Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16703

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
AWB 17/7815
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gestelde bekering, verklaringen van derden, bewijsstukken, (aanvullende) waarde

Uit het arrest van het EHRM in de zaak Maaouia tegen Frankrijk van 5 oktober 2000 volgt dat procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen niet vallen binnen het bereik van artikel 6 EVRM. Echter, uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder ander de uitspraken van 19 april 2012 en van 30 juni 2017 betekent dit niet dat aan de in deze bepalingen vervatte waarborgen geen betekenis toekomt, voor zover het betreft de aan een rechtsprekend orgaan en aan de door dat orgaan gevolgde procedures te stellen eisen. Het recht op een eerlijk proces, waaronder begrepen het recht op gelijke proceskansen (equality of arms) en het recht op een procedure op tegenspraak (adversarial proceedings), als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 EVRM mede ten grondslag ligt, geldt immers evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Zoals het EHRM heeft overwogen in het arrest van 8 oktober 2015 in de zaak Korošec tegen Slovenië is de kern van het beginsel van equality of arms erin gelegen dat tussen partijen evenwicht moet bestaan met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen. Dit stelt de bestuursrechter in staat om een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven.

Het feit dat vragen met betrekking tot de totstandkoming, de objectiviteit en het waarheidsgehalte van het uitgebrachte individueel ambtsbericht in de asielprocedure aan de orde kunnen worden gesteld, neemt niet weg dat ook substantiële waarde toekomt aan het specifieke belang van eisers bij een eerlijk proces en gelijke proceskansen.

Het door verzoeker op verzoek van verweerder uitgebrachte individueel ambtsbericht is een deskundigenbericht. Verweerder heeft zich ingevolge artikel 3:2 Awb er van vergewist dat het ambtsbericht – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. De rechtbank moet er bij deze stand van zaken voorshands van uitgaan dat eisers de conclusies uit het individueel ambtsbericht niet anders dan door een contra-expertise zullen kunnen bestrijden. Nu verzoeker niet heeft bestreden dat het registratienummer onontbeerlijk is om een contra-expertise te laten verrichten, wordt eisers een essentieel bewijsmiddel ontnomen indien het verzoek om beperkte kennisneming ook ten aanzien van het nummer van registratie en de plaats van registratie zou worden gehonoreerd. De rechtbank overweegt daarom dat in dit specifieke geval het belang van eisers bij een eerlijke proces met gelijke proceskansen dient te prevaleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 17/7815 GEHEIMHOUDING en AWB 17/7820 GEHEIMHOUDING

Beslissing van de enkelvoudige kamer van 7 september 2017 op het verzoek ex artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

de minister van Buitenlandse Zaken,

te Den Haag,

verzoeker,

in de zaak tussen

[eiseres] , geboren [geboortedag] 1933, eiseres en

[eiser] , geboren [geboortedag] 1963, eiser, beiden van Syrische nationaliteit,

gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde mr. P.H. Hillen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

(gemachtigde mr. D. Berben).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van verweerder van 7 april 2017 (de bestreden besluiten) zijn de aanvragen van eisers om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000.

De bestreden besluiten zijn (mede) gebaseerd op de inhoud van het individueel ambtsbericht van verzoeker van 23 januari 2017 (kenmerk: BEI160624.0027).

Op 10 april 2017 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten.

De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 1 mei 2017 verzocht de stukken die ten grondslag liggen aan het individueel ambtsbericht toe te sturen.

Verzoeker heeft bij brief van 9 mei 2017 een beroep gedaan op artikel 8:29, eerste lid, Awb.

Overwegingen

1. Tussen eisers en verweerder is in geschil of eisers de Libanese nationaliteit bezitten. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers in het bezit zijn van de Libanese nationaliteit. Hierbij baseert verweerder zich op informatie in het individueel ambtsbericht. Eiseres hebben verklaard enkel de Syrische nationaliteit te bezitten.

2. Bij brief van 9 mei 2017 heeft verzoeker de volgende stukken overgelegd, respectievelijk de daarin opgenomen inlichtingen verstrekt en aan de rechtbank medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van de volledige inhoud van:

  • -

    een memorandum van 24 juni 2016 van Cluster Ambtsberichten en Terugkeer (CAT) aan de Chef de Poste van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden (AKN) te Beiroet;

  • -

    een onderzoeksverslag van 11 januari 2017 van AKN te Beiroet aan CAT.

Verzoeker meent dat gewichtige redenen bestaan die rechtvaardigen dat kennisneming van bepaalde gedeelten in deze stukken tot de rechtbank beperkt blijven. Deze redenen betreffen de bescherming van geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden- en technieken.

3. Eisers hebben er geen bezwaar tegen dat slechts de rechtbank kennis zal nemen van de onderliggende stukken voor zover de rechtbank beperkte kennisname gerechtvaardigd acht. Die beperkte kennisname kan echter niet zover gaan dat zij geen kennis mogen krijgen van het familieregistratienummer en de plaats van registratie. Volgens eisers hebben zij belang om over die gegevens te beschikken om een contra-expertise mogelijk te maken. Eisers wijzen er op dat zij, gelet op het belang dat in ambtelijk Libanon wordt gehecht aan het familieregistratienummer, goede reden hebben om aan te nemen dat op het naturalisatiebesluit (bijlage bij het memorandum van 11 januari 2017) ook dit nummer vermeld zal staan. Eisers vermogen daarom niet in te zien welk belang verzoeker heeft bij het niet prijsgeven van dit familieregistratienummer. Het belang van eisers dient naar hun mening te prevaleren omdat het familieregistratienummer voor hen onontbeerlijk is teneinde via de ambassade van Libanon een contra-expertise te laten verrichten. Het recht op een contra-expertise wordt illusoir bij het honoreren van het verzoek om volledige beperkte kennisname, aldus eisers.

4. Bij brief van 28 mei 2017 heeft verzoeker meegedeeld dat de opgevraagde passage betrekking lijkt te hebben op een ander register, maar dat geen uitzondering kan worden gemaakt voor wat betreft de geheimhouding voor zover eisers toch prijsstellen op vrijgave van het nummer en de plaats in het document onderzoeksresultaten (D). Verzoeker hanteert een vast beleid met betrekking tot de verstrekking dan wel geheimhouding van informatie in onderliggende stukken van individueel ambtsberichten en er bestaat uitgebreide jurisprudentie over wat wel en niet mag worden weggelakt. Voorts geeft verzoeker aan dat de opgevraagde openbaarmaking van informatie in onderhavige zaak een passage betreft die betrekking heeft op geraadpleegde bronnen en gebruikte methoden en technieken van onderzoek. Naar de mening van verzoeker geeft deze passage inzicht in de bron en de onderzoeksmethodiek die mogelijk in andere gevallen nog steeds wordt gebruikt om informatie in te winnen.

5. Allereerst overweegt de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 januari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV0239) en van 11 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH2566) – dat verzoeker met de gevolgde werkwijze voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke belangenafweging aan het niet openbaar maken (van de desbetreffende passages) van het memorandum (onderzoeksverslag) van 11 januari 2017 en de bijlage (kopie van het naturalisatiebesluit) ten grondslag is gelegd. Zo heeft verzoeker, die voor een aantal passage beroep heeft gedaan op vertrouwelijkheid ingevolge artikel 8:29 Awb, per weggelakte passage afhankelijk van de aard van de motivering door middel van een cijfer gemarkeerd of deze passage betrekking heeft op (1) bronbescherming, (2) de bescherming van bij het onderzoek gehanteerde methoden en technieken, (3) ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een derde (die niet bij het onderzoek is betrokken), (4) ter voorkoming van onevenredige benadeling, (5) ter bescherming van informatie uit documenten, die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en (6) niet aan het onderwerp van het verzoek gerelateerde informatie uiteengezet waarom hij dergelijke informatie niet openbaar maakt, niet volstaan met een belangenafweging in algemene zin. Verzoeker heeft in dit geval zowel de weggelakte passage met het nummer van registratie als de plaats van registratie bij D. Onderzoeksresultaten gemarkeerd met het cijfer (1). Voorts heeft verzoeker bij brief van 28 augustus 2017 uiteengezet waarom hij de opgevraagde informatie niet openbaar maakt en waarom er een zwaarwegend belang bestaat bij bronbescherming en de bescherming van de methoden en technieken van onderzoek.

6. De rechtbank heeft kennis genomen van de door verzoeker vertrouwelijk overgelegde documenten. Ter zake van het memorandum van 24 juni 2016 en de niet aan eisers verstrekte tekstpassages in het onderzoeksverslag van 11 januari 2017, stelt de rechtbank vast dat de belangen waarop verzoeker zich heeft beroepen, bij de informatie in deze passages aan de orde zijn en in beginsel niet kunnen worden beschermd door een geringere mate van anonimisering of beperking van de openbaarmaking dan heeft plaatsgevonden. Het weglakken van de passages heeft in het onderhavige geval namelijk betrekking op bronbescherming, de bescherming van bij het onderzoek gebruikte methoden en technieken, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een derde (die niet bij het onderzoek is betrokken) dan wel niet aan het onderwerp van het verzoek gerelateerde informatie.

7. Met betrekking tot de vraag of ook aan het zwaarwegend belang bij de geheimhouding van het registratienummer en de plaats van registratie bij D. Onderzoeksresultaten doorslaggevend gewicht zou moeten worden toegekend bij de beoordeling van de rechtvaardiging van de beperkte kennisname, overweegt de rechtbank als volgt.

8. Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Maaouia tegen Frankrijk van 5 oktober 2000 (ECLI:CE:ECHR:2000:1005JUD003965298) volgt dat procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen niet vallen binnen het bereik van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Echter, uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder ander de uitspraken van 19 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4915) en van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1674) betekent dit niet dat aan de in deze bepalingen vervatte waarborgen geen betekenis toekomt, voor zover het betreft de aan een rechtsprekend orgaan en aan de door dat orgaan gevolgde procedures te stellen eisen. Het recht op een eerlijk proces, waaronder begrepen het recht op gelijke proceskansen (equality of arms) en het recht op een procedure op tegenspraak (adversarial proceedings), als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 EVRM mede ten grondslag ligt, geldt immers evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Zoals het EHRM heeft overwogen in het arrest van 8 oktober 2015 in de zaak Korošec tegen Slovenië (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) is de kern van het beginsel van equality of arms erin gelegen dat tussen partijen evenwicht moet bestaan met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen. Dit stelt de bestuursrechter in staat om een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven.

9. Allereerst heeft verzoeker wel gesteld dat, maar niet onderbouwd hoe, het enkel vrijgeven van dit nummer en deze plaatsnaam inzicht zou geven in de bron. Het feit dat vragen met betrekking tot de totstandkoming, de objectiviteit en het waarheidsgehalte van het uitgebrachte individueel ambtsbericht in de asielprocedure aan de orde kunnen worden gesteld, neemt voorts niet weg dat ook substantiële waarde toekomt aan het specifieke belang van eisers bij een eerlijk proces en gelijke proceskansen.

10. Het door verzoeker op verzoek van verweerder uitgebrachte individueel ambtsbericht is een deskundigenbericht. Verweerder heeft zich ingevolge artikel 3:2 Awb er van vergewist dat het ambtsbericht – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. De rechtbank moet er bij deze stand van zaken voorshands van uitgaan dat eisers de conclusies uit het individueel ambtsbericht niet anders dan door een contra-expertise zullen kunnen bestrijden. Nu verzoeker niet heeft bestreden dat het registratienummer onontbeerlijk is om een contra-expertise te laten verrichten, wordt eisers een essentieel bewijsmiddel ontnomen indien het verzoek om beperkte kennisneming ook ten aanzien van het nummer van registratie en de plaats van registratie zou worden gehonoreerd. De rechtbank overweegt daarom dat in dit specifieke geval het belang van eisers bij een eerlijke proces met gelijke proceskansen dient te prevaleren.

11. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten in het onderzoeksverslag van 11 januari 2017 niet gerechtvaardigd voor zover het nummer van registratie en de plaats van registratie betreft, maar acht de beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten van het memorandum van 24 juni 2016 en de overige gedeelten in het onderzoeksverslag van 11 januari 2017 wel gerechtvaardigd. Beslist wordt daarom als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    bepaalt dat de beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten in het onderzoeksverslag van 11 januari 2017, voor zover betreffende het nummer van registratie en de plaats van registratie niet gerechtvaardigd is;

  • -

    bepaalt dat de beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten van het memorandum van 24 juni 2016 en de overige gedeelten in het onderzoeksverslag van 11 januari 2017 gerechtvaardigd is.

Aldus gegeven op 7 september 2017 door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.