Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16647

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
NL17.5239
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trinidad en Tobago, LHBTI-uitzondering. Gegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5239


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.P. van den Akker),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gerritsen).


Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van [eiser] tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2017. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W.J. van Maarschalkerweerd-Bakker. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

[eiser] is burger van Trinidad en Tobago. Hij is geboren op [geboortedatum]. [eiser] heeft aan zijn asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag gelegd ten grondslag gelegd: [eiser] heeft verklaard homoseksueel te zijn. [eiser] heeft verder verklaard dat hij in januari 2016 is mishandeld door twee mannen. In mei 2016 werd hij voor een tweede keer mishandeld door dezelfde twee mannen. Op 24 april 2017 is [eiser] bedreigd door een andere man. Op

18 mei 2017 heeft hij, op aanraden van een lesbische vriendin, aangifte gedaan. [eiser] heeft vervolgens vijf weken na het doen van zijn aangifte zijn land van herkomst verlaten.

1.2.

Het asielrelaas van [eiser] bevat volgens de staatssecretaris de volgende relevante elementen:

- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Seksuele gerichtheid van [eiser];
- Problemen vanwege seksuele gerichtheid.
De staatssecretaris heeft alle relevante elementen geloofwaardig geacht. De staatssecretaris heeft echter overwogen dat deze relevante elementen onvoldoende zwaarwegend zijn voor de conclusie dat [eiser] in het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of schending van artikel 3 van het EVRM1. De staatssecretaris heeft overwogen dat [eiser] op basis van de door hem gestelde en ondervonden discriminatoire bejegening door medeburgers niet als vluchteling aangemerkt kan worden. Verweerder heeft daartoe verwezen naar het Country Report of Human Practices 2016 - Trinidad en Tobago van mei 2017 en het recente jaarboek van IlGA-State Sponsored homophobia van mei 2017. Verder is niet gebleken is dat [eiser] op maatschappelijk en sociaal gebied niet heeft kunnen functioneren. Ook heeft [eiser] zijn geaardheid in zijn land kunnen uitdragen en niet is gebleken dat [eiser] met een dermate ernstige repressie te maken heeft gekregen, dan wel te maken zal krijgen. Verder is niet gebleken dat het doen van aangifte op voorhand zinloos zou zijn dan wel dat elke aangifte leidt tot discriminatie dan wel intimidatie dan wel geweld. Het doen van aangifte bij de autoriteiten is mogelijk en dit wordt door het merendeel van de slachtoffers gedaan. De staatssecretaris concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

2. [eiser] voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte heeft verondersteld dat homoseksuelen bescherming van de autoriteiten van Trinidad en Tobago kunnen krijgen tegen geweld van medeburgers. De staatssecretaris heeft dit niet onderzocht. De staatssecretaris heeft dan wel gesteld dat Prime Minister Keith Rowley in een interview heeft verklaard dat iedereen bescherming moet worden door de wet, maar diezelfde minister-president heeft ook verklaard dat de regering niet van plan is de anti-homowetgeving aan te passen. [eiser] heeft verder van het derde incident aangifte gedaan. De staatssecretaris werpt hem tegen dat hij niet heeft geïnformeerd naar de stand van zaken van zijn aangifte, maar gaat er aan voorbij dat het vertrouwen van [eiser] - en ook zijn medeburgers - in de politie laag is. Bovendien is zijn stiefvader politieagent en homofoob, net als veel van de collega’s die bij hem thuis kwamen. Ook heeft de staatssecretaris ten onrechte geconstateerd dat [eiser] maatschappelijk en sociaal kon functioneren. [eiser] heeft zijn geaardheid nooit actief uitgedragen en zich altijd terughoudend opgesteld. Dit heeft echter niet voorkomen dat zijn familie op de hoogte raakte van zijn geaardheid. Als gevolg hiervan is [eiser] op zijn zestiende het huis uitgezet en mocht op een hoek van het familieterrein een huisje bouwen. Alleen zijn zus spreekt hem nog. Ten slotte heeft hij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 14 juli 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:10408). Evenals in die uitspraak heeft de staatssecretaris ook in geval van [eiser] het besluit gebaseerd op onvoldoende onderzoek, aldus [eiser].

3.1.

De rechtbank stelt vast dat uit de brief van 24 april 20172 van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal betreffende de uitbreiding lijst veilige landen van herkomst vijfde tranche, volgt dat Trinidad en Tobago kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst, met uitzondering van LHBTI. De staatssecretaris heeft dat ter zitting erkend en verklaard dat in bijlage 13 van het Vreemdelingenbesluit slechts staat vermeld dat Trinidad en Tobago aangemerkt moeten worden als veilig land van herkomst. De LHBTI-uitzondering staat daar, in tegenstelling tot de brief, niet vermeld. Toch meent de staatssecretaris dat de brief leidend moet zijn en de LHBTI-uitzondering dus geldt ten aanzien van Trinidad en Tobago. De staatssecretaris blijft echter desondanks bij zijn standpunt dat het niet aannemelijk is dat [eiser] gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging dan wel schending van

artikel 3 van het EVRM door toedoen van medeburgers.

3.2.

Aan de staatssecretaris kan worden toegegeven dat [eiser] gedurende de jaren dat zijn homoseksuele geaardheid bij in ieder geval bij zijn familie bekend was, hij toch in voldoende mate maatschappelijk kon functioneren. Dat de door [eiser] geschetste onderlinge familieverhoudingen als gevolg van de bekendheid met zijn geaardheid verre van ideaal waren, doet daar niet aan af. [eiser] beschikte immers over een baan en huisvesting, omdat hem was toegestaan een huisje in de hoek van het familieterrein te bouwen. Daar staat echter tegenover dat [eiser] consequent heeft verklaard dat hij zijn geaardheid niet actief heeft uitgedragen en er altijd behoedzaam mee om is gegaan.3 Dit heeft echter niet kunnen voorkomen dat [eiser] gedurende de laatste anderhalf jaar het slachtoffer is geworden van een drietal gewelddadige incidenten, die alle drie door de staatssecretaris geloofwaardig zijn geacht.

3.3.

De staatssecretaris heeft echter geconcludeerd dat deze mishandelingen onvoldoende zwaarwegend zijn voor de conclusie dat [eiser] heeft te vrezen voor vervolging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze conclusie onvoldoende toegelicht met zijn standpunt dat [eiser] in voldoende mate maatschappelijk kon functioneren. De staatssecretaris heeft bij zijn motivering namelijk geen aandacht besteed aan het repetitieve element van de mishandelingen en het korte en recente tijdsbestek waarin deze hebben plaatsgevonden. De staatssecretaris gaat daarmee ook voorbij aan het de mogelijkheid dat naarmate [eiser] ouder is geworden, zijn - mogelijk - meer feminiene trekken of gedragingen sterker zijn gaan opvallen in een samenleving waarin volgens de cultuurmaatschappelijke norm stereotiep mannelijk gedrag van hem wordt verwacht. Hierdoor kan zijn omgeving bekend zijn geraakt met zijn homoseksuele geaardheid zonder dat hij het actief heeft uitgedragen. De staatssecretaris heeft daarom ten onrechte volstaan met zijn enkele stelling dat niet aannemelijk is dat de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor [eiser] onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.

3.4.

Verder is bij de beoordeling van dit geschil ook van belang of [eiser] in Trinidad en Tobago gevaar loopt indien hij daar bij terugkeer invulling geeft aan zijn homoseksualiteit op de wijze waarop hij dat in het verleden heeft gedaan. Daarbij is niet alleen relevant in welke mate hij in de negatieve belangstelling staat van degenen die hem in het verleden hebben mishandeld en of hij voldoende inspanningen heeft geleverd om bescherming te zoeken. De staatssecretaris moet bij zijn beoordeling ook de algemene positie van homoseksuelen in Trinidad en Tobago betrekken.4

3.5.

Onder verwijzing van de bijlage bij de brief van 24 april 2017 heeft de staatssecretaris daarover ter zitting betoogd dat er voorzichtige verbeteringen zijn ten aanzien van de algemene positie van LHBTI in Trinidad en Tobago. Hij heeft zich hierbij met name gebaseerd op de volgende passage uit die bijlage: “De wet stelt consensuele seksuele activiteit tussen personen van hetzelfde geslacht strafbaar, waarbij een gevangenisstraf tot 25 jaar gegeven kan worden. Er wordt niet gehandhaafd op deze bepaling, tenzij sprake is van ernstige strafbare feiten zoals verkrachting. De immigratiewetten verbieden ook de binnenkomst van "homoseksuelen" in het land, maar in de praktijk werden deze wetten niet gehandhaafd. In september (2016) heeft de Advocaat-Generaal een comité ingesteld om te onderzoeken of de Equal Opportunities Act gewijzigd moet worden, zodat ook seksuele oriëntatie eronder begrepen kan worden. Overigens heeft de overheid een aantal aanbevelingen geaccepteerd die zagen op het tot stand brengen van beleid ter bevordering van de rechten van LHBTI’s en het voorkomen en vervolgen van misdrijven gericht tegen deze groep. Voorts wordt gemeld dat in weerwil van de strafbaarstelling de mensenrechtensituatie van LHBTI’s is verbeterd. Er zijn een aantal organisaties actief die de rechten van LHBTI’s uitdragen en in 2015 stelde een transgender zich verkiesbaar voor een zetel in het parlement”, aldus de bijlage. De staatssecretaris heeft bij het formuleren van zijn standpunt echter geen aandacht besteed aan de in diezelfde bijlage genoemde conclusie over de situatie van Trinidad en Tobago. Daarin staat het volgende weergegeven: “Hoewel de situatie van LHBTI’s zich het laatste jaar lijkt te verbeteren, is het gezien de recente datum nog onvoldoende duidelijkheid in hoe deze verbeteringen zich zullen ontwikkelen en in welke mate deze als duurzaam kunnen worden aangemerkt. Om deze reden wordt een uitzondering gemaakt ten aanzien van LHBTI’s.”. Anders dan de staatssecretaris stelt, lijkt daaruit te volgen dat nog onvoldoende vaststaat dat er daadwerkelijk sprake is van voorzichtige verbeteringen. Dit geldt ook voor de rapporten waar de staatssecretaris naar heeft verwezen in het voornemen. Hieruit kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat de positie van homoseksuelen recent ook feitelijk is verbeterd in Trinidad en Tobago. Uit het Country Report of Human Practices 2016 - Trinidad and Tobago van mei 2017 staat namelijk het volgende: “LHBTI rights groups reported that a stigma related to sexual orientation or gender identity in the country remained and likely inhibited reporting incidents. In general victims of gay-related hate crimes avoided media attention.” Uit het jaarboek van ILGA - State sponsored homophobia volgt verder ook deze passage: “Although the Equal Opportunities Commission urged the inclusion of sexual orientation in the State’s non-discrimination provision, no legislative developments have been enacted to protect the rights of LGBT people in Trinidad and Tobago.”.

3.6.

De rechtbank weegt bij haar oordeel ook de inhoud van de brief van 13 juli 2017 van Vluchtelingenwerk mee. [eiser] heeft deze in de procedure overgelegd. In deze brief wordt ingegaan op de positie van homoseksuelen in Trinidad en Tobago. Ook wordt er aandacht besteed aan de mogelijkheid om overheidsbescherming te krijgen tegen geweld door derden. De positie van LHBTI is ook volgens Vluchtelingenwerk minder rooskleurig dan de staatssecretaris ter zitting heeft geschetst. Zo volgt uit het jaarrapport van Amnesty International over 2015 van 24 februari 2016 dat er volgens lokale NGO’s nog steeds meldingen blijven binnenkomen van geweld en discriminatie ten aanzien van LHBTI in Trinidad en Tobago. Sommige slachtoffers doen hier geen aangifte van uit vrees voor verder geweld of discriminatie door ambtenaren. Ook staat in bijlage 11 bij de brief van Vluchtelingenwerk het volgende: “Sources indicate that the country’s Institution Reform Commission acknowledged that there is a high level of violence and abuse against LGBTpeople. According to the Silver Lining Foundation, LGBTpeople have faced bullying, psysical assaults, verbal assaults and abuse in their homes, schools and by the general public in Trinidad and Tobago.” In het licht van de omstandigheid dat de staatssecretaris enerzijds de homoseksualiteit van eiser en het door hem ervaren geweld geloofwaardig acht, heeft de staatssecretaris heeft aan dergelijke informatie in zijn besluit onvoldoende aandacht besteed.

3.7.

Gelet op de voorgaande alinea heeft de staatssecretaris ten slotte ook onvoldoende gemotiveerd waarom gesteld kan worden dat [eiser] onvoldoende inspanningen heeft verricht om bescherming van de autoriteiten in te roepen. Uit de stukken blijkt immers niet dat [eiser] meer had moeten of kunnen doen dan hij reeds gedaan heeft. [eiser] heeft immers aangifte gedaan, terwijl het vertrouwen in de politie van hem en andere personen van de LHBTI-gemeenschap laag is. Voor zover de staatssecretaris heeft gesteld dat [eiser] zich ten onrechte niet heeft gewend tot andere organen, zoals de ombudsman, kan de staatssecretaris niet gevolgd worden. Uit de bijlage bij de brief van 24 april 2017 volgt immers niet dat [eiser] zich tot de ombudsman kan wenden met zijn specifieke problematiek over het verkrijgen van bescherming van de politie tegen het aan zijn homoseksuele geaardheid gerelateerde geweld.

4.1.

Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege een onvoldoende motivering. De staatssecretaris zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

4.2.

De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door [eiser] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan [eiser] een toevoeging is verleend, moet de staatssecretaris de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 990,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, afgekort als EVRM

2 Deze brief en bijbehorende bijlage zijn te downloaden via www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/asielbeleid/documenten/kamerstukken/2017/04/24/tk-uitbreiding-lijst-veilige-landen-van-herkomst-vijfde-tranche

3 Zie de verklaringen van [eiser] op pagina 7, 10, 11, 13, 14 en 18 van het Nader gehoor.

4 Ter vergelijking: de uitspraak van 27 december 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RVS:2016:3504