Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:16563

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
NL17.1775
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK asiel Irak - intrekken asielvergunning onbepaalde tijd wegens openbare orde - nationaalrechtelijke verleningsgrond dus terecht niet getoetst aan artikel 15c Kwalificatierichtlijn - verweerder ten onrechte niet ex-tunc getoetst of eiser in aanmerking kon komen voor andere verleningsgrond asielvergunning - beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.1775


V-nummer: [nummer]


uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 november 2017 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Boon).

Procesverloop

Bij het besluit van 23 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot 22 juli 2012, eiser aangezegd het grondgebied van de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 6 juli 2017 heeft verweerder het inreisverbod ingetrokken.

De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was de heer [naam], persoonlijk begeleider van eiser van het Leger des Heils, aanwezig als informant. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de mondelinge behandeling ter zitting, heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en zijn partijen in de gelegenheid gesteld om een nader gemotiveerd schriftelijk standpunt in te nemen. Verweerder heeft op 25 juli 2017 een nader standpunt ingenomen. Op 13 september 2017 heeft eiser hierop gereageerd.

Bij brief van 18 september 2017 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat de rechtbank het niet nodig acht dat in deze zaak opnieuw een zitting zal worden gehouden en dat de rechtbank voornemens is het onderzoek te sluiten en binnen zes weken uitspraak te doen, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vier weken aangeeft dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord. Partijen hebben niet aangegeven dat zij op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek daarom op 24 oktober 2017 gesloten.

Overwegingen

Feiten

1.1.

Eiser is in 1999 samen met zijn moeder naar Nederland gekomen. Op 2 maart 1999 heeft zijn moeder mede namens eiser een asielaanvraag ingediend. Op 25 november 2002 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 . Op
15 februari 2006 is aan eiser met ingang van 25 november 2005 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend.

1.2.

In de periode 2004 tot en met 2012 heeft eiser diverse strafbare feiten gepleegd. In deze periode is eiser veroordeeld tot jeugddetentie en gevangenisstraf van in totaal 25 maanden en 24 dagen. Vanwege deze veroordelingen heeft verweerder met het besluit van 30 januari 2013 de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken tot 10 december 2004. Ook heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.

1.3.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het besluit van 30 januari 2013 vernietigd met de uitspraak van 24 oktober 2014 (zaaknummer AWB 13/4941). De rechtbank is hiertoe gekomen omdat in dit besluit onvoldoende was onderbouwd dat geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.1 De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

1.4.

Volgens het uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister van eiser van
30 januari 2017 is eiser ook na 1 juli 2012 meerdere malen onherroepelijk veroordeeld voor een misdrijf.

Het bestreden besluit

2.1.

Met het bestreden besluit heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot
22 juli 2012. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar is voor de openbare orde omdat hij onherroepelijk is veroordeeld voor een gevangenisstraf van ten minste één dag wegens ten minste drie misdrijven. Hierdoor kan de verblijfsvergunning op grond van het per 1 juli 2012 aangescherpte artikel 3.86, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 worden ingetrokken. Ook heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van vijf jaar opgelegd.

2.2.

Verweerder heeft bij aanvullend verweerschrift van 6 juli 2017 het inreisverbod ingetrokken. Verweerder heeft hierbij meegedeeld de intrekking van de verblijfsvergunning en het terugkeerbesluit te handhaven.

2.3.

Eiser heeft gemotiveerd beroep ingesteld. De rechtbank zal de beroepsgronden hierna noemen en beoordelen.

Vertrouwensbeginsel

3.1.

Eiser voert aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De eerdere intrekking van de verblijfsvergunning is met de rechterlijke uitspraak van 24 oktober 2014 vernietigd. Pas op 4 augustus 2016 is er een voornemen bekend gemaakt om de verblijfsvergunning opnieuw in te trekken. Het is in strijd met het vertrouwensbeginsel en de rechtszekerheid om pas na twee jaar de verblijfsvergunning opnieuw in te trekken. Verder is eiser sinds 2002 in het bezit van een verblijfsvergunning. Hij mocht er na het lange stilzitten van verweerder op vertrouwen dat deze vergunning niet meer zou worden ingetrokken.

3.2.

Verweerder neemt het standpunt in dat eiser weet, dan wel moet weten, dat het plegen van misdrijven consequenties kan hebben voor zijn verblijfsvergunning. Hierdoor mocht eiser er niet op vertrouwen dat de verblijfsvergunning niet zou worden ingetrokken enkel omdat hij al sinds 2002 daarover beschikt. Verder erkent verweerder dat er geruime tijd tussen de eerdere uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit zit. De vergunning kon echter niet eerder worden ingetrokken. Zo gold er tot en met 16 oktober 2015 een besluit- en vertrekmoratorium voor Irak. Daarna is op 31 maart 2016 nieuw asielbeleid voor Irak bekend gemaakt en volgde op 2 juni 2016 een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over de veiligheidssituatie in Irak. Vanwege het voorgaande is geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel of de rechtszekerheid.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. De eerdere intrekking is door de rechtbank vernietigd vanwege de veiligheidssituatie in Irak. Nu er na de uitspraak van de rechtbank een besluit- en vertrekmoratorium werd afgekondigd voor aanvragen van Irakese asielzoekers en er vervolgens nieuw landgebonden asielbeleid ten aanzien van Irak werd aangenomen, leidt het wachten met het opnieuw intrekken van de verblijfsvergunning niet tot strijd met deze beginselen. Daarnaast is eiser weliswaar al vijftien jaar in het bezit van een verblijfsvergunning, maar weet hij, dan wel moet hij weten, dat het plegen van misdrijven een reden kan zijn voor intrekking van zijn verblijfsvergunning. Verder is niet gebleken dat verweerder concrete, ondubbelzinnige toezeggingen heeft gedaan waaraan eiser rechtens te honoreren verwachtingen heeft kunnen ontlenen dat de vergunning niet zou worden ingetrokken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1). Deze grond slaagt dan ook niet.

Kwalificatierichtlijn

4.1.

Eiser voert aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning ten onrechte niet is getoetst aan de Kwalificatierichtlijn.2 Deze richtlijn is van toepassing omdat de verblijfsvergunning is verleend op grond van het categoriale beschermingsbeleid (destijds artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw 2000, oftewel de “d-grond”). Deze grond komt overeen met de subsidiaire bescherming geboden door artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Bij de herschikking van de asielgronden vanwege de implementatie van de Kwalificatierichtlijn is de nationaalrechtelijke d-grond vervallen en is de subsidiaire beschermingsgrond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 uitgebreid. Nu de d-grond overeenkomt met de subsidiaire bescherming geboden door artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, houdt dit in dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning ook een subsidiaire beschermingsstatus vormt in de zin van de Kwalificatierichtlijn. Hierdoor moet er bij de intrekking getoetst worden aan de Unierechtelijke openbare orde norm uit de Kwalificatierichtlijn, aldus eiser.

4.2.

Verweerder neemt het standpunt in dat de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing is omdat de verblijfsvergunning in 2002 is verleend op de d-grond. Dit is een nationale vergunning die niet valt onder de reikwijdte van de Kwalificatierichtlijn. Hierdoor hoeft er niet getoetst te worden aan de Unierechtelijke openbare orde norm en kan de vergunning worden ingetrokken op grond van artikel 3.86 van het Vb 2000.

4.3.

De rechtbank overweegt dat de Kwalificatierichtlijn van toepassing is als aan eiser een vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus is toegekend. Uit de parlementaire geschiedenis3 volgt dat in het nationale recht de verlening van de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus samenvalt met de verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 (a- of b-grond). Aan eiser is echter een verblijfsvergunning op grond van de d-grond verleend. Eiser heeft in feite betoogd dat de subsidiaire beschermingsgrond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn materieelrechtelijk gezien moet worden als een voortzetting van de

d-grond. En dat de verblijfsvergunning van eiser daarom geacht moet worden te vallen onder het toepassingsbereik van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog, om de navolgende reden.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de subsidiaire beschermingsgrond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn geen materieelrechtelijke voortzetting is van de d-grond. De Afdeling heeft geoordeeld dat de vraag of terugkeer naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid is, in welk geval de d-grond een grondslag vormde voor vergunningverlening, onderscheiden moet worden van de vraag of zich de situatie voordoet, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijnrichtlijn (zie de uitspraak van 25 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO6339). Nu de d-grond een andere toets kent dan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, kan de subsidiaire beschermingsgrond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet gezien worden als materieelrechtelijke voortzetting van de d-grond. Verweerder heeft de intrekking dan ook terecht niet getoetst aan de Kwalificatierichtlijn. De grond slaagt niet.

Glijdende schaal

5.1.

Eiser voert aan dat de glijdende schaal van artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 in strijd is met het Unierecht. Doordat deze bepaling het tijdsverloop na het plegen van een misdrijf buiten beschouwing laat, kan actualiteit geen rol spelen. Het Unierecht is van toepassing op de glijdende schaal omdat het inreisverbod onderdeel was en het terugkeerbesluit onderdeel is van het bestreden besluit en het hele besluit hierdoor Unierechtelijk uitgelegd moet worden. Verder wordt de verkeerde glijdende schaal toegepast en gaat verweerder ten onrechte uit van een verblijfsduur van minder dan drie jaren. De glijdende schaal van vóór 1 juli 2012 is van toepassing omdat deze ook van toepassing was bij de eerdere intrekking. Het is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om de aangescherpte glijdende schaal toe te passen. Daarnaast mag de verblijfsvergunning volgens artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 niet worden ingetrokken omdat eiser langer dan tien jaar in Nederland verblijft. De verblijfsduur in dit lid wordt niet op dezelfde manier getoetst als in het zesde lid, omdat het tiende lid daarna komt.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat het Unierecht niet van toepassing is op de intrekking van eisers verblijfsvergunning. Eiser is geen Unieburger en ook geen onderdaan van een land waarmee de Unie een associatieovereenkomst heeft gesloten. Voorts is, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.4, de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing. Daarnaast heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat alle besluiten van een meeromvattende beschikking Unierechtelijk geïnterpreteerd moeten worden, als bij één van de besluiten het Unierecht wordt toegepast.

5.3.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht aan de aangescherpte glijdende schaal heeft getoetst. Op grond van het overgangsrecht4 kan de nieuwe glijdende schaal worden toegepast als sprake is van een veroordeling na 1 juli 2012 (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:279). Nu eiser volgens het uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister na 1 juli 2012 meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de aangescherpte glijdende schaal niet op eiser van toepassing is. Dat deze schaal strenger is dan de schaal die bij de eerste intrekking is toegepast, geeft de rechtbank geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. Eiser had na 1 juli 2012 kunnen en moeten weten dat de aangescherpte glijdende schaal wordt toegepast als hij na 1 juli 2012 zou worden veroordeeld voor het plegen van een nieuwe misdrijf.

5.4.

Ten aanzien van de verblijfsduur is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van een verblijfsduur van minder dan drie jaar. Op grond van artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 wordt bij de berekening van de verblijfsduur gekeken naar de duur van het rechtmatig verblijf tot aan het moment waarop het misdrijf is gepleegd of aangevangen waardoor de vergunning kan worden ingetrokken. Eiser is met ingang van 25 november 2002 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Door toepassing van de aangescherpte glijdende schaal kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken als eiser wegens ten minste drie misdrijven onherroepelijk is veroordeeld. Het derde misdrijf waarvoor eiser onherroepelijk is veroordeeld, is volgens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie op
22 juni 2005 gepleegd. Dit is nog geen drie jaar nadat eiser in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Hierdoor wordt bij de toepassing van de glijdende schaal op de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser terecht uitgegaan van een verblijfsduur van minder dan drie jaar. Het beroep van eiser op artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 maakt dit niet anders. De verblijfsduur uit dit artikellid moet namelijk volgens jurisprudentie van de Afdeling op dezelfde manier uitgelegd worden als de verblijfsduur in artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:877). Hierdoor beschikt eiser niet over een verblijfsduur van meer dan tien jaar en is artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 niet op hem van toepassing.

5.5.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning op grond van de glijdende schaal heeft kunnen intrekken omdat eiser wegens ten minste drie misdrijven onherroepelijk is veroordeeld voor een gevangenisstraf van meer dan één dag. Deze grond slaagt niet.

Ex tunc toets

6.1.

Eiser voert aan dat hij bij verlening van de verblijfsvergunning op de d-grond, niet heeft kunnen doorprocederen voor een verblijfsvergunning op een a- of b-grond. Eiser had hiervoor in aanmerking kunnen komen als zijn aanvraag op zijn eigen merites was beoordeeld. Dat is niet gebeurd. Eiser is destijds in de asielprocedure als van zijn moeder afhankelijke minderjarige niet zelfstandig gehoord. Nu eiser niet heeft kunnen doorprocederen voor een vergunning op de a- of b-grond, moest verweerder bij de intrekking niet alleen beoordelen of eiser thans, ex nunc, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op de a- of b-grond, maar daarnaast ook ex tunc, ten tijde van de eerste aanvraag door eisers moeder, beoordelen of eiser in aanmerking had kunnen komen voor een dergelijke verblijfsvergunning. Als eiser destijds in aanmerking had kunnen komen voor een vergunning op de a-grond of b-grond, dan zou de intrekking van zijn verblijfsvergunning namelijk wel onder de Kwalificatierichtlijn vallen en zou er getoetst moeten worden aan het Unierechtelijk openbare orde begrip.

Verweerder kan beoordelen of eiser in aanmerking had kunnen komen voor een vergunning op de a- of b-grond door zich te baseren op de beschikbare informatie van die periode en door eiser nu te horen, aldus eiser.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen ruimte is voor een ex tunc toets. Tijdens de asielprocedure is toentertijd eerst beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een a- of b-grond. Doordat eiser daar niet voor in aanmerking kwam, is uiteindelijk een verblijfsvergunning op de d-grond verleend. Een ex tunc toets vindt enkel plaats bij intrekking van de verblijfsvergunning vanwege het vervallen van een verleningsgrond, maar niet bij intrekking vanwege openbare orde bezwaren. Dit volgt volgens verweerder ook uit rechtspraak van de Afdeling. Daarnaast was eiser negen jaar tijdens de asielprocedure. Hij is daardoor niet zelfstandig gehoord. Er is dus geen individueel asielrelaas dat nu nog ex tunc beoordeeld kan worden. Ook heeft eiser nu geen concrete punten aangedragen waarom hij destijds in aanmerking had moeten komen voor een verblijfsvergunning op de a- of b-grond.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte niet ex tunc heeft getoetst of eiser ten tijde van de vergunningverlening in 2002 in aanmerking had kunnen komen voor een verblijfsvergunning op een a- of b-grond. Het volgende is daarvoor redengevend. De rechtbank overweegt dat vreemdelingen volgens vaste rechtspraak van de Afdeling niet kunnen doorprocederen bij verlening van een verblijfsvergunning asiel (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1168). Vreemdelingen hebben hangende de geldigheidsduur van de verleende vergunning geen belang bij het instellen van beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat de Afdeling in deze uitspraak overweegt dat een belang om door te procederen “kan ontstaan, indien op de voet van art. 32 lid 1 aanhef en onder c Vw 2000 tot intrekking dan wel niet-verlenging van die vergunning wordt besloten”. De Afdeling heeft echter niet geoordeeld dat het belang om door te procederen niet kan ontstaan als een verblijfsvergunning wordt ingetrokken vanwege openbare orde bezwaren. Dat dit belang niet kan ontstaan volgt ook verder niet uit de wet of andere jurisprudentie.

6.4.

De rechtbank overweegt dat uit de artikelen 3.105c en 3.105f, van het Vb 2000 volgt dat de toets voor intrekking wegens openbare orde bezwaren van verblijfsvergunningen op een a- of b-grond, strikter is dan de toets voor de intrekking van een verblijfsvergunning op een d-grond. Bij de intrekking van eerstgenoemde vergunningen is namelijk de Unierechtelijke openbare orde norm van toepassing en bij de intrekking van laatstgenoemde vergunning wordt de nationaalrechtelijke openbare orde norm toegepast. Nu er verschil bestaat tussen beide intrekkingstoetsen en eiser over een vergunning beschikte waar de ruimste intrekkingstoets op van toepassing is, is de rechtbank van oordeel dat eiser bij intrekking van zijn vergunning belang heeft bij het doorprocederen voor een vergunning die slechts kan worden ingetrokken met toepassing van de striktere intrekkingstoets. Dat de Afdeling in bovengenoemde uitspraak enkel spreekt over het vervallen van de verleningsgrond maakt dit niet anders.

6.5.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder had ook ex tunc moeten toetsen of eiser in aanmerking had kunnen komen voor een verblijfsvergunning op een a- of b-grond. Deze beroepsgrond slaagt.

Gevolgen gegrond beroep

7.1.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Gelet op het geconstateerde gebrek en de aard daarvan ziet de rechtbank geen mogelijkheid voor finale geschilbeslechting. Verweerder zal immers, zoals in 6.5 overwogen, ook ex tunc moeten toetsen of eiser in aanmerking had kunnen komen voor een verblijfsvergunning op de a- of b-grond. Nu dit nader onderzoek vergt door verweerder waarvan de omvang op dit moment niet goed kan worden overzien, acht de rechtbank het niet passend om een herstelmogelijkheid te bieden door toepassing van de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb. De rechtbank draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Ten behoeve van de nadere besluitvorming merkt de rechtbank, naast hetgeen eerder is overwogen, nog het volgende op.

7.2.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder bij een intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, ook ambtshalve moet toetsen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser verwijst naar artikel 3.6a, van het Vb 2000 waarin is bepaald dat verweerder bij een afwijzing van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ambtshalve kan toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Bij een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd komt het volgens eiser vaker voor dat een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM, omdat de vreemdeling in dat geval langer in Nederland verblijft. Hierdoor is het volgens eiser kennelijk onredelijk om beleid te voeren op grond waarvan bij de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verweerder niet ambtshalve ook toetst of artikel 8 van het EVRM noopt tot vergunningverlening.

De rechtbank volgt dit niet. Uit de toelichting bij artikel 3.6a, van het Vb 20005 volgt dat de regelgever er voor heeft gekozen dat bij de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet ambtshalve wordt beoordeeld of artikel 8 van het EVRM noopt tot vergunningverlening. Het beleid van verweerder is conform deze keuze van de regelgever.6 Nu eiser de mogelijkheid heeft om een aanvraag in te dienen voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, ziet de rechtbank niet in waarom dit beleid kennelijk onredelijk zou zijn.

7.3.

Als verweerder bij de nadere besluitvorming wederom meent dat eisers verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken, is verweerder dan ook niet gehouden om ambtshalve te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM.

7.4.

De rechtbank geeft verweerder ook nog mee dat verweerder bij de nadere besluitvorming in het kader van de beoordeling ex nunc of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000, rekening moet houden met de meest recente landeninformatie over Irak in het algemeen en Bagdad in het bijzonder, waaronder de brief van de ‘United Nations High Commissioner for Refugees’ van 14 juni 2017.

Proceskosten

8. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een nader schriftelijk standpunt met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, voorzitter, en mrs. H.J.M. Baldinger en
Y. Moussaoui, leden, in aanwezigheid van mrs. M.A. Knikkink en E. Mulder, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.

2 Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.

3 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30 925, nr. 3, p. 4.

4 Artikel II van het Besluit van 26 maart 2012, houdende wijziging van het Vb 2000 in verband met de aanscherping van de glijdende schaal.

5 Nota van Toelichting bij besluit van 17 december 2013 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (stroomlijning toelatingsprocedures), Staatsblad 2013, nr. 580, p. 35.

6 Zie paragraaf C5/4 gelezen in samenhang met paragraaf C2/10.3 van het van de Vreemdelingencirculaire 2000.