betreffende drie schilderijen, dan verbeurt de betrokkene zijn aandeel daarin aan de overige deelgenoten op grond van artikel 3:194 van het Burgerlijk Wetboek.

4.16.

Ten aanzien van de overige inboedel oordeelt de rechtbank dat evenmin is komen vast te staan dat er nog zaken van aanzienlijke waarde aanwezig zijn bij [gedaagde sub 1] , zoals [eiseres] stelt. In dat kader heeft [eiseres] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat vader bij de verhuizing naar zijn laatste [plaats 5] woning al een deel van zijn bezittingen heeft weggedaan. Voorts staat vast dat een deel van de huishoudelijke inboedel was opgeslagen in een loods en bij een brand verloren is gegaan. Anders dan [eiseres] acht de rechtbank [gedaagde sub 1] niet gehouden tot vergoeding aan de boedel van de waarde van de verloren gegane spullen. Daartoe is van belang dat geen sprake is geweest van opzet aan haar zijde en zij er tot aan de brand te goeder trouw van uit is gegaan dat de loodseigenaar was verzekerd. Bovendien blijkt uit de opgave van [gedaagde sub 1] dat het feitelijk huishoudelijke inboedel betrof, waarvan de dagwaarde naar ervaring van de rechtbank gering is. De rechtbank verwerpt voorts de stelling van [eiseres] dat veel andere waardevolle spullen van vader, door haar geschat op een bedrag van € 15.146,38, nog in bezit zijn van [gedaagde sub 1] . Allereerst gaat [eiseres] er daarbij aan voorbij dat vast staat dat vader enkele keren is verhuisd en dus niet valt uit te sluiten dat hij bij de opvolgende verhuizingen reeds bepaalde spullen weggedaan, verkocht of weggeschonken heeft. Voorts komt geen belang toe aan de door [eiseres] overgelegde waardetaxatie van de oorspronkelijke inboedel uit 1995. Die kan niet bijdragen tot het bewijs van hetgeen ten tijde van het overlijden in 2012 nog aan inboedel aanwezig was, noch van de waarde van de betreffende zaken. De rechtbank tekent daarbij aan dat [eiseres] zelf erkent dat antiek in de loop der jaren zeer in waarde is gedaald. Bovendien zijn op de door [gedaagde sub 1] overgelegde inboedelfoto's geen bijzondere antieke zaken te zien zijn, maar veeleer ouderwetse meubels en snuisterijen. De door [eiseres] overgelegde verklaringen van familieleden leiden niet tot een ander oordeel. Weliswaar wordt daarin gesproken over "verzamelingen" die in 2010 nog aanwezig zouden zijn geweest, maar ook die verklaringen bieden onvoldoende basis voor de stelling dat de gestelde zaken bij overlijden van vader in 2012 alle nog aanwezig waren en thans in bezit zijn van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft overigens wel erkend nog enkele zaken onder zich te hebben, waaronder wat porseleinen beeldjes. De rechtbank gaat dan ook in het kader van de vaststelling van de waarde van de inboedelgoederen die [gedaagde sub 1] nog onder zich heeft schattenderwijs uit van een waarde van

€ 1.000.

4.17.

Het voorgaande leidt tot de volgende boedelopstelling:

Activa: Passiva:

(spaar)saldi € 65.716,84 begrafeniskosten € 9.949,83

Rente € 412,29 [accountantskantoor] € 601,--

Polissen € 454,- Zorgkosten € 580,63

Inboedel € 1.000,- Notariskosten € 925,48

-------- -------------

€ 67.583,13 € 12.056,94

Het batig saldo van de nalatenschap sluit daarmee op een waarde van € 67.583,13 -

€ 12.056,94 = € 55.526,19 waarop de erfgenamen elk voor een derde, te weten

€ 18.508,73, aanspraak kunnen maken.

Verdeling

4.18.

Dan resteert de vraag hoe de verdeling dient plaats te vinden. Niet in geschil is dat het saldo van de ervenrekening inmiddels feitelijk al is verdeeld tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , en [eiseres] daarvan nog niets heeft ontvangen. Voorts staat vast dat [gedaagde sub 1] voor een in aanmerking te nemen bedrag van € 1000 aan inboedelgoederen onder zich heeft. Tevens wordt/is een bedrag van € 454 op de derdenrekening van de advocaat van [eiseres] gestort. De rechtbank gaat er vanuit dat de advocaat van [eiseres] voormeld bedrag van € 454 na ontvangst van dit vonnis, althans na ontvangst van het bedrag, gelijkelijk onder de drie erfgenamen zal verdelen; elk van hen ontvangt dan daarvan € 151,33. Dan resteert voor elk nog een aanspraak van € 18.357,40, met dien verstande dat [gedaagde sub 1] aan inboedelgoederen reeds een waarde van € 1000 onder zich heeft. De rechtbank acht feitelijke verdeling van deze inboedelzaken in het licht van de zeer slechte relatie en de opgelopen spanning tussen de beide zussen niet opportuun en zal die zaken, onder verrekening van de waarde ervan, dan ook toedelen aan [gedaagde sub 1] . Hierdoor resteert voor haar een aanspraak in geld van

€ 17.357,40. .

4.19.

Ter zitting hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te kennen gegeven dat zij gezamenlijk zullen zorgdragen voor uitbetaling van het haar toekomende aandeel aan [eiseres] , indien de rechtbank een aanspraak in een vonnis vastlegt. Nu [eiseres] recht heeft op betaling van haar aandeel in de nalatenschap van € 18.357,40 en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het aanwezige rekeningsaldo reeds tussen hen beiden hebben verdeeld, dienen zij, (ervan uitgaande dat het polisgeld door de advocaat separaat aan de erven wordt uitgekeerd), elk aan [eiseres] de helft van het haar dan nog toekomende bedrag te voldoen uit hoofde van overbedeling. De rechtbank zal hen dan ook veroordelen tot betaling van elk € 9.178,70. De vordering van [eiseres] dat betaling dient plaats te vinden via de Duitse bankrekening zal worden afgewezen, nu vaststaat dat die bankrekening al is opgeheven. De rechtbank zal bepalen dat de wettelijke rente over het te betalen bedrag verschuldigd raakt vanaf twee weken na datum vonnis, nu pas bij dit vonnis de verdeling is vastgesteld.

Schadevergoeding

4.20.

De rechtbank verwerpt de stelling van [eiseres] dat zij daarnaast aanspraak kan maken op schadevergoeding door [gedaagde sub 1] . De door [gedaagde sub 1] opgestelde boedelbeschrijvingen wijken op hoofdlijnen slechts in geringe mate af van de thans vastgestelde bedragen. Het grootste verschil ziet op de eerder opgenomen leningen, waarvan partijen ter zitting in onderling overleg zijn overeengekomen die buiten beschouwing te laten. Onder die omstandigheden bestaat in redelijkheid geen grond voor schadevergoeding door [gedaagde sub 1] als executeur. Overigens is gesteld noch gebleken dat [gedaagde sub 1] de boedel heeft benadeeld; zij heeft als executeur niet onrechtmatig gehandeld. De door [eiseres] gevorderde verklaringen voor recht zullen dan ook alle worden afgewezen. Bij de gevorderde medewerking aan het opvragen van saldi en polissen heeft [eiseres] geen belang meer, nu de rechtbank in dit vonnis zelf de nalatenschapsboedel en de verdeling ervan vaststelt.

4.21.

Omdat het hier een procedure van familierechtelijk aard betreft ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

- stelt de verdeling van de nalatenschap van [gedaagde sub 2] , overleden op 28 juli 2012 te [plaats 1] (Duitsland) als volgt vast:

 aan [gedaagde sub 1] worden toegedeeld de zich thans bij haar bevindende inboedelzaken en voorts een bedrag van € 17.508,73;

 aan [eiseres] wordt toegedeeld een bedrag van € 18.508,73;

 aan [gedaagde sub 2] wordt toegedeeld een bedrag van€ 18.508,73;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van een bedrag van

€ 9.178,70 aan [eiseres] , vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf twee weken na datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van een bedrag van € 9.178,70 aan [eiseres] , vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf twee weken na datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.