Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16636

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
C/09/535724 KG ZA 17-970
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; uitlevering; eiser stelt dat uit twee brieven blijkt dat het verzoek tot uitlevering door de Macedonische autoriteiten is ingetrokken; Minister heeft dit geverifieerd; niet gebleken dat uitleveringsverzoek is ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/535724 / KG ZA 17-970

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. L.J. Woltring te Haarlem,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

statutair gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M. van Asperen te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de door de Staat overgelegde notitie met een weergave van de feiten en achtergronden en de door de Staat overgelegde producties;

- de op 20 september 2017 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 9 augustus 2016 is [eiser] aangehouden op de voet van artikel 14 lid 1 van de Uitleveringswet (Uw), waarna [eiser] in verzekering is gesteld.

2.2.

Op 11 augustus 2016 heeft de rechter-commissaris een bevel tot bewaring gegeven en dat bevel op diezelfde dag geschorst.

2.3.

Bij brief van 22 september 2016 heeft het Ministerie van Justitie van Macedonië een verzoek om uitlevering aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie gezonden in verband met de tenuitvoerlegging van twee aan [eiser] door het Basic Court te Tetovo opgelegde vrijheidsstraffen.

2.4.

Nadat het Ministerie van Veiligheid en Justitie bij brief van 30 september 2016 op enkele onvolkomenheden in dit verzoek had gewezen, hebben de Macedonische autoriteiten het verzoek bij brief van 9 november 2016 aangevuld.

2.5.

Bij brief van 28 november 2016 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) het uitleveringsverzoek toegezonden aan de Internationale Rechtshulpkamer te Haarlem.

2.6.

Bij uitspraak van 7 februari 2017 heeft de rechtbank Noord-Holland de uitlevering van [eiser] toegestaan ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de twee vrijheidsstraffen. [eiser] heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 6 juni 2017 heeft de Hoge Raad dit cassatieberoep verworpen.

2.7.

Bij beschikking van 23 juni 2017 heeft de Minister de door Macedonië verzochte uitlevering toegestaan. Bij brief van 26 juni 2017 heeft de Minister deze beschikking doorgestuurd naar de advocaat van [eiser] en aan de officier van justitie te Haarlem, met het verzoek voor de uitvoering van de beschikking zorg te dragen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden hem aan Macedonië uit te leveren, in afwachting van de reactie van de Macedonische autoriteiten op de brieven van de rechtbank Tetovo van 2 en 4 mei 2017, in relatie tot het uitleveringsverzoek.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.

[eiser] is in het bezit van twee brieven van de Primary Court in Tetovo (Macedonië), waarbij die rechtbank de order tot nationaal en internationaal arrest en uitlevering van [eiser] heeft herroepen, vanwege het ingestelde hoger beroep, waarop nog niet is beslist. Deze brieven doen het vermoeden ontstaan dat het verzoek tot uitlevering is ingetrokken. Het ligt op de weg van de Staat hierover duidelijkheid te verkrijgen voordat [eiser] wordt uitgeleverd.

[eiser] heeft een goedlopende autopoetscentrale in [plaats] . In geval [eiser] wordt uitgeleverd zal dit bedrijf niet langer voortgezet kunnen worden.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

4.2.

[eiser] stelt dat zijn uitlevering dient te worden opgeschort, totdat er duidelijkheid is over hetgeen is vermeld in de brieven van 2 en 4 mei 2017 van de Primary Court in Tetovo. De betreffende brieven zijn door de Staat in het geding gebracht. Hierin is vermeld, kort gezegd, dat het verzoek tot uitlevering is ingetrokken totdat in het nog lopende hoger beroep is beslist. Naar aanleiding van deze brieven heeft de Minister de Macedonische autoriteiten bij brief van 7 juli 2017 een kopie van de betreffende brieven toegezonden en gevraagd of deze brieven correct zijn en wat de consequentie daarvan is voor de verzochte uitlevering van [eiser] . De Macedonische autoriteiten hebben hierop bij brief van 12 juli 2017 gereageerd en meegedeeld dat het internationale arrestatiebevel en de uitlevering niet zijn ingetrokken. Uit door de Staat in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie tussen medewerkers van het Ministerie van Justitie van Macedonië en het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie volgt verder dat de betreffende brieven niet bekend zijn. Een en ander brengt met zich dat uit de betreffende brieven niet kan worden afgeleid dat het verzoek tot uitlevering van [eiser] is ingetrokken, zodat er vanuit moet worden gegaan dat dit nog steeds van kracht is. Gesteld noch gebleken is dat er overigens belemmeringen zijn om de uitlevering van [eiser] tegen te gaan. Dat [eiser] zijn autoschoonmaakbedrijf niet langer zelf kan voortzetten is een omstandigheid die inherent is aan de uitlevering en de mogelijk daarop volgende detentie en staat evenmin in de weg aan de verzochte uitlevering.

4.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017.

hf