Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16591

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
6143007 \ RP VERZ 17-50407
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkgever moet er op kunnen vertrouwen dat haar werknemers te goeder trouw de opgedragen taken uitvoeren en integer gebruik maken van de hen geboden faciliteiten. Door werknemer handelen in strijd met bedrijfsregels beschaamt het in hem gestelde vertrouwen. Werkgever heeft verder belang gelet op de precedentwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0863
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

zittingsplaats 's-Gravenhage

vR

Zaaknr.: 6143007 \ RP VERZ 17-50407

Uitspraakdatum: 17 oktober 2017

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek en de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening,

verwerende partij in de zaak van het zelfstandig (voorwaardelijk) verzoek,

gemachtigde: mr. R.D. Ramnath,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Inter IKEA Systems BV,

gevestigd te Delft,

verwerende partij in de zaak van het verzoek en de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening,

verzoekende partij in de zaak van het zelfstandig (voorwaardelijk) verzoek,

gemachtigde: mr. N.C. Six-Scheffer.

Partijen worden verder aangeduid als ‘ [werkneemster] ’ en ‘IKEA’.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en het zelfstandig (voorwaardelijke) verzoek

1.1.

[werkneemster] heeft een verzoek ingediend om primair:

  1. het door IKEA gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en

  2. IKEA te verplichten [werkneemster] te werk te stellen in haar functie van [functie] met alle daarbij behorende taken op de vestiging te Delft binnen uiterlijk twee dagen na dagtekening van deze beschikking, zulks op straffe van een dwangsom.

Daarnaast vordert [werkneemster] de veroordeling van IKEA tot

(door)betaling van het reguliere loon ingaande 4 juni 2017 en zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;

betaling van de maximale wettelijke verhoging en

betaling van wettelijke rente over de ingevolge voormelde vorderingen sub C. en D. aan [werkneemster] toekomende bedragen, steeds vanaf de dag waarop die bedragen verschuldigd zijn.


Subsidiair, voor het geval [werkneemster] ervoor kiest om te berusten in de opzegging van de arbeidsovereenkomst, vordert [werkneemster] de veroordeling van de IKEA tot betaling van, zakelijk weergegeven, een billijke vergoeding, een bedrag gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, de transitievergoeding en het restant van de eindafrekening, een en ander vermeerderd met wettelijke rente.


Meer subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet, verzoekt [werkneemster] de veroordeling van [werkneemster] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 BW te matigen.


In het incident vordert [werkneemster] voor de duur van de procedure, zakelijk weergegeven, de veroordeling van IKEA tot (door)betaling aan [werkneemster] van het loon ingaande 4 juni 2017en daarover verschuldigde wettelijke verhoging, een en ander vermeerderd met wettelijke rente.


IKEA heeft een verweerschrift ingediend en een zelfstandig (voorwaardelijk) verzoek gedaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Op de verweren zal, voor zover aan de orde, hierna worden ingegaan.

1.2.

Op 3 oktober 2017 heeft de mondelinge behandeling van de verzoeken plaats gevonden. Verschenen zijn [werkneemster] , bijgestaan door haar gemachtigde mr. R.D. Ramnath, enerzijds, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] namens IKEA, bijgestaan door mr. N.C. Six-Scheffer, anderzijds. Daarbij zijn door mr. N.C. Six-Scheffer pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde op de zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

2 De feiten

2.1.

[werkneemster] , geboren op [geboortedag] 1958, is op 16 september 1997 in dienst getreden bij IKEA. De laatste functie die [werkneemster] vervulde, is die van [functie] , met een salaris van € 12,84 bruto per uur (exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten).

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst zijn mede van toepassing de IKEA gehanteerde huisregels voor haar personeel en de ‘IKEA CAO’. Eveneens gelden bij IKEA de ‘Gedragsregels van Inter IKEA Group’.

2.3

[werkneemster] beschikte over een zogenaamde personeelspas. Met gebruikmaking van die pas kon [werkneemster] aanspraak maken op personeelskorting bij aankopen door haar bij IKEA. De voorwaarden voor het gebruik van die personeelspas voor het verkrijgen van kortingen zijn opgenomen in artikel 9 van de IKEA CAO. Voor zover relevant luidt artikel 9 als volgt:
Artikel 9
(……)
B. Aankopen met personeelskorting kunnen door een medewerker alleen worden gedaan met een eigen personeelspas. (….)

C. Alleen bij persoonlijk gebruik van de personeelspas én aanschaf van IKEA artikelen voor eigen gebruik bestaat recht op personeelskorting.

(…..).


In de huisregels is verder uitgewerkt op welke wijze [werkneemster] als werknemer van IKEA dient te handelen bij het doen van aankopen met de personeelspas bij IKEA. Eén van de geldende regels is dat aankopen uitsluitend mogen worden gedaan buiten werktijd.

2.4

Uit onderzoek naar het gebruik van de personeelspas door [werkneemster] is gebleken, dat bij IKEA aankopen met korting met die pas zijn gedaan tijdens de werktijd van [werkneemster] , en wel op 2 januari 2017, 5 februari 2017 en 22 februari 2017.

2.5

Op 29 mei 2017 stond [werkneemster] ingeroosterd voor het verrichten van werkzaamheden bij de kassa’s. De werktijd van [werkneemster] ving aan om 9.45 uur. De winkel werd geopend om 10:00 uur. Kort na 10:00 uur meldden zich familieleden van [werkneemster] , haar zus en zwager, zich met aankopen bij de kassa’s. De kassa waar zij zich meldden werd toen bediend door de collega van [werkneemster] , mevrouw [betrokkene 3] . Bij die kassa vervoegde zich toen ook [werkneemster] . [werkneemster] heeft toen aan mevrouw [betrokkene 3] verzocht om de aankopen van haar familieleden af te rekenen met gebruikmaking van de personeelspas van [werkneemster] om zo een korting voor de familieleden van [werkneemster] te realiseren. Omstreeks 10:06 uur zijn vervolgens door mevrouw [betrokkene 3] , met gebruikmaking van de personeelspas van [werkneemster] , de aankopen van de familieleden van [werkneemster] afgerekend. Daarbij is een korting van 15% op die aankopen aan de familieleden van [werkneemster] verleend. [werkneemster] heeft na het vertrek van de familieleden voor de verleende korting de bon bij mevrouw [betrokkene 3] afgetekend.

2.6

Mevrouw [betrokkene 3] heeft voormelde gang van zaken van die ochtend gemeld bij haar collega mevrouw [betrokkene 4] , die verantwoordelijk is voor de juiste sturing en begeleiding bij de kassa. Ook ziet mevrouw [betrokkene 4] toe op naleving van interne regels, richtlijnen en procedures met betrekking tot kassahandelingen. Zij fungeerde op dat moment als leidinggevende van [werkneemster] . Mevrouw [betrokkene 4] heeft de door mevrouw [betrokkene 3] gedane mededelingen gemeld aan de afdeling HR van IKEA.

2.7

Naar aanleiding van de melding door mevrouw [betrokkene 4] aan de afdeling HR is [werkneemster] opgeroepen voor een gesprek op 29 mei 2017 om 14:30 uur. Na dit gesprek is [werkneemster] vrijgesteld van haar werkzaamheden en naar huis gestuurd.

2.8

IKEA heeft vervolgens nader onderzoek gedaan onder meer door het horen van mevrouw [betrokkene 3] , het beoordelen van het personeelsdossier van [werkneemster] en het beoordelen van video-opnamen die zijn gemaakt van de betaling door familieleden van [werkneemster] op 29 mei 2017 omstreeks 10:00 uur.

2.9

Daarna, op 2 juni 2017 omstreeks 15:00 uur, heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [betrokkene 5] , [functie] , en [betrokkene 6] , [functie] , beiden in dienst van IKEA, enerzijds en [werkneemster] , vergezeld van haar echtgenoot, anderzijds. Tijdens dat gesprek is [werkneemster] geconfronteerd met de bevindingen van IKEA en is [werkneemster] om een reactie gevraagd. Van dit gesprek is een gespreksverslag gemaakt dat door [werkneemster] voor gezien is ondertekend. Na afloop van het gesprek zijn de personeelspas en fotopas van [werkneemster] ingenomen.

2.10

Bij brief van 3 juni 2017 is [werkneemster] door IKEA op staande voet ontslagen.

3 Het verzoek

3.1.

[werkneemster] verzoekt de kantonrechter primair het ontslag op staande voet te vernietigen en IKEA te veroordelen tot doorbetaling van loon en wedertewerkstelling, met nevenvorderingen. Aan dit verzoek legt [werkneemster] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat dit ontslag niet onverwijld is gegeven.

3.2

Subsidiair en meer subsidiair heeft [werkneemster] nadere verzoeken gedaan. De grondslag van die vorderingen worden hierna zo nodig nader uiteengezet.

4 Het verweer en het zelfstandig voorwaardelijk verzoek

4.1.

IKEA verweert zich tegen het primaire verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat [werkneemster] een gegronde en dringende reden heeft gegeven voor het gegeven ontslag op staande voet en verder dat dit ontslag voldoende onverwijld is gegeven.

4.2.

In de zaak van het zelfstandig voorwaardelijk verzoek wordt door IKEA verzocht de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW, subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW Het zelfstandig verzoek is voorwaardelijk gedaan.

4.3

[werkneemster] heeft tegen het zelfstandig verzoek verweer gevoerd. Wat zij aan haar eigen verzoeken ten grondslag heeft gelegd heeft zij ook ten grondslag gelegd aan dat verweer.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

[werkneemster] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de transitievergoeding, is het tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.2

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of IKEA moet worden veroordeeld tot doorbetaling van loon.

5.3

Bij die beoordeling neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (Wwz), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht.

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet rechtsgeldig door IKEA gegeven. Daartoe overweegt de kantonrechter het navolgende.

5.4.1

In deze procedure staat vast dat [werkneemster] in het recente verleden, namelijk op 2 januari 2017, 5 februari 2017 en 22 februari 2017, bij IKEA aankopen met korting met haar personeelspas heeft gedaan tijdens werktijd. Gelet op de voor het gebruik van de personeelspas bij aankopen geldende regelingen, zoals deze zijn opgenomen in de op de arbeidsovereenkomst toepasselijke CAO en (ook) volgen uit de bij IKEA geldende huisregels en gedragscode, luidt de conclusie dat [werkneemster] bij het doen van die aankopen tijdens werktijd heeft gehandeld in strijd met die CAO, de huisregels en gedragscode.

5.4.2

In deze procedure staat voorts vast dat [werkneemster] op 29 mei 2017 opnieuw in strijd met de hiervoor bedoelde regelingen gebruik heeft gemaakt van haar personeelspas door het (laten) doen van aankopen tijdens werktijd. Als verzwaring geldt daarbij dat die inkopen niet voor haarzelf waren bestemd, maar voor derden, te weten haar zus en zwager. Dat laatste is in strijd met de regel dat aankopen “alleen bij persoonlijk gebruik van de personeelspas én aanschaf van IKEA artikelen voor eigen gebruik” is toegestaan.

5.4.3

In deze procedure gaat de kantonechter er vanuit dat [werkneemster] bekend was met die regelingen en ook de strekking daarvan kende. Op 29 mei 2017 heeft zij bij het gebruik van de personeelspas voor aankopen voor haar zus en zwager op vragen van haar collega [betrokkene 3] of daarmee geen problemen ontstonden immers geantwoord, dat die problemen zouden uitblijven als mevrouw [betrokkene 3] haar mond hield. Met andere woorden: [werkneemster] wist dat zij handelde in strijd met de geldende regelingen.

5.4.4

Het verweer van [werkneemster] dat in artikel 9 sub D. van de hiervoor bedoelde CAO is bepaald dat het is toegestaan cadeautjes tot een maximum bedrag van € 120,- in een bepaalde periode aan te schaffen en dat de aankoop van 29 mei 2017 binnen die bepalingen viel, passeert de kantonrechter. Het is evident dat met een cadeautje in dit verband is bedoeld het aanschaffen van een kleine zaak voor eigen gebruik van een personeelslid, waaronder óók het kopen van een cadeau voor een ander, wat redelijkerwijs “eigen gebruik” genoemd mag worden. Daarvan is in dit geval geen sprake.

5.4.5

Voormeld herhaald handelen van [werkneemster] , bezien in onderlinge samenhang, levert naar het oordeel van de kantonrechter reeds voldoende dringende redenen op om het door IKEA gegeven ontslag op staande voet te rechtvaardigen. De kantonrechter neemt daarbij in overweging dat IKEA bij de naleving van de hiervoor bedoelde regelingen in het kader van haar bedrijfsvoering een zwaarwegend belang heeft; IKEA moet er op kunnen vertrouwen dat haar werknemers te goeder trouw de opgedragen taken uitvoeren en integer gebruik maken van de hen geboden faciliteiten, zoals de mogelijkheid om tegen korting aankopen te doen binnen het bedrijf van IKEA. Ook de precedentwerking die uitgaat van het gedrag van [werkneemster] is daarbij van groot belang. Naar het oordeel van de kantonrechter wegen die belangen van IKEA zwaarder dan de op zichzelf terechte belangen van [werkneemster] , zoals haar leeftijd en de daarmee samenhangende moeilijke kansen op de arbeidsmarkt, het verlies aan inkomen en het verlies aan arbeidsvreugde.

5.4.6

Het in de ontslagbrief vermelde zelfstandige verwijt van intimiderende gedrag van [werkneemster] , volgens IKEA bestaande uit het doen van onheuse uitlatingen in de whatsapp groep van collega’s waarvan ook [werkneemster] deel uitmaakte, vormt naar het oordeel van de kantonrechter geen (bijkomende) grond voor rechtvaardiging van het gegeven ontslag op staande voet. De door [werkneemster] gedane uitlating is immers feitelijk juist. Dat de uitlating door een of meer appgroepsleden als intimiderend is ervaren, zoals IKEA heeft gesteld, doet aan die feitelijkheid niets af.

5.4.7

De stelling van [werkneemster] dat het ontslag haar niet onverwijld is meegedeeld passeert de kantonrechter eveneens. In deze procedure staat weliswaar vast dat de aan [werkneemster] verweten gedraging op 29 mei 2017 is vastgesteld en door [werkneemster] is erkend en haar het ontslag (in ieder geval) is aangezegd bij de brief van 3 juni 2017, maar dit tijdsverloop is naar het oordeel van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden niet zodanig lang dat niet kan worden gesproken van een onverwijld gedane mededeling. Immers, alvorens over te gaan tot de verstrekkende maatregel van ontslag op staande voet, wordt van een werkgever verwacht dat verdergaand onderzoek wordt ingesteld, zoals in dit geval door IKEA is gedaan, te weten het horen van de werknemer, het horen van direct betrokkenen en het bij de te nemen beslissing betrekken van overige relevante omstandigheden, zoals die (kunnen) volgen uit het raadplegen van het personeelsdossier van [werkneemster] en het uitlezen van gemaakte video-opnamen en het geven van de gelegenheid aan [werkneemster] om te reageren op de bevindingen van IKEA uit het verrichte nadere onderzoek.

Bij het geven van een ontslag op staande voet dient de werkgever, naast het gemaakte verwijt dat aanleiding geeft tot dat ontslag, immers ook alle overige relevante omstandigheden van het geval te betrekken en wederhoor van de betrokkene werknemer toe te passen.

5.4.8

Na het hiervoor bedoelde onderzoek heeft IKEA [werkneemster] op 2 juni 2017 geconfronteerd met haar (nadere) bevindingen en [werkneemster] de gelegenheid te geven daarop te reageren. Vervolgens is [werkneemster] bij brief van 3 juni 2017 op staande voet ontslagen. In de gegeven omstandigheden is dat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onverwijld.

5.4.9

Of het ontslag op staande voet eerder al mondeling is gegeven, namelijk op 2 juni 2017 zoals IKEA heeft gesteld en [werkneemster] heeft weersproken, maakt voormeld oordeel niet anders en kan dan ook verder buiten beschouwing blijven.

5.5

De conclusie van wat hiervoor is overwogen en beslist luidt dan ook dat het door IKEA op 29 mei 2017 gegeven ontslag op staande voet in stand blijft. Voor de primaire vorderingen van [werkneemster] ontbreekt daarmee de grondslag, zodat deze vorderingen worden afgewezen.

5.6

De door [werkneemster] aan haar subsidiaire vordering verbonden voorwaarde is niet vervuld. In deze procedure is immers niet gesteld of gebleken dat [werkneemster] ervoor heeft gekozen te berusten in de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Op die subsidiaire vordering behoeft daarom niet te worden beslist.

5.7

IKEA heeft geen (tegen)vordering ingesteld waarbij zij aanspraak maakt op de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 van het Burgerlijk Wetboek. De in dit verband ingestelde meer subsidiaire vordering van [werkneemster] tot matiging behoeft daarmee evenmin behandeling.

5.8

Tegen de meer subsidiaire vordering van [werkneemster] tot uitbetaling van het restant van de eindafrekening tot een bedrag van € 1.001,52 bruto heeft IKEA geen zelfstandig verweer gevoerd. Deze vordering is daarom toewijsbaar.

5.9

[werkneemster] wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

in de vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen

5.10

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het verzoek van [werkneemster] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding.

5.11

De kantonrechter ziet aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de zelfstandige verzoeken:

5.12

Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is voorwaardelijk gedaan. De kantonrechter begrijpt het verzoek aldus dat IKEA de ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt voor het geval onherroepelijk zou komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt. Gelet op het feit dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, wordt met het verzoek gepreludeerd op een eventueel andersluidend oordeel over dat ontslag van het hof in het geval hoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissing op het verzoek in deze zaak. Daarom dient in dit geval geen (voorwaardelijke) ontbinding te worden uitgesproken, omdat de kantonrechter daarmee de appelrechter beperkt in zijn mogelijkheid ex art. 7:683 BW om IKEA als werkgever te veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan [werkneemster] als werknemer een billijke vergoeding toe te kennen.

5.13

De conclusie is dan ook dat de zelfstandige verzoeken worden afgewezen.

5.14

De kantonrechter ziet aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1

veroordeelt IKEA om aan [werkneemster] het restant van de eindafrekening te betalen, zijnde een bedrag van € 1.001,52 bruto;

6.2

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.3

wijst af het meer of anders verzochte;

6.4

veroordeelt [werkneemster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van IKEA tot en met vandaag vaststelt op € 400,- als salaris gemachtigde;

in de vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen

6.5

wijst de verzoeken af;

6.6

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de zaak van het zelfstandig voorwaardelijk verzoek

6.7

wijst de verzoeken af;

6.8

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door W. ten Cate, kantonrechter en op 17 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.